GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerken 14/00427 en 14/00428 18 februari 2016 uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [X] te [Z] , belanghebbende, gemachtigde: mr. H.A.J. Kalsbeek (Kalsbeek Hoogveld Advocaten te Maastricht) tegen de uitspraak in de zaken met kenmerken AWB 13/3439 en AWB 13/3477 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) van 15 mei 2014 in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van de gemeente Bloemendaal , heffingsambtenaar sub 1 en de heffingsambtenaar van de gemeente Zandvoort , heffingsambtenaar sub 2, hierna gezamenlijk (ook) aangeduid als: de heffingsambtenaar. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. De heffingsambtenaar sub 1 heeft bij beschikking krachtens artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) met dagtekening 28 februari 2013 de waarde per de waardepeildatum 1 januari 2012 van de onroerende zaak [a-straat 1] te [Z] (hierna: het hoofdperceel) voor het jaar 2013 vastgesteld op € 1.809.000. 1.2. De heffingsambtenaar sub 2 heeft bij beschikking krachtens artikel 22 van Wet WOZ met dagtekening 28 februari 2013 de waarde per de waardepeildatum 1 januari 2012 van de onroerende zaak [a-straat 2] te [B] (hierna: het deelperceel) voor het jaar 2013 vastgesteld op € 311.000. 1.3. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar sub 1 bij uitspraak, gedagtekend 24 juni 2013, de bij beschikking vastgestelde waarde van het hoofdperceel gehandhaafd. 1.4. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar sub 2 bij uitspraak, gedagtekend 27 juni 2013, de bij beschikking vastgestelde waarde van het deelperceel verminderd tot € 292.000. 1.5. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij uitspraak van 15 mei 2014 heeft de rechtbank de door belanghebbende ingestelde beroepen ongegrond verklaard. 1.6. Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 1 september 2014. De heffingsambtenaren sub 1 en sub 2 hebben gezamenlijk een verweerschrift ingediend. 1.7. Bij brief van 29 december 2015 heeft belanghebbende een nader stuk ingediend, waarvan een kopie is doorgezonden aan de heffingsambtenaar. 1.8. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2016. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden. 2Tussen partijen vaststaande feiten 2.1. De rechtbank heeft in haar uitspraak de navolgende feiten vastgesteld. Belanghebbende wordt daarin (evenals in de later in deze uitspraak geciteerde overwegingen van de rechtbank) aangeduid als ‘eiser’, de heffingsambtenaren sub 1 en sub 2 als ‘verweerders’. “Eiser is eigenaar van een stuk grond met daarop een vrijstaande woning met garage en tuinhuis. De inhoud van de woning is ongeveer 1.406 m³ en de oppervlakte van het perceel is 3.800 m². In het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, van 8 januari 2013 is – voor zover van belang – opgenomen dat bij de bepaling van de WOZ-waarde wordt uitgegaan van de volgende verdeling van de grond over de twee gemeenten: een deel van de grond (806 m2) wordt toegerekend aan de gemeente [C] . De rest van de grond (2.994 m2) met daarop de woning met garage en tuinhuis, wordt toegerekend aan de gemeente [D] .” 2.2. Nu tegen de feitenvaststelling door de rechtbank, als hiervoor vermeld, door partijen geen bezwaren zijn ingebracht, gaat ook het Hof van die feiten uit. Voorts voegt het Hof daaraan de volgende feiten toe. 2.3. De woning is gebouwd in 1978. Tot de bij de brief van 29 december 2015 door belanghebbende overgelegde stukken behoren foto’s waaruit blijkt dat de woning slechts te bereiken is via een lange, smalle oprijlaan. 