GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team II zaaknummer : 200.167.087/01 zaaknummer/rolnummer rechtbank Noord-Holland: 3159098 / CV EXPL 14-4446 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 15 november 2016 inzake DRUKKERIJ [X] BEHEER B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , gemeente [gemeente] , appellante in het principale appel, geïntimeerde in het incidentele appel, advocaat: mr. M.G. Jansen te Haarlem, tegen CENTURION PRINTING B.V., gevestigd te Amsterdam, geïntimeerde in het principale appel, appellante in het incidentele appel, advocaat: mr. F.T. Zoutberg te Amsterdam. Partijen worden hierna [appellante] en Centurion genoemd. 1Het verdere verloop van het geding in hoger beroep Voor het verloop van het geding tot het tussenarrest van 19 april 2016 verwijst het hof naar dat arrest. Ingevolge dat tussenarrest heeft [appellante] een akte na tussenarrest tevens akte vermeerdering van eis genomen, waarop Centurion bij antwoordakte heeft gereageerd. Ten slotte is wederom arrest gevraagd. 2De verdere beoordeling 2.1. Het hof heeft in zijn genoemde tussenarrest [appellante] in de gelegenheid gesteld haar vordering op een tweetal punten te preciseren en nader te adstrueren. Het gaat daarbij in de eerste plaats om haar vordering tot betaling door Centurion van de kosten van de nutsvoorzieningen over de periode vanaf 1 januari 2014 tot 2 juni 2014 en in de tweede plaats om haar vordering tot betaling door Centurion van buitengerechtelijke kosten. Vervolgens is Centurion in de gelegenheid gesteld op de stellingen van [appellante] ter zake te reageren. Het hof overweegt omtrent beide punten thans als volgt. 2.2. Met betrekking tot haar vordering tot betaling door Centurion van de kosten van de nutsvoorzieningen over de periode vanaf 1 januari 2014 tot 2 juni 2014 heeft [appellante] een onderscheid gemaakt tussen de door haar aan Liander betaalde kosten van netbeheer en de door haar aan Essent betaalde kosten betreffende respectievelijk gas en elektra, en daarbij verwezen naar en een toelichting gegeven op de facturen die zij (als productie G4) bij memorie van grieven heeft overgelegd. Daarnaast heeft [appellante] aanspraak gemaakt op betaling door Centurion van een bedrag van € 265,= ter zake van de levering van water. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. 2.3. Ten aanzien van de door Liander in rekening gebrachte kosten heeft [appellante] een vijftal maandbedragen opgesomd, die betrekking hebben op de periode 7 februari tot en met 30 juni 2014. Centurion heeft terecht opgemerkt dat [appellante] geen factuur over de periode 1 april tot en met 30 april 2014 heeft overgelegd, zodat het hof met het door [appellante] over die maand gevorderde bedrag van € 123,79 geen rekening houdt. Dat geldt evenzeer voor de kosten van Liander die betrekking hebben op de periode 1 januari tot en met 6 februari 2014, omdat [appellante] geen kosten over die periode heeft gevorderd en evenmin een factuur betrekking hebbend op die periode heeft overgelegd. Ook stelt Centurion terecht dat niet de gehele factuur over de maand juni 2014 ten bedrage van € 113,78 kan worden meegenomen, omdat slechts twee dagen vallen onder de termijn waarover [appellante] kosten kan vorderen. Het door Centurion berekende bedrag voor twee dagen van de maand juni 2014 van € 7,58 is juist. Dit betekent dat het totaal van deze vordering neerkomt op € 85,46 (factuur 7 februari t/m 28 februari 2014) + € 117,81 (factuur 1 maart t/m 31 maart 2014) + € 124,48 (factuur 1 mei t/m 31 mei 2014) + € 7,58 (eerste twee dagen juni 2014) = € 335,33. 