GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.155.663/01 zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/543379 / HA ZA 13-640 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 9 februari 2016 inzake de coöperatie KONINKLIJKE COÖPERATIEVE BLOEMENVEILING FLORAHOLLAND U.A., gevestigd te Aalsmeer, appellante, tevens incidenteel geïntimeerde, advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens te Den Haag, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid PROMENS ZEVENAAR B.V., gevestigd te Zevenaar, geïntimeerde, tevens incidenteel appellante, advocaat: mr. R.H. van de Beeten te Zevenaar. 1Het geding in hoger beroep Partijen worden hierna FloraHolland en Promens genoemd. FloraHolland is bij dagvaarding van 26 juni 2014 in hoger beroep gekomen van vonnissen van de rechtbank Amsterdam van 21 augustus 2013 en 23 april 2014 onder bovengenoemd nummer gewezen tussen Promens als eiseres en FloraHolland als gedaagde. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van grieven; - memorie van antwoord in principaal hoger beroep; - memorie van eis in incidenteel appel, met producties; - memorie van antwoord in incidenteel appel. Partijen hebben de zaak ter zitting van 15 december 2015 doen bepleiten door hun voornoemde advocaten, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. FloraHolland heeft nog producties in het geding gebracht. Door respectievelijk namens partijen zijn inlichtingen verstrekt. Ten slotte is arrest gevraagd. FloraHolland heeft, onder intrekking van het hoger beroep tegen het tussenvonnis, geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis van 23 april 2014 zal vernietigen en de vordering van Promens alsnog zal afwijzen, met beslissing over de proceskosten. Promens heeft in principaal appel geconcludeerd tot verwerping van de grief van FloraHolland en in incidenteel hoger beroep dat het hof het bestreden vonnis gedeeltelijk zal vernietigen en FloraHolland, uitvoerbaar bij voorraad, – kennelijk in aanvulling op de door de rechtbank toegewezen bedragen – zal veroordelen tot betaling van € 86.437,33, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente van € 18,85 per dag vanaf 11 november 2014, met beslissing over de proceskosten, te vermeerderen met nakosten en wettelijke rente. FloraHolland heeft in incidenteel hoger beroep geconcludeerd tot verwerping daarvan en afwijzing van de vordering, met – uitvoerbaar bij voorraad – beslissing over de proceskosten, te vermeerderen met nakosten en wettelijke rente. Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden. 2Feiten 2.1. De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.6 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil, dienen ook het hof als uitgangspunt en luiden – voor zover in hoger beroep van belang – als volgt. 2.2. Promens is sinds 1948 actief als producent van kunststof producten, die worden geproduceerd middels een zogenoemd spuit/gietproces. Hierbij wordt verwarmde kunststof in matrijzen gespoten. Zij heeft in de loop der jaren voor de Nederlandse bloemenveilingen allerlei verpakkings- en emballagemateriaal ontwikkeld voor het vervoer van planten en (snij)bloemen, alsmede producten voor de presentatie van planten en bloemen in de detailhandel. 2.3. Sinds 1964 bestaat een samenwerkingsverband tussen (de rechtsvoorgangers van) FloraHolland en Promens. Op 20 januari 1998 hebben de rechtsvoorgangers van partijen een raamovereenkomst gesloten. In het daarvan opgemaakte schriftelijke contract is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen: “(…) de Opdrachtgever en de Leverancier zijn overeengekomen dat de in dit contract overeengekomen condities, met uitzondering van prijs en hoeveelheden, ook voor toekomstige contracten betreffende deze produkten van toepassing zijn; (…) 2.1 Productspecificaties Artikel Fc 533 (…) Fc 544 (…) Fc 560 (…) Fc 566 (…) Fc 577 (…) Fc 580 (…) Fc 596 (…) Fc 597 (…) 3.1 Contractduur Deze overeenkomst wordt aangegaan met ingang van 1 januari 1998 en geldt voor onbepaalde tijd, tenzij door een der partijen minimaal 6 maanden van tevoren te kennen heeft gegeven de overeenkomst te willen beëindigen.(…)”. 2.4. Op 15 december 2011 heeft de advocaat van FloraHolland aan Promens geschreven, voor zover hier van belang: “(…) Ik begreep dat jaarlijks bij u een offerte wordt aangevraagd en dat u vervolgens een offerte aan cliënten uitbrengt. Laatstelijk is dat gebeurd op 17 oktober 2011. U heeft vervolgens een offerte uitgebracht. Cliënten waren het met uw prijsstelling niet eens hetgeen betekent dat, voor de eerste helft van 2012, geen opdracht gegeven zal worden tot het produceren van fust voor de in de offerteaanvraag genoemde fustcodes. (…) U geeft aan dat er een overeenkomst geldt waarin een opzegtermijn van zes maanden is gegeven. Voor zoveel nodig zeg ik hierbij namens cliënten de overeenkomst op tegen 15 juni 2012, althans tegen de rechtens eerst mogelijke datum.(…)” 3Beoordeling 3.1. Promens heeft, voor zover in hoger beroep van belang, in de eerste aanleg van deze procedure gevorderd dat FloraHolland ter zake van schadevergoeding wordt veroordeeld tot betaling van € 277.726,=, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente. Zij heeft daartoe, kort weergegeven, gesteld dat FloraHolland de samenwerking tussen partijen heeft beëindigd zonder daarbij de in 1998 overeengekomen opzegtermijn in acht te nemen, waardoor zij – Promens – haar productiecapaciteit in het eerste half jaar van 2012 niet optimaal heeft kunnen benutten en evenmin onder de licentieregeling producten aan derden heeft kunnen verkopen. FloraHolland heeft tot haar verweer aangevoerd dat zij heeft voldaan aan haar verplichtingen uit de overeenkomst. 