Parketnummer: 23-004987-14 Datum uitspraak: 23 december 2016 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 4 december 2014 in de strafzaak onder parketnummer 15-741209-11 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1960, adres: [adres 1] . Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep De verdachte is door rechtbank Noord-Holland vrijgesproken van hetgeen aan haar onder 2 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 8 januari 2016, 25 november 2016, 29 november 2016, 1 december 2016, 9 december 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd, voor zover thans nog aan de orde, dat: 1: zaaksdossier H-03 (in combinatie met H-06) bewerken/handel en/of aanwezig hebben verdovende middelen [adres 2] zij in of omstreeks de periode van 01 mei 2011 tot 06 oktober 2011 te Haarlem (in een schuur aan de [adres 2] behorend bij de woning [adres 2] ), in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd een of meer (grote) hoeveelheid/hoeveelheden hennep (wiet) en/of hasjiesj (hash), in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep en/of hasjiesj, zijnde hennep en hasjiesj (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; en/of zij op of omstreeks 06 oktober 2011 te Haarlem (op meerdere plaatsen in een woning aan de [adres 2] en/of in een (bijbehorende) schuur aan de [adres 2] ), in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad een (grote) hoeveelheid van ongeveer (in totaal) 17.904,81 gram hennep (wiet) en/of (in totaal) 6.181 gram hasjiesj (hash), in elk geval een of meer hoeveelheden/hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep en/of hasjiesj, zijnde hasjiesj en/of hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank. Partiële vrijspraak feit 1 De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van de verkoop van hennep sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en haar partner, [medeverdachte] , zodat het medeplegen ten aanzien van de ten laste gelegde verkoop van hennep kan worden bewezen. De raadsvrouw heeft verzocht de verdachte vrij te spreken van het onder 1 te laste gelegde voor zover dit betrekking heeft op (het medeplegen van) de verkoop van hennep. Het hof overweegt hieromtrent als volg. De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat zij heeft samengewerkt met haar partner [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) ten aanzien van de inkoop en verwerking van de hennep voor de coffeeshop van hun dochter. [medeverdachte] kocht in en verkocht het voor de inkoopprijs aan hun dochter voor de coffeeshop. De verdachte heeft hennep bewerkt en wel eens wat naar de shop gebracht. Uit de verklaringen van de verdachte bij de rechtbank en in hoger beroep volgt dat de verdachte wist dat ene ‘ [naam] ’ thuis langskwam om joints te kopen omdat de hoeveelheid die hij wilde hebben, niet kon worden verkocht in de coffeeshop. Het aantal joints was daarvoor te groot. De verdachte heeft verklaard dat [medeverdachte] die verkoop dan regelde. Niet is gebleken dat de verdachte afspraken heeft gemaakt met [naam] . Naar het oordeel van het hof blijkt uit het voorgaande niet van een dermate nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en [medeverdachte] ten aanzien van de verkoop van hennep dat de kwalificatie van medeplegen is gerechtvaardigd. Van medeplegen kan immers slechts dan worden gesproken indien de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Daarvan is naar het oordeel van het hof geen sprake. Dat de verdachte wist dat er wel eens (teveel) werd verkocht aan ene ‘ [naam] ’ is voor het bewijs van medeplegen ontoereikend. De verdachte zal derhalve ten aanzien van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 1: zij in de periode van 1 mei 2011 tot 6 oktober 2011 te Haarlem in een schuur aan de [adres 2] behorend bij de woning [adres 2] , tezamen en in vereniging met anderen, in de uitoefening van een bedrijf opzettelijk heeft bewerkt en verwerkt en afgeleverd en vervoerd grote hoeveelheden hennep (wiet) en hasjiesj (hash) en zij op 6 oktober 2011 te Haarlem op meerdere plaatsen in een woning aan de [adres 2] en in een bijbehorende schuur aan de [adres 2] , tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad een grote hoeveelheid van 17.904,81 gram hennep (wiet) en 6.181 gram hasjiesj (hash). Hetgeen onder 1 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het onder 1 bewezen verklaarde levert op: medeplegen van in de uitoefening van een bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel en medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel. Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is. Oplegging van straf De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 bewezen verklaarde veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 3 jaren, een taakstraf voor de duur van 240 dagen met aftrek van voorarrest, subsidiair 120 dagen hechtenis en tot betaling van een geldboete ter hoogte van € 10.000, subsidiair 85 dagen hechtenis. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden en tot betaling van een geldboete ter hoogte van € 20.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.