2.4. Ten aanzien van de door Essent in rekening gebrachte kosten ter zake van gas heeft Centurion erkend dat het door [appellante] berekende totaalbedrag van € 1.709,56 op zichzelf juist is, maar dat in de bodemprocedure een gedeelte van deze vordering van [appellante] is toegewezen, te weten een bedrag van € 562,97, dat dit bedrag inmiddels door Centurion is betaald en dat dit derhalve van voornoemd totaalbedrag dient te worden afgetrokken. Het hof overweegt dat juist is dat de kantonrechter te dezer zake al een bedrag van € 562,97 heeft toegewezen (volgens het vonnis waarvan beroep betrekking hebbend op de periode van 1 februari t/m maart 2014). Ervan uitgaande dat dit bedrag inmiddels door Centurion aan [appellante] is betaald, zal het hof de vordering van [appellante] daarom toewijzen tot een bedrag van € 1.146,59. Daaraan voegt het hof volledigheidshalve wel toe dat als Centurion het genoemde bedrag van € 562,97, anders dan zij zelf stelt, nog niet aan [appellante] heeft betaald, zij dit alsnog dient te doen. 2.5. Ten aanzien van de door Essent in rekening gebrachte kosten ter zake van elektra heeft Centurion erkend dat zij over de periode van 7 februari 2014 tot en met 31 mei 2014 – ook hier vordert [appellante] geen kosten over de periode 1 januari tot en met 6 februari 2014 en legt zij evenmin een factuur betrekking hebbend op die periode over – een totaalbedrag van € 1.207,63 is verschuldigd. Ook hier stelt Centurion terecht dat niet de gehele factuur over de maand juni 2014 ten bedrage van € 250,60 kan worden meegenomen, omdat slechts twee dagen vallen onder de termijn waarover [appellante] kosten te dezer zake kan vorderen. Het door Centurion berekende bedrag voor twee dagen van de maand juni 2014 van € 16,71 is juist. Dit betekent dat het totaal van deze vordering neerkomt op € 1.207,63 + € 16,71 = € 1.224,34. 2.6. Ten aanzien van het door [appellante] gevorderde bedrag van € 265,= ter zake van de levering van water overweegt het hof dat [appellante] geen enkele hierop betrekking hebbende factuur heeft overgelegd en evenmin anderszins voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij op dit punt kosten heeft gemaakt. Nu Centurion stelt dat [appellante] ter zake zelf geen kosten heeft gemaakt en de stelplicht en bewijslast in dit opzicht op [appellante] rusten, zal het hof, bij deze stand van zaken, de vordering van [appellante] op dit punt afwijzen. . 2.7. Met betrekking tot de vordering van [appellante] tot veroordeling van Centurion tot betaling van een bedrag van € 3.217,50 aan buitengerechtelijke kosten heeft het hof in zijn tussenarrest van 19 april 2016 niet alleen overwogen dat Centurion nog niet de mogelijkheid had gehad op de stellingen van [appellante] ter zake te reageren, maar ook dat voor het hof niet geheel duidelijk was of [appellante] , wier vordering op dit punt in eerste aanleg reeds tot een bedrag van € 2.769,= is toegewezen, haar vordering op dit punt tot een hoger bedrag (€ 3.217,50) toegewezen wil zien dan wel bedoelt opnieuw buitengerechtelijke kosten te vorderen in verband met (enkel) de appelprocedure. [appellante] heeft met betrekking tot dit laatste punt gesteld dat de kantonrechter in eerste aanleg een bedrag van € 2.769,= heeft toegewezen – waartegen Centurion overigens niet (incidenteel) heeft gegriefd –, zijnde een bedrag van 15% van de hoofdsom, dat de hoofdsom van de schadevorderingen van [appellante] in totaal een bedrag van € 39.251,92 beloopt, dat op grond van de overweging van de kantonrechter het ter zake toe te wijzen bedrag 15% van deze hoofdsom, te weten een bedrag van € 5.887,97, zou moeten belopen en dat na aftrek van het in eerste aanleg toegewezen bedrag – dat, naar het hof begrijpt, inmiddels is voldaan en anders alsnog door Centurion dient te worden betaald – derhalve nog een (thans) toe te wijzen bedrag van € 3.118,79 resteert. Het hof overweegt hieromtrent allereerst dat uit de specificatie van de op dit punt gevorderde kosten (productie G13 bij memorie van antwoord in incidenteel appel) blijkt dat deze deels betrekking hebben op de deskundige, [A] , die door [appellante] is aangesteld ter uitvoering van de hiervoor (onder 3.1 sub (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.