3.2. Bij het bestreden vonnis is FloraHolland veroordeeld tot betaling van € 45.611,90, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente en de gedingkosten. De rechtbank heeft aan deze beslissing onder meer ten grondslag gelegd dat de relatie tussen partijen moet worden gekwalificeerd als een duurovereenkomst, die opzegbaar is met inachtneming van een termijn van zes maanden en dat FloraHolland deze opzegtermijn niet in acht heeft genomen. 3.3. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt FloraHolland op met haar grief in principaal hoger beroep. 3.4. FloraHolland bestrijdt allereerst het bestaan van een duurovereenkomst tussen partijen. Zij zijn in 1998 weliswaar een aantal condities overeengekomen die voor toekomstige contracten zouden gelden, maar dat neemt niet weg dat partijen ieder jaar opnieuw overeenstemming moesten bereiken over hoeveelheden en prijs, waarbij FloraHolland geen afnameverplichting had, aldus FloraHolland. 3.5. Het hof is van oordeel dat de rechtbank de relatie tussen partijen terecht heeft aangemerkt als een duurovereenkomst. Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen als volgt. Partijen hebben vanaf 1964 op dezelfde wijze zaken met elkaar hebben gedaan in die zin dat FloraHolland jaarlijks tegen het einde van het jaar zowel bij Promens als bij andere leveranciers offertes aanvroeg voor de productie van verschillende types fust die in het begin van het daarop volgende jaar geproduceerd moesten worden. Op basis van de offertes verstrekte FloraHolland opdrachten. Met uitzondering van het jaar 2009 heeft Promens ieder jaar fust aan FloraHolland geleverd. Tussen partijen bestaat aldus een bestendige zakelijke relatie die kwalificeert als duurovereenkomst. Het hof verenigt zich met deze overwegingen en neemt deze over. Dat partijen ieder jaar overeenstemming dienden te bereiken over hoeveelheden en prijs en dat de overeenkomst tussen partijen geen afnameverplichting behelsde kan niet tot een ander oordeel leiden, gelet op de sinds 1964 gevolgde werkwijze waarbij FloraHolland ieder jaar offertes heeft gevraagd van Promens en haar, afgezien van het jaar 2009, ieder jaar ook opdrachten verstrekte. 3.6. Partijen verschillen van mening over de betekenis van de in 1998 overeengekomen bepaling over de opzegtermijn van zes maanden. Promens heeft gesteld dat deze opzegtermijn verband hield met de omstandigheid dat de eigendom van de matrijzen waarmee de containers voor FloraHolland werden gemaakt in 1998 van Promens overging op FloraHolland. Tot dat moment bestond, aldus Promens, doordat zij eigenaar was van de matrijzen, feitelijk een exclusieve verhouding waarbij FloraHolland haar containers wel bij Promens moest bestellen. Na 1998 bleef Promens feitelijk de belangrijkste leverancier van FloraHolland. Dat FloraHolland vanaf 1998 niet kon worden gedwongen tot afname van containers bij Promens, betekent niet dat FloraHolland volledige vrijheid van handelen had. De opzegtermijn van zes maanden is, aldus nog steeds Promens, in de raamovereenkomst opgenomen om haar gedurende die termijn te verzekeren van opdrachten. FloraHolland heeft de eigendomsoverdracht van de matrijzen in 1998 niet bestreden, maar wel dat de toen overeengekomen opzegtermijn ertoe strekte Promens gedurende de opzegtermijn van zes maanden te verzekeren van opdrachten. De rechtbank is volgens FloraHolland dan ook ten onrechte uitgegaan van deze door Promens gestelde betekenis van de opzegtermijn. De vrijheid van FloraHolland om met andere leveranciers in zee te gaan staat aan deze uitleg in de weg, aldus FloraHolland. 3.7. De vraag welke betekenis de opzegbepaling heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van de inhoud van de raamovereenkomst en de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de opzegbepaling mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. 3.8. Partijen hadden ten tijde van de totstandkoming van de raamovereenkomst in 1998 reeds gedurende een periode van ruim dertig jaar een bestendige contractuele relatie. De inachtneming van de opzegtermijn was, zo valt uit de raamovereenkomst af te leiden, een wederzijdse verplichting. Deze verplichting diende kennelijk het belang van beide partijen, in die zin dat FloraHolland niet ineens zou worden geconfronteerd met een tekort aan containers en Promens niet met een plotseling uitblijven van opdrachten. 3.9. Zoals hiervoor is overwogen bestond de werkwijze die partijen sinds 1964 hebben gehanteerd eruit dat FloraHolland aan het eind van ieder jaar offertes vroeg aan Promens en andere leveranciers en dat zij op basis van die offertes opdrachten verstrekte. Tot en met het jaar 2011 is deze werkwijze niet wezenlijk veranderd. Wel nam – zoals onbestreden vaststaat – het aantal artikelen (als bedoeld onder 2.1 van de raamovereenkomst) voor het produceren waarvan FloraHolland Promens offertes vroeg en opdrachten aan Promens verstrekte in de loop der jaren af en heeft FloraHolland in 2008 een van de bij Promens opgeslagen matrijzen definitief weggehaald om fust door (een) andere leverancier(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.