parketnummer: 23-004377-15 datum uitspraak: 23 november 2016 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 27 oktober 2015 in de strafzaak onder parketnummer 13-081425-14 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994, adres: [adres] Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 9 november 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 5 april 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk [slachtoffer] heeft mishandeld, bestaande die mishandeling uit het eenmaal of meermalen (met kracht) slaan/stompen in/tegen het gezicht/hoofd, in elk geval tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer], waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof uit de bewijsmiddelen deels andere feiten en omstandigheden ten grondslag legt aan de beslissing dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan. Bewijsoverweging De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat weliswaar vast staat dat aangeefster [slachtoffer] is mishandeld, maar dat het dossier onvoldoende bewijs bevat om te kunnen vaststellen dat deze mishandeling door de verdachte is gepleegd. De raadsman heeft daartoe - kort gezegd - aangevoerd dat het signalement dat de getuigen van de dader hebben gegeven onvoldoende overeenkomt met het uiterlijk van de verdachte en dat de getuigen bovendien niet zijn onderworpen aan een fotoconfrontatie. Het hof verwerpt het verweer en overweegt daartoe als volgt. Uit het bewijs volgt dat de verdachte door aangeefster en door de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] is herkend en aangewezen als degene die de mishandeling heeft gepleegd. Onder die omstandigheden heeft een fotoconfrontatie geen toegevoegde waarde. De getuigen hebben bovendien verklaard dat de verdachte een groene jas en een wit T-shirt droeg, hetgeen door de verdachte ter zitting in hoger beroep is erkend. Gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden komt het hof tot het oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat het de verdachte is geweest die aangeefster [slachtoffer] een stomp tegen haar gezicht heeft gegeven. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 5 april 2014 te Amsterdam opzettelijk [slachtoffer] heeft mishandeld, bestaande die mishandeling uit het eenmaal (met kracht) stompen tegen het gezicht van voornoemde [slachtoffer], waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezen verklaarde levert op: mishandeling. Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is. Oplegging van straf De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een geldboete van € 600,00 subsidiair 18 dagen hechtenis. Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 500,00 subsidiair 10 dagen hechtenis. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de mishandeling van het slachtoffer. Door dit handelen heeft het slachtoffer pijn ondervonden. Het hof rekent dit de verdachte aan en overweegt voorts dat een mishandeling in het uitgaansleven en op de openbare weg bij getuigen van dit feit gevoelens van angst en onveiligheid teweeg kunnen brengen. Het hof acht, alles afwegende, een geldboete van na te melden hoogte passend en geboden. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 653,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.