GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.188.696/01 zaaknummer rechtbank (Noord-Holland) : C/15/239057 / KG ZA 16-82 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 20 december 2016 inzake [appellante] , wonend te [woonplaats 1] , gemeente [gemeente 1] , advocaat: mr. H. Loonstein te Amsterdam, appellante, tegen 1 [geïntimeerde sub 1] , wonend te [woonplaats 2] , [land] , advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam, 2. RAZ INTERNATIONAL INC., gevestigd te San Diego , Verenigde Staten , advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam, en 3. [geïntimeerde sub 3], wonend te [woonplaats 3] , gemeente [gemeente 2] , niet verschenen, geïntimeerden. 1Het geding in hoger beroep Appellante wordt hierna [appellante] genoemd. Geïntimeerden worden hierna gezamenlijk [geïntimeerden] genoemd en ieder afzonderlijk [geïntimeerde sub 1] , RAZ en [geïntimeerde sub 3] . [appellante] is bij dagvaarding van 23 maart 2016 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, hierna ‘de voorzieningenrechter’, van 24 februari 2016, in kort geding onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen haar als eiseres en [geïntimeerden] als gedaagden. De dagvaarding bevat de grieven. Daarna hebben [geïntimeerde sub 1] en RAZ een memorie van antwoord met producties ingediend. [geïntimeerde sub 3] is in hoger beroep niet verschenen. Tegen hem is verstek verleend. De verschenen partijen hebben de zaak ter zitting van 2 november 2016 doen bepleiten, [appellante] door haar in de aanhef van dit arrest genoemde advocaat en [geïntimeerde sub 1] en RAZ door mr. E.N. Nordmann, advocaat te Amsterdam, beiden aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Bij deze gelegenheid zijn van de zijde van [appellante] producties alsmede een akte getiteld ‘akte wijziging/vermindering van eis’ in het geding gebracht. Namens [geïntimeerde sub 1] en RAZ is één nadere productie in het geding gebracht. [appellante] heeft geconcludeerd, kort gezegd en naar het hof begrijpt, dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog – uitvoerbaar bij voorraad – haar hierna onder 3.5 te noemen gewijzigde eis zal toewijzen, met beslissing over de proceskosten. [geïntimeerde sub 1] en RAZ hebben bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging door [appellante] bij de hierboven genoemde akte en hebben geconcludeerd, kort gezegd en naar het hof begrijpt, dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met beslissing over de proceskosten. Ten slotte is arrest gevraagd. 2Feiten De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2, 2.1 tot en met 2.10, de feiten genoemd die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Over de juistheid van die feiten bestaat geen geschil, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan, met dien verstande dat het mede acht zal slaan op enkele andere, hierna te noemen, feiten die tussen partijen niet in geschil zijn. 3Beoordeling 3.1. [appellante] en [geïntimeerde sub 3] zijn sinds 1996 woonachtig in Nederland. Zij hebben beiden de Nederlandse en de Israëlische nationaliteit. [in] 2008 zijn [appellante] en [geïntimeerde sub 3] met elkaar gehuwd in Israël. In dit verband zijn zij op 12 oktober 2008 een in het Engels gestelde overeenkomst aangegaan getiteld ‘marriage agreement’ waarbij zij, onder andere en voor zover van belang, zijn overeengekomen dat goederen die vóór de huwelijksvoltrekking aan een van hen in eigendom toebehoorden, ook daarna eigendom van de desbetreffende echtgenoot zouden blijven. De ‘marriage agreement’ vermeldt verder, voor zover van belang, dat de gemeenschappelijke woning gelegen op het adres [adres] volledig aan [appellante] toebehoort totdat [geïntimeerde sub 3] een hem door [appellante] verstrekte geldlening ten belope van € 300.000,- zal hebben terugbetaald. De genoemde overeenkomst bepaalt ten slotte: ‘This Agreement shall be enforced under the law of the State of Israel or the State of the Netherlands or both, at the time of the execution of this Agreement.’ 