GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.167.779/01 zaaknummer rechtbank Amsterdam: 3126407 EA VERZ 14-554 beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 9 februari 2016 (bij vervroeging) inzake [appellant] , wonend te [woonplaats] , appellant, advocaat: mr. A. Bierenbroodspot te Amsterdam, tegen VERENIGING VAN EIGENAARS [naam vereniging], gevestigd te [vestigingsplaats] , geïntimeerde, advocaat: mr. D.I. Madunic te Amsterdam. 1Het geding in hoger beroep Partijen worden hierna [appellant] en de VvE genoemd. [appellant] is bij verzoekschrift met producties, ontvangen ter griffie van het hof op 7 april 2015, in hoger beroep gekomen van de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 7 januari 2015, onder bovengenoemd zaaknummer gewezen tussen [appellant] als verzoeker en de VvE als verweerster. De VvE heeft een verweerschrift ingediend, ter griffie van het hof ingekomen op 24 juni 2015. [appellant] heeft het hof verzocht voornoemde beschikking te vernietigen en zijn verzoek alsnog toe te wijzen, met beslissing over de proceskosten. De VvE heeft geconcludeerd tot bekrachtiging, met beslissing over de proceskosten. [appellant] heeft bewijs van zijn stellingen aangeboden. De mondelinge behandeling van het beroepschrift heeft plaatsgevonden op 12 januari 2016. Bij die gelegenheid heeft namens [appellant] mr. Bierenbroodspot voornoemd en namens de VvE mr. Madunic voornoemd het woord gevoerd, ieder aan de hand van pleitaantekeningen die zijn overgelegd. Tevens was ter zitting aanwezig mr. H. Oulet Ali, advocaat te Amsterdam namens ING Bank NV als belanghebbende partij. Door partijen zijn inlichtingen verstrekt. Vervolgens is de behandeling van de zaak gesloten. Uitspraak is bepaald op heden. 2Feiten 2. De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking onder 1 tot en met 10 de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt, aangevuld met andere feiten die als erkend dan wel niet (voldoende) betwist zijn komen vast te staan. 3Beoordeling 3.1 Het gaat in deze zaak - samengevat en voor zover van belang - om het volgende. 3.1.1 [appellant] is sinds 1971 eigenaar van de woning gelegen aan de voorzijde van de tweede verdieping van de [adres] (hierna ook: het pand). Sedert 1977 is hij ook eigenaar van de woning gelegen aan de achterzijde van de tweede verdieping van het pand. Als eigenaar van genoemde woningen is [appellant] van rechtswege lid van de VvE. 3.1.2 In artikel 13 van de statuten bij de oprichtingsakte van de Coöperatieve woningexploitatievereniging [naam vereniging] , gepubliceerd in de Staatscourant van 15 maart 1967, is bepaald dat de benedenwoning 35 stemmen heeft, ieder der twee woningen op zowel de tweede als derde verdieping 15 stemmen en de zolderverdieping 5 stemmen. 3.1.3 Artikel 10 lid 1 van het daarbij behorende reglement luidt: “De leden zijn verplicht, in de verhouding van het aantal stemmen dat zij ter beschikking kunnen uitbrengen, bij te dragen in de kosten van herstel, onderhoud en exploitatie van het gebouw en de daarin aanwezige voor gemeenschappelijk gebruik bestemde installaties en leidingen, de kosten van het bestuur van de vereniging, de door de vereniging aan haar leden verschuldigde schadevergoedingen en alle overige op grond van een vastgestelde begroting door de vereniging gedane uitgaven of te vormen reservefondsen.” 3.1.4 In de Staatscourant van 10 november 1975 is, naar aanleiding van een verbouwing van de zolderverdieping, bepaald dat artikel 13 van de onder 3.1.2 genoemde statuten wordt gewijzigd in die zin dat de benedenwoning 29 stemmen krijgt, de twee woningen op zowel de tweede als derde verdieping respectievelijk 12 en 13 stemmen en de zolderverdieping 21 stemmen. Artikel 10 van het bijbehorende reglement is niet gewijzigd. 3.1.5 Op 30 november 1978 is een splitsingsakte opgesteld aangaande [adres] . Hierin is aan iedere woning eenzelfde aantal stemmen toegekend als in het hiervoor genoemde (gewijzigde) artikel 13. Over de verdeling van de kosten is in de splitsingsakte geen bepaling opgenomen. [appellant] was een van de aanwezigen bij het opstellen van de splitsingsakte. 3.1.6 Tot 1984 heeft de verdeling van kosten aldus plaatsgevonden, dat de eigenaren bijdroegen naar rato van de stemmen zoals bepaald in de splitsingsakte (hierna ook: kostenverdeling B). 3.1.7 Van 1984 tot 2002 vond de verdeling van kosten aldus plaats, dat deze geschiedde naar rato van de erfpachtcanon (hierna ook: kostenverdeling A). Voor de 2e verdieping (van [appellant] ) betekende dat een percentage van 18% (tweemaal 9%). Deze wijziging in 1984 ten opzichte van de daarvoor bestaande situatie vond plaats naar aanleiding van een door de toenmalige eigenaren daartoe genomen besluit. 3.1.8 Na 2002 is voor de kostenverdeling weer teruggekeerd naar kostenverdeling B. De VvE stelt zich op het standpunt dat begin 2003 door de toenmalige eigenaren (unaniem, dan wel slechts met uitzondering van [appellant] ) is besloten voor de bepaling van de kostenverdeling terug te keren naar de verdeelsleutel zoals voor de stemrechten beschreven in de splitsingsakte. [appellant] stelt zich op het standpunt dat daartoe geen besluitvorming heeft plaatsgevonden, dan wel dat hij zich tegen een dergelijk besluit steeds heeft verzet. 3.2 [appellant] heeft, voor zover in hoger beroep van belang, de kantonrechter verzocht: a. bevel te doen aan de VvE om de kostenverdeling A te laten opnemen in een akte c.q. statuten, te weten 36% voor parterre, 18% voor de tweede etage, 9% voor elk van de twee appartementen op de derde etage en 28% voor de kapverdieping; b. de VvE te veroordelen tot terugbetaling aan [appellant] van hetgeen hij sedert 2003 teveel in de kosten heeft bijgedragen. 3.3 De kantonrechter heeft het verzoek van [appellant] afgewezen en daartoe, samengevat, overwogen dat: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.