← Nederland

ECLI:NL:GHAMS:2016:5727

beschikking GERECHTSHOF AMSTERDAM AV-nummer: 000675-16 rolnummer: 23-003699-08 datum uitspraak: 16 december 2016 Beschikking gegeven op de vordering van het Openbaar Ministerie van 14 april 2016, op grond van artikel 577c, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, ingediend tegen de veroordeelde: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] [geboortedag] 1957, adres: [adres] Procesgang Dit gerechtshof heeft bij arrest van 18 februari 2011 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel aan de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling aan de staat van een bedrag van € 1.091.

  1. Deze ontnemingsmaatregel is op 4 juni 2013 onherroepelijk geworden. De advocaat-generaal heeft op 14 april 2016 een vordering ingediend die strekt tot het verlenen van verlof tot de tenuitvoerlegging van lijfsdwang, vanwege het - na uitwinning van het conservatoir beslag - nog openstaande bedrag van € 1.027.429,
  2. Het hof heeft op 2 december 2016 het verzoek in raadkamer in het openbaar behandeld. De veroordeelde is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. In raadkamer zijn gehoord mr. N.S. Levinsohn, waarneemster voor de advocaat van de veroordeelde, mr. J.P. Plasman, advocaat te Amsterdam, en de advocaat-generaal, mr. R.C. Tdlohreg. Beoordeling De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering. Het hof overweegt dat de veroordeelde niet heeft voldaan aan de bij arrest opgelegde verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Volledig verhaal op grond van de artikelen 574 tot en met 576 van het Wetboek van Strafvordering op het vermogen van de veroordeelde is niet mogelijk gebleken. De veroordeelde heeft bij de Basisregistratie Personen per 11 januari 2011 een adres opgegeven in [land]. Hij heeft niet gereageerd op aanschrijvingen van het CJIB die naar dit adres zijn verstuurd. Aldus heeft de veroordeelde niet meegewerkt aan of inzicht gegeven in de mogelijkheden voor de incasso van de opgelegde ontnemingsmaatregel. Gelet op hetgeen de raadsvrouw in raadkamer heeft aangevoerd is niet aannemelijk dat de veroordeelde buiten staat is aan de betalingsverplichting te voldoen en ook overigens acht het hof dit thans niet aannemelijk. Dit leidt tot de slotsom dat de vordering van de advocaat-generaal voor toewijzing vatbaar is. Bij de beoordeling van de vordering en het bepalen van de duur van de lijfsdwang houdt het hof rekening met het verhaal dat reeds ingevolge de artikelen 574 tot en met 576 door het Openbaar Ministerie is genomen. Het hof zal, gelet op het vorenstaande, op vordering van het Openbaar Ministerie verlof verlenen tot de tenuitvoerlegging van lijfsdwang van 1.080 dagen. Beslissing Het hof: Verleent verlof tot de tenuitvoerlegging van lijfsdwang. Bepaalt de duur van de lijfsdwang op 1.080 (duizend en tachtig) dagen. Dit arrest is gewezen door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.C. Römer, mr. W.M.C. Tilleman en mr. D.J.M.W. Paridaens, in tegenwoordigheid van mr. S.W.M. Stevens, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van dit gerechtshof van 16 december
  3. De voorzitter en de jongste raadsheer zijn buiten staat deze beschikking te ondertekenen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.