GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.164.211/01 zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/546861 / HA ZA 13-812 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 1 maart 2016 inzake PARALLEL GROEP B.V., gevestigd te Utrecht, appellante, advocaat: mr. E.M. van Zelm te De Bilt, tegen STICHTING TOT INSTANDHOUDING VAN DE DIERGAARDE VAN HET KONINKLIJK ZOÖLOGISCH GENOOTSCHAP NATURA ARTIS MAGISTRA, gevestigd te Amsterdam, geïntimeerde, advocaat: mr. B.T. Craemer te Amsterdam. 1Het geding in hoger beroep Partijen worden hierna Parallel Groep en Artis genoemd. Parallel Groep is bij dagvaarding van 12 januari 2015 in hoger beroep gekomen van de vonnissen van de rechtbank Amsterdam van 23 april 2014 en 3 december 2014, onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen Parallel Groep als eiseres en Artis als gedaagde. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van grieven tevens akte aanvulling grondslag eis, met producties; - memorie van antwoord, met producties. Partijen hebben hun zaak ter zitting van het hof van 9 oktober 2015 doen bepleiten, Parallel Groep door mr. Van Zelm voornoemd en Artis door mr. Craemer voornoemd en mr. D.C.A. van den Dungen, advocaat te Amsterdam, ieder aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnotities. Ten slotte is arrest gevraagd. Parallel Groep heeft geconcludeerd dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen en haar vordering - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog zal toewijzen, met veroordeling van Artis in de proceskosten van het geding in beide instanties, met nakosten en rente. Artis heeft geconcludeerd dat het hof de bestreden vonnissen zal bekrachtigen, met veroordeling van Parallel Groep in de kosten van het geding in hoger beroep. Artis heeft in hoger beroep bewijs van haar stellingen aangeboden. 2Feiten De rechtbank heeft in het bestreden vonnis van 23 april 2014, onder 2, 2.1 tot en met 2.9, de feiten opgesomd die tussen partijen vaststaan. Deze opsomming van de feiten is in hoger beroep niet in geschil en bindt derhalve ook het hof. Deze opsomming wordt hierna aangevuld met overige gestelde en niet (voldoende) betwiste feiten. 3Beoordeling 3.1 Het gaat in deze zaak om het volgende. 3.1.1 In 2009 is tussen EnergiQ Installatietechniek B.V. (hierna: EnergiQ) en Artis een ‘Overeenkomst t.b.v. Services & Onderhoud Werktuigbouwkundig’ (hierna: de raamovereenkomst) tot stand gekomen. 3.1.2 Sinds 2009, onder meer op 27 april 2012 en 5 november 2012, heeft Artis EnergiQ door middel van een opdrachtformulier verschillende opdrachten gegeven tot het verrichten van concrete, in het opdrachtformulier nader aangeduide, elektrotechnische en werktuigbouwkundige installatiewerkzaamheden. 3.1.3 EnergiQ heeft bij ‘Pandakte bedrijfsuitrusting, voorraden, vorderingen (eerste pandrecht)’ van 29 august 2005 – voor zover nodig uitvoerbaar bij voorraad – aan ING Bank N.V. (hierna: ING) alle vorderingen verpand die voortvloeien uit ten tijde van de vestiging van het panderecht bestaande rechtsverhoudingen en zich verbonden om aan ING alle vorderingen te verpanden die zij op derden heeft of zal hebben. Bij pandakte van 20 oktober 2008, 13 februari 2009 en 17 juni 2010 is dat pandrecht bevestigd. 3.1.4 Bij verpandingsakten, geregistreerd op respectievelijk 25 februari 2013 en 14 maart 2013, heeft EnergiQ haar vorderingen op Artis aan ING verpand. 3.1.5 ING heeft krediet verstrekt aan EnergiQ en aan andere tot de EnergiQ Groep behorende vennootschappen (hierna gezamenlijk genoemd: EnergiQ Groep), uit hoofde waarvan zij een vordering op EnergiQ Groep heeft (hierna ook: de Vordering) 3.1.6 Bij ‘Overeenkomst van koop en verkoop tevens akte tot cessie van vorderingen’ van 15 maart 2013 heeft ING de Vordering op EnergiQ Groep overgedragen aan Parallel Groep. De aan de Vordering verbonden nevenrechten, waaronder de door EnergiQ aan ING verstrekte pandrechten op de vorderingen van EnergiQ op Artis, zijn met de Vordering mee overgegaan naar Parallel Groep. 3.1.7 Als zekerheid voor de terugbetaling van door Parallel Groep in 2011 en 2012 aan EnergiQ verstrekte leningen heeft EnergiQ een tweede pandrecht op haar vorderingen op debiteuren, waaronder Artis, aan Parallel Groep verleend. Bij verpandingsakten, geregistreerd op 25 maart 2013 en 28 maart 2014, heeft EnergiQ haar vordering op Artis aan Parallel Groep verpand. 3.1.8 Bij brieven van 15 en 18 maart 2013 is Artis geïnformeerd over hetgeen onder 3.1.6 en 3.1.7 is vermeld. 3.1.9 Op 26 maart 2013 is EnergiQ in staat van faillissement verklaard. 