← Nederland

ECLI:NL:GHAMS:2016:4531

15/821166-15 GERECHTSHOF AMSTERDAM, MEERVOUDIGE STRAFKAMER, RAADKAMER BESCHIKKING in raadkamer op het hoger beroep in de zaak van [verdachte], geboren te [geboorteplaats] ( Colombia) op [geboortedag] 1969, zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande, thans verblijvende in het huis van bewaring Arnhem Zuid te Arnhem, tegen de beschikking van de rechtbank te Noord-Holland, locatie Haarlem van 30 december 2015, houdende bevel tot zijn gevangenhouding en afwijzing van het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis. De feiten en de rechtsgang Het hof heeft kennis genomen van de akte van de griffier van de rechtbank te Noord-Holland, locatie Haarlem van 31 december 2015, waarbij namens de verdachte hoger beroep is ingesteld van voormelde beschikking van die rechtbank. Het hof heeft gezien de beschikking waarvan beroep en heeft kennis genomen van de stukken betrekking hebbend op de voorlopige hechtenis van de verdachte en heeft gehoord de advocaat-generaal en de verdachte, bijgestaan door diens raadsvrouw mr. M.J.E.J. Coenraad. De beoordeling Het hof verenigt zich met de beschikking waarvan beroep en de gronden waarop deze berust. Gelet op de inhoud van het dossier, in het bijzonder de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte], is het hof van oordeel dat er voldoende ernstige bezwaren aanwezig zijn voor het op de vordering inbewaringstelling vermelde feit. Het hof heeft met betrekking tot het vluchtgevaar de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking genomen: de verdachte heeft geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland; de verdachte heeft de Colombiaanse nationaliteit; er is onvoldoende inzicht in de achtergrond van de verdachte; de verdachte verbleef de afgelopen drie maanden in verschillende hotels, en de verdachte heeft de afgelopen periode regelmatig buiten Europa gereisd. Tegen deze achtergrond overweegt het hof dat het hebben van een adres in Spanje onvoldoende is om aan te nemen dat er geen sprake is van een ernstig gevaar voor vlucht. Op grond van de ernst, de aard en de omvang en/of het internationale karakter van de verdenking is het hof van oordeel dat sprake is van een ernstige vrees dat de verdachte zich schuldig zal maken aan een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaren of meer is gesteld. Met betrekking tot de onderzoeksgrond overweegt het hof dat het feit dat er geen beperkingen meer zijn, niet automatisch meebrengt dat de onderzoeksgrond komt te vervallen. Gelet op de omvang van het onderzoek en hetgeen het Openbaar Ministerie op dit punt heeft aangevoerd, is het hof van oordeel dat de voorlopige hechtenis nog noodzakelijk is voor de waarheidsvinding. 15/821166-15 Nu aan de voorlopige hechtenis zowel het vluchtgevaar, redicivegevaar als de onderzoeksgrond ten grondslag liggen, ziet het hof - met de rechtbank - geen reden de voorlopige hechtenis van de verdachte te schorsen. De beslissing Het hof: WIJST AF het beroep tegen de bestreden beschikking. Deze beschikking is gegeven op 20 januari 2016 in raadkamer van dit hof door mr. M.J.G.B. Heutink, voorzitter, mrs. J.L. Bruinsma en N.R.A. Meerbeek, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. S.A.M. Borg als griffier. De advocaat-generaal bij dit gerechtshof brengt vorenstaande beschikking ter kennis van de verdachte. Amsterdam, 20 januari 2016, de advocaat-generaal

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.