GERECHTSHOF AMSTERDAM Afdeling civiel recht en belastingrecht Team III (familie- en jeugdrecht) zaaknummers: 200.193.676/01 en 200.197.222/01 zaaknummers rechtbank: C/13/601758 / JE RK 16-107 en C/13/608921 / JE RK 16-643 beschikking van de meervoudige kamer van 29 november 2016 inzake: [de moeder] , wonende te [woonplaats] , verzoekster, verder te noemen: de moeder, advocaat: mr. S. van de Grift te Amsterdam, en Jeugdbescherming regio Amsterdam, gevestigd te Amsterdam, verweerder, verder te noemen: de GI. Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt: - de heer [X] (hierna te noemen: de vader); - de heer [Y] (hierna te noemen: de stiefvader). In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming, locatie: Amsterdam, hierna te noemen: de RvdK. 1Het verloop van het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam van 21 maart 2016 en 9 juni 2016 uitgesproken onder voormelde zaaknummers. 2Het geding in hoger beroep 2.1. In de zaak met zaaknummer 200.193.676/01 is de moeder op 21 juni 2016 in hoger beroep gekomen van de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kinderrechter) van 21 maart 2016. 2.2. De GI heeft op 13 juli 2016 een verweerschrift ingediend. 2.3. In de zaak met zaaknummer 200.197.222/01 is de moeder op 11 augustus 2016 in hoger beroep gekomen van de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam van 9 juni 2016. 2.4. De moeder heeft op 18 augustus 2016 nadere stukken ingediend. 2.5. De GI heeft op 8 september 2016 een nader stuk ingediend. 2.6. De mondelinge behandeling heeft op 15 september 2016 plaatsgevonden. Verschenen zijn: - de moeder, bijgestaan door haar advocaat; - de GI, vertegenwoordigd door de gezinsmanager; - de Raad, vertegenwoordigd door mevrouw S. Klaij; - de vader; - de stiefvader. De advocaat van de moeder heeft ter zitting een pleitnotitie overgelegd. 2.7. Na de mondelinge behandeling is gebleken dat een van de raadsheren als gevolg van een intern administratief misverstand nog niet was beëdigd. Bij brief van de president van dit hof van 7 november 2016 is dat aan belanghebbenden bericht. Voorts is aan hen medegedeeld dat de betreffende raadsheer op 31 oktober 2016 is beëdigd en dat belanghebbenden kunnen vragen om een nieuwe mondelinge behandeling. Aan belanghebbenden is in het vooruitzicht gesteld dat de door hen naar voren gebrachte standpunten als herhaald zullen worden beschouwd ingeval zij afzien van het houden van een nieuwe mondelinge behandeling. De moeder heeft bij brief van 11 november 2016 te kennen gegeven af te zien van een nieuwe mondelinge behandeling. De GI heeft bij brief van 15 november 2016 eveneens laten weten af te zien van een nieuwe mondelinge behandeling. 3De feiten in beide zaken 3.1. Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast. 3.2. Uit de (inmiddels verbroken) relatie van de moeder en de vader (hierna gezamenlijk te noemen: de ouders) is geboren: - [A] (hierna te noemen: [de minderjarige] ), [in] 2009, te Amsterdam. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over [de minderjarige] . 3.3. De moeder en de stiefvader zijn [in] 2014 gehuwd. 3.4. [de minderjarige] staat sinds 29 september 2014 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is telkens verlengd . 3.5. [de minderjarige] is eind september 2014 met een daartoe strekkende machtiging uithuisgeplaatst in een crisispleeggezin. In de loop van maart 2015 is zij weer bij de moeder en de stiefvader geplaatst onder de voorwaarde dat zij zich onder begeleiding van Multi Systeem Therapie (hierna: MST-CAN) stellen. [de minderjarige] verblijft sinds 5 april 2016 bij de vader; op 30 mei 2016 is daartoe een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing verstrekt. [de minderjarige] verblijft op woensdag gedurende de gehele dag en op vrijdag na school tot 19:30 uur bij de moeder. 4De omvang van het geschil 4.1. Bij de bestreden beschikking van 21 maart 2016 heeft de kinderrechter op verzoek van de GI de ondertoezichtstelling met ingang van 9 april 2016 verlengd voor de duur van een jaar. Bij de bestreden beschikking van 9 juni 2016 heeft de kinderrechter op verzoek van de GI een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de vader tot uiterlijk 9 april 2017. 