3.2. Op 7 augustus 2015 zijn [appellante] en [geïntimeerde sub 3] een Engelstalig addendum bij de hierboven genoemde ‘marriage agreement’ overeengekomen waarbij zij, kort gezegd, hebben afgesproken dat alle bestaande roerende zaken in de woning gelegen op het adres [adres] zoals vermeld op een aan dat addendum gehechte lijst, de uitsluitende eigendom waren en zouden blijven van [appellante] . Met betrekking tot het daarop toepasselijke recht bevat het addendum een beding gelijkluidend aan het hierboven aangehaalde beding in de ‘marriage agreement’. Op 19 januari 2016 hebben [appellante] en [geïntimeerde sub 3] een in het Nederlands gestelde verklaring ondertekend inhoudend, voor zover van belang, dat ‘alle roerende zaken die zich bevinden op hun woonadres, alsmede elders, inclusief vervoermiddelen,’ eigendom zijn van [appellante] en dat deze zaken door [geïntimeerde sub 3] aan [appellante] werden geleverd, voor zover dit nog niet zou zijn gebeurd. De genoemde verklaring bepaalt dat daarop Nederlands recht van toepassing is. Een Nederlandse notaris heeft schriftelijk verklaard dat de handtekeningen onder de verklaring door [appellante] en [geïntimeerde sub 3] zijn geplaatst. 3.3. Een gerecht in de Verenigde Staten, te weten het United States District Court Southern District of California, heeft [geïntimeerde sub 3] bij verstekvonnis van 30 december 2011 veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van USD 661.114,82 aan [geïntimeerde sub 1] en RAZ. Op vordering van laatstgenoemden heeft de rechtbank Noord-Holland [geïntimeerde sub 3] bij vonnis van 16 september 2015 veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde sub 1] en RAZ van hetgeen waartoe hij bij het vonnis van het United States District Court Southern District of California is veroordeeld. [geïntimeerde sub 3] heeft niet vrijwillig aan de desbetreffende veroordeling voldaan. Uit hoofde van het genoemde vonnis van de rechtbank Noord-Holland hebben [geïntimeerde sub 1] en RAZ op 1 februari 2016 ten laste van [geïntimeerde sub 3] executoriaal beslag doen leggen op goederen zich bevindend in de hierboven genoemde woning aan de [adres] . Het beslag is gelegd op de roerende zaken die in het proces-verbaal van de beslaglegging, in een daarin opgenomen lijst, zijn vermeld alsmede op een in de woning aangetroffen bedrag van NOK 298.500,- in baar geld. Op 4 februari 2016 is de verkoop van de in beslag genomen roerende zaken aan [geïntimeerde sub 3] aangezegd. De verkoop zou, volgens die aanzegging, plaatsvinden op 11 maart 2016 te 11:00 uur ‘ter plaatse waar deze in beslag genomen zaken zich alsdan zullen bevinden’, dat wil zeggen in de genoemde woning. In werkelijkheid heeft de aangezegde verkoop tot dusverre niet plaatsgehad. 3.4. De hierboven weergegeven feiten zijn tussen partijen niet in geschil. Tegen de achtergrond van die feiten stelt [appellante] zich op het standpunt, samengevat, dat zowel de beslagen roerende zaken als het beslagen geldbedrag uitsluitend aan haar in eigendom toebehoren, dat de bij het hierboven genoemde vonnis van de rechtbank Noord-Holland tegen [geïntimeerde sub 3] uitgesproken veroordeling niet tegen haar, [appellante] , ten uitvoer kan worden gelegd en dat het [geïntimeerde sub 1] en RAZ niet vrijstaat hun vordering op [geïntimeerde sub 3] uit hoofde van dat vonnis op de beslagen zaken en het beslagen geldbedrag te verhalen. Hiervan uitgaande verzet [appellante] zich tegen de verkoop van de beslagen zaken en verlangt zij dat het beslagen geldbedrag, dat de deurwaarder die het beslag heeft gelegd onder zich heeft genomen, aan haar wordt afgegeven. Daartoe heeft zij in eerste aanleg gevorderd ‘de op 1 februari 2016 gelegde beslagen in de woning te [plaats] aan de [adres] op te heffen en/of te bevelen dat het in beslag genomen contante geld aan eiseres geheel of ten dele wordt teruggegeven en/of de aangezegde verkoop op 11 maart 2016 in de woning van eiseres te verbieden, althans en in ieder geval de (verdere) executie van het vonnis d.d. 16 september 2015, op grond waarvan de bedoelde beslagen zijn gelegd, te schorsen, voor zover het betreft de met [het] exploot d.d. 1 februari 2016 gelegde beslagen op roerende zaken en contante gelden in de genoemde woning te [plaats] , kosten rechtens.’ 