3.2 Parallel Groep vordert in onderhavige procedure - samengevat - veroordeling van Artis tot betaling van € 66.941,21, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente en proceskosten, met nakosten. Parallel Groep grondt haar vordering op haar pandrecht op vorderingen die EnergiQ heeft op Artis uit hoofde van openstaande facturen over de periode van 30 november 2012 tot en met 18 maart 2013 . De rechtbank heeft de vordering van Parallel Groep afgewezen omdat, kort gezegd, het stil pandrecht van ING en Parallel Groep op de vorderingen van EnergiQ op Artis niet rechtsgeldig is gevestigd. Parallel Groep komt tegen de afwijzing van haar vordering met drie grieven op. 3.3 De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Met de grieven voert Parallel Groep onder meer aan dat uit de bij memorie van grieven in het geding gebrachte geregistreerde verpandingsakten blijkt dat de vorderingen van EnergiQ op Artis rechtsgeldig aan ING en Parallel Groep zijn verpand. Parallel Groep merkt daarbij op dat naar haar mening de datum van registratie gelijk gesteld moet worden aan de datum van ontvangstbevestiging door de Belastingdienst. Dienaangaande geldt het volgende. 3.4 Voor de datum van registratie van de akte is niet bepalend de datum waarop deze door de Belastingdienst wordt geregistreerd, maar de datum waarop de akte ter registratie is aangeboden (zie Hoge Raad 14 oktober 1994; ECLI:NL:HR:1994ZC1488 en 19 november 2004; ECLI:NL:HR:2004:AQ3055). De onder 3.1.4 genoemde verpandingsakten van ING zijn op 25 februari en 14 maart 2013 geregistreerd, derhalve vóór 15 maart 2013, de datum waarop de Vordering van ING op de EnergiQ Groep is overgegaan op Parallel Groep, zodat in het midden kan blijven op welke datum de verpandingsakten ter registratie zijn aangeboden. Het pandrecht van ING op die vorderingen is als nevenrecht met de Vordering mee overgegaan op Parallel Groep (artikel 6:142 lid 1 BW). De onder 3.1.7 genoemde verpandingsakten van Parallel Groep zijn blijkens het stempel van de Belastingdienst op de aanbiedingsbrieven op 18 maart respectievelijk 25 maart 2013 ter registratie aangeboden, derhalve vóór 26 maart 2013, de datum waarop EnergiQ failliet is verklaard. Zowel op de verpandingsakte van ING die op 14 maart 2013 is geregistreerd (productie 3, blad 4 en 5) als op die van Parallel Groep (productie 4, blad 4 en productie 5, blad 4 en 5) worden de vorderingen van EnergiQ op Artis vermeld. Dat betekent dat anders dan de rechtbank in het vonnis van 3 december 2016 heeft geoordeeld, het stil pandrecht van ING en Parallel Groep op de vorderingen van EnergiQ op Artis rechtsgeldig is gevestigd. De onder 3.1.8 genoemde brieven van Parallel Groep aan Artis en de dagvaarding in eerste aanleg zijn, anders dan Artis, meent, zowel afzonderlijk als tezamen, te beschouwen als een mededeling als bedoeld in art. 3:239 lid 3 BW. Gezien het voorgaande behoeven de grieven voor het overige geen verdere behandeling. 3.5 Gelet op de devolutieve werking van het hoger beroep komt het hof toe aan de overige verweren die Artis in eerste aanleg heeft gevoerd. 3.6 Artis heeft als verweer gevoerd dat het in artikel 18 van de Algemene Voorwaarden opgenomen cessieverbod goederenrechtelijke werking heeft, zodat een rechtsgeldige overdracht en daarmee verpanding van de vorderingen niet mogelijk was. Parallel Groep is derhalve geen pandhoudster (noch via ING noch rechtstreeks) van de vorderingen van EnergiQ op Artis. 3.7 Artikel 18 van de Algemene Voorwaarden luidt, voor zover van belang, als volgt: “ 18 Overdraagbaarheid De wederpartij mag haar rechten of verplichtingen voortvloeiende uit de Overeenkomst slechts overdragen na schriftelijke toestemming van Opdrachtgever.” Blijkens het arrest van de Hoge Raad van 21 maart 2014 (ECLI:NL:HR:2014:682) moet bij de uitleg van een beding als artikel 18 als uitgangspunt worden aangenomen dat dergelijke bedingen uitsluitend verbintenisrechtelijke werking hebben, tenzij - naar objectieve maatstaven, met inachtneming van de Haviltexmaatstaf - uit de formulering van het beding blijkt dat daarmee goederenrechtelijke werking als bedoeld in artikel 3:83 lid 2 BW is beoogd. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat Artis haar stelling dat aan artikel 18 goederenrechtelijke werking toekomt in het licht van de door de Hoge Raad geformuleerde uitlegregel onvoldoende heeft toegelicht. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat in de tekst noch expliciet, noch door de gebruikte bewoordingen wordt gerefereerd aan artikel 3:83 lid 2 BW. Ook in het gebruik van het woord ‘mag’ (in plaats van ‘kan’) ligt besloten dat verbintenisrechtelijke werking is beoogd. Dat betekent dat niet is komen vast te staan dat artikel 18 van de Algemene Voorwaarden goederenrechtelijke werking heeft en derhalve niet in de weg staat aan een rechtsgeldige verpanding van de vorderingen op Artis. 3.8 Voorts heeft Artis aangevoerd dat EnergiQ de werkzaamheden niet conform de overeenkomst heeft uitgevoerd en voltooid, zodat van een vordering geen sprake is. Artis wijst daarbij op de laatste alinea van artikel 7 van de raamovereenkomst waarin is opgenomen: “Betaling zal plaatsvinden binnen dertig
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.