4.2. In de zaak met zaaknummer 200.193.676/01 verzoekt de moeder, met vernietiging van de bestreden beschikking, de GI niet-ontvankelijk te verklaren, althans het verzoek van de GI alsnog af te wijzen, althans de ondertoezichtstelling te verlengen voor de duur van zes maanden, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof juist acht. De moeder verzoekt bij wijze van zelfstandig verzoek de GI te vervangen door een andere gecertificeerde instelling. 4.3. De GI verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen. 4.4. In de zaak met zaaknummer 200.197.222/01 verzoekt de moeder, na vermindering van haar verzoek (bij brief van 18 augustus 2016), met vernietiging van de bestreden beschikking, de GI niet-ontvankelijk te verklaren in het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de vader voor de duur van de ondertoezichtstelling, althans het verzoek van de GI alsnog af te wijzen, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof juist acht. De moeder verzoekt subsidiair een zorg- en contactregeling te bepalen tussen haar en [de minderjarige] , inhoudende dat: - [de minderjarige] eenmaal per veertien dagen van vrijdag na school tot zondagavond bij de moeder in [woonplaats] verblijft; [de minderjarige] iedere woensdag na school tot donderdagochtend voor school bij de moeder in [woonplaats] verblijft; [de minderjarige] gedurende de helft van de herfstvakantie bij de moeder in [woonplaats] verblijft; [de minderjarige] gedurende de eerste week van de kerstvakantie bij de moeder in [woonplaats] verblijft; de moeder zorgdraagt voor het halen en terugbrengen van [de minderjarige] . 4.5. De GI verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen. 5De motivering van de beslissing in beide zaken 5.1. Ter beoordeling aan het hof ligt op de eerste plaats voor of de gronden voor verlenging van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] alsmede de gronden voor het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] ten tijde van de bestreden beschikking aanwezig waren en of deze gronden thans (nog) aanwezig zijn. De zaken lenen zich, gelet op hun onderlinge samenhang, voor gezamenlijke behandeling. 5.2. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan een minderjarige onder toezicht worden gesteld, indien hij zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en: a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd en b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, lid 2 BW, in staat zijn te dragen. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:265b, eerste lid, BW kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen, indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. 5.3. De moeder stelt dat niet voldaan is aan de gronden voor verlenging van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] en dat niet voldaan is aan de gronden voor uithuisplaatsing van [de minderjarige] . Zij voert ter onderbouwing van dit standpunt het volgende aan. [de minderjarige] wordt in de thuissituatie bij de moeder niet bedreigd in haar ontwikkeling. De moeder heeft de afgelopen jaren een positieve ontwikkeling doorgemaakt en gebruikt sinds november 2014 geen drugs meer. Naar zij ter zitting in hoger beroep heeft meegedeeld, drinkt zij slechts alcohol in sociaal verband met vrienden, maar niet meer als zij alleen is. Sinds er geen verslavingsproblemen meer zijn, is tussen de moeder en de stiefvader geen sprake meer geweest van huiselijk geweld. Ook op de door de GI genoemde data is daarvan geen sprake geweest. De gronden voor verlenging van de ondertoezichtstelling waren en zijn thans dan ook niet aanwezig, zodat de bestreden beschikking van 21 maart 2016 vernietigd dient te worden. Nu de GI heeft geweigerd om naar bewijsmiddelen te kijken waaruit blijkt dat tussen de moeder en de stiefvader sinds november 2014 geen sprake meer is geweest van huiselijk geweld, is de verhouding tussen de moeder en de GI ernstig verstoord. Indien de gronden voor verlenging van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] aanwezig worden geacht, dient dan ook in het belang van [de minderjarige] een andere gecertificeerde instelling belast te worden met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, aldus de moeder. De moeder werkt hard aan de opvoeding van [de minderjarige] en is in staat om haar een gezonde, gestructureerde opvoeding en leefomgeving te bieden. Ook accepteert de moeder alle hulpverlening en verleent zij haar medewerking hieraan. Zo heeft zij vrijwillig ingestemd met het volgen van MST-CAN, hetgeen uit een