3.5. De voorzieningenrechter heeft het verzet van [appellante] tegen de aangezegde verkoop ongegrond verklaard en de hierboven weergegeven vordering ook voor het overige afgewezen, met veroordeling van [appellante] in de gedingkosten. Tegen deze beslissingen en de overwegingen waarop zij berusten, komt [appellante] in hoger beroep op met acht grieven. De grieven lenen zich voor een gezamenlijke bespreking. [appellante] heeft in hoger beroep voorts haar eis gewijzigd zodanig, dat zij thans vordert dat de verkoop van de beslagen zaken in haar woning – het hof begrijpt: de woning aan de [adres] – wordt verboden, met instandhouding van de andere onderdelen van de hierboven weergegeven vordering. Anders dan de ‘akte wijziging/vermindering van eis’, waarbij [appellante] haar vordering in de beschreven zin heeft gewijzigd, doet voorkomen, houdt de eiswijziging een vermeerdering van de vordering in. Door die eiswijziging wordt het gevorderde verbod op verkoop van de beslagen zaken in de genoemde woning namelijk niet langer beperkt tot de eerder aangezegde verkoop op 11 maart 2016, maar ziet het gevorderde verbod op iedere verkoop van zaken in die woning, ongeacht de datum daarvan. Dit levert een meeromvattende vordering op dan in eerste aanleg is ingesteld. Voor zover de eisvermeerdering is gericht tegen [geïntimeerde sub 3] , is zij gelet op het bepaalde in artikel 130, derde lid, Rv niet toelaatbaar en wordt zij dus geweigerd, aangezien [geïntimeerde sub 3] in hoger beroep niet is verschenen en de eisvermeerdering niet tijdig bij exploot aan hem kenbaar is gemaakt. Voor zover de eisvermeerdering is gericht tegen [geïntimeerde sub 1] en RAZ, strekt zij in ieder geval mede ertoe te voorkomen dat het geschil aan de hand van inmiddels achterhaalde gegevens zou moeten worden beslist, aangezien de datum van de aangezegde verkoop inmiddels is verstreken. Ten aanzien van [geïntimeerde sub 1] en RAZ is de eisvermeerdering, die in zoverre ook verder niet in strijd is met de eisen van een goede procesorde, daarom wel toelaatbaar, zodat het gemaakte bezwaar daartegen wordt verworpen en ten aanzien van deze partijen hierna aan de hand van de gewijzigde eis van [appellante] zal worden beslist. 3.6. Met betrekking tot de roerende zaken waarop het omstreden executoriale beslag is gelegd, staat het volgende voorop. Het had op de weg van [appellante] gelegen in dit kort geding aannemelijk te maken dat die zaken uitsluitend aan haar in eigendom toebehoren, zoals zij stelt, in welk geval [geïntimeerde sub 1] en RAZ zich daarop niet zouden mogen verhalen. Het beroep van [appellante] op de onder 3.1 en 3.2 genoemde ‘marriage agreement’, het addendum daarbij en de door haar en [geïntimeerde sub 3] ondertekende schriftelijke verklaring van 19 januari 2016 is voor dat doel niet toereikend. Uit artikel 4, eerste lid en tweede lid onder 1, van het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime in samenhang met de artikelen 1 en 2 van de Wet conflictenrecht huwelijksvermogensregime (oud) – zoals geldend op de datum van de voltrekking van hun huwelijk – wordt het huwelijksvermogensregime van [appellante] en [geïntimeerde sub 3] beheerst door het Nederlandse recht, aangezien zij hun eerste gewone verblijfplaats na de huwelijksvoltrekking in Nederland hebben gevestigd, zij beiden bovendien (mede) de Nederlandse nationaliteit hebben en zij vóór het huwelijk geen ander toepasselijk recht hebben aangewezen. Het onder 3.1 aangehaalde beding in de ‘marriage agreement’ en in het addendum daarbij houdt niet een zodanige rechtskeuze in. De omstandigheden dat [appellante] en [geïntimeerde sub 3] ook de Israëlische nationaliteit hebben en dat het huwelijk in Israël is voltrokken, doen aan de toepasselijkheid van Nederlands recht niet af. Uit artikel 9 van het hiervoor genoemde Verdrag en artikel 3 van de Wet conflictenrecht huwelijksvermogensregime (oud) volgt dan dat ook de gevolgen van het huwelijksvermogensregime ten aanzien van een rechtsbetrekking tussen een echtgenoot en derden, zoals de rechtsbetrekking tussen [geïntimeerde sub 3] enerzijds en [geïntimeerde sub 1] en RAZ anderzijds, worden beheerst door Nederlands recht. 3.7. Uit de toepasselijkheid van Nederlands recht op het huwelijksvermogensregime volgt (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.