intensief traject van negen maanden bestond, welke behandeling zij positief heeft afgerond. De moeder heeft een hechte band met [de minderjarige] en is altijd haar hoofdverzorger geweest. De vader heeft nooit een grote rol gehad bij de opvoeding van [de minderjarige] . Tevens bestaan er zorgen over de gezondheid van de vader en de opvoedsituatie bij hem thuis. Daarnaast beschikken de moeder en de stiefvader over voldoende financiële middelen en kunnen zij [de minderjarige] in [woonplaats] een veilige woonomgeving bieden. [de minderjarige] dient dan ook teruggeplaatst te worden bij de moeder, zodat de bestreden 9 juni 2016 eveneens vernietigd dient te worden, aldus de moeder. 5.4. De GI stelt dat de gronden voor verlenging van de ondertoezichtstelling en voor uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de vader ten tijde van de bestreden beschikking aanwezig waren en ook thans nog aanwezig zijn. De GI voert ter onderbouwing het volgende aan. Bij de moeder en de stiefvader is sprake van een patroon van aantrekken en afstoten en ontkenning van huiselijk geweld. Gedurende de behandeling van de moeder bij MST-CAN, alsmede na de afsluiting daarvan zijn verschillende politiemeldingen in verband met huiselijk geweld tussen de moeder en de stiefvader binnengekomen. Daarbij is ook sprake geweest van alcoholmisbruik door de moeder. Hierdoor wordt [de minderjarige] thans nog ernstig in haar ontwikkeling bedreigd. [de minderjarige] dient door alles wat zij heeft meegemaakt traumabehandeling te ondergaan. De ondertoezichtstelling is ook noodzakelijk om een dergelijke behandeling voor [de minderjarige] te stimuleren. Daarnaast is ook de uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de vader noodzakelijk. De vader is op dit moment de meest stabiele factor in het leven van [de minderjarige] en voor hem is opvoedondersteuning bij Altra ingezet. De situatie tussen de moeder en de stiefvader is niet stabiel, omdat tussen hen nog steeds sprake is van een patroon van aantrekken en afstoten en van huiselijk geweld. Ondanks de hulpverlening voor de moeder is dit patroon niet doorbroken. Dit maakt terugplaatsing van [de minderjarige] bij de moeder en de stiefvader thans onveilig. Ook is een verhuizing naar [woonplaats] niet in het belang van [de minderjarige] , omdat [de minderjarige] in dat geval van school dient te wisselen. De moeder en de stiefvader hebben het belang van [de minderjarige] onvoldoende voor ogen en lijken niet te beseffen dat ruzie en geweld schadelijk is voor de ontwikkeling van [de minderjarige] . De bestreden beschikkingen van 21 maart 2016 en van 9 juni 2016 dienen gelet op deze omstandigheden bekrachtigd te worden, aldus de GI. 5.5. De vader heeft ter terechtzitting in hoger beroep het volgende verklaard. Het is in het belang van [de minderjarige] dat er rust komt en dat partijen gezamenlijk tot een oplossing komen. Indien de GI van oordeel is dat terugplaatsing van [de minderjarige] bij de moeder veilig en in haar belang is, dan stemt de vader hiermee in. Indien de GI concludeert dat plaatsing bij de vader het meest in het belang van [de minderjarige] is, dan is hij bereid en in staat om de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] op zich te blijven nemen, aldus de vader. 5.6. De stiefvader heeft ter terechtzitting in hoger beroep onder meer het volgende verklaard. De GI heeft de moeder en de stiefvader valselijk beschuldigd van huiselijk geweld, welke beschuldigingen zij hebben weerlegd. De moeder en de stiefvader zijn in staat om [de minderjarige] een stabiele thuissituatie te bieden, zodat zij dient te worden teruggeplaatst bij de moeder, aldus de stiefvader. 5.7. De RvdK heeft het hof ter terechtzitting in hoger beroep geadviseerd de bestreden beschikkingen te bekrachtigen. [de minderjarige] heeft veel meegemaakt en bevindt zich op dit moment in een loyaliteitsconflict. Voor [de minderjarige] is rust en stabiliteit van belang. Daarvan is op dit moment bij de vader sprake, zodat de plaatsing van [de minderjarige] aldaar gecontinueerd dient te worden. De moeder heeft positieve stappen gezet, maar er blijven zorgen bestaan over haar emotieregulatie en de conflicthantering van de moeder en de stiefvader. Het is in het belang van [de minderjarige] dat de ouders zich gezamenlijk inzetten voor hulpverlening. Op dit moment is (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.