2.4. Tot de bijlagen bij het verweerschrift in eerste aanleg van de heffingsambtenaar sub 1 behoort een taxatierapport dat is opgemaakt door WOZ-taxateur M. Kemp waarin de waarde van het hoofdperceel is getaxeerd op € 1.921.000. Ter onderbouwing van die waarde zijn in dat taxatierapport drie vergelijkingsobjecten aangedragen, te weten [c-straat] en [e-straat] , gelegen in de woonkern [D] , en [b-straat 1] , gelegen in de woonkern [Z] . In het taxatierapport is gebruik gemaakt van een grondstaffel die als volgt is opgebouwd: Prijs Knikpunt € 1.187 750 m² € 228 2.000 m² € 114 7.500 m² € 95 12.000 m² € 47 overige grond Blijkens de ‘Bijlage waardeopbouw’ – hierna ook wel aangeduid als ‘de matrix’ – is de getaxeerde waarde van het hoofdperceel opgebouwd uit de volgende onderdelen: Woning € 797.665 Garage 34.450 Tuinhuis 2.000 Grond 1.087.649 2.5. Tot de bijlagen bij het verweerschrift in eerste aanleg van de heffingsambtenaar sub 2 behoort een taxatierapport dat eveneens is opgemaakt door M. Kemp . Hierin is de waarde van het deelperceel getaxeerd op € 292.000. Voor deze taxatie is van dezelfde grondstaffel uitgegaan als in het taxatierapport betreffende het hoofdperceel. Blijkens de toelichting in de ‘Bijlage waardeopbouw’ is de grond bij de woning, totaal 3.800 m2, met toepassing van deze grondstaffel getaxeerd op € 1.380.450 waarvan een evenredig gedeelte (806/3800) is toegerekend aan het deelperceel, hetgeen uitkomt op een waarde van (afgerond) € 292.000. 2.6. In hoger beroep heeft belanghebbende een taxatierapport overgelegd dat is opgemaakt door register makelaar-taxateur onroerende zaken J. Pleijsier-Mulder. In dit taxatierapport wordt de opstalwaarde getaxeerd op € 650.000 en de grondwaarde (van het totale perceel) op € 1.200.000. Hierbij heeft de taxateur het volgende opgemerkt: “De meters van de oprijlaan worden niet meegerekend, deze hebben nagenoeg geen waarde.” Voorts is in dit rapport opgemerkt dat van de grond die in de gemeente [D] ligt, ongeveer 10% in beslag wordt genomen door de oprijlaan. 2.7. Ter zitting is namens de heffingsambtenaar onder meer het volgende verklaard: “We hebben het over een woning die aan de rand van de woonkern [Z] ligt. Op basis van die ligging is de woning gewaardeerd. Dat waarderen is gebeurd aan de hand van een aantal vergelijkingsobjecten. De meest vergelijkbare objecten zij echter niet in de nabijheid van deze woning gelegen. Er zijn geen betere vergelijkingsobjecten te vinden dan de panden die wij hebben opgevoerd. Het is niet per definitie zo dat de woonkern [D] nu eenmaal duurder is dan de woonkern [Z] . Ik denk dat zelfs het omgekeerde het geval is. De vergelijkingsobjecten die belanghebbende heeft opgevoerd heb ik bij de rechtbank al uitvoerig besproken. Om diverse redenen voldoen die niet aan het vergelijkbaarheidscriterium, bijvoorbeeld door het bouwjaar en/of de bouwstijl. In dit geval dus niet zozeer door de ligging. Ik verwijs naar mijn eerdere bespreking van deze panden. (…) U houdt mij voor dat wij het pand aan de [b-straat 1] , met bouwjaar 1979, hebben opgevoerd, terwijl wij vinden dat het door belanghebbende opgevoerde pand aan de [b-straat 2] , met bouwjaar 1978, niet geschikt is als vergelijkingspand wegens het bouwjaar. Dit heeft te maken met de slechte staat waarin het pand aan de [b-straat 2] verkeert. Hierdoor en door het andere bouwjaar is dit pand niet vergelijkbaar met de onderhavige woning. Dit geldt ook voor het pand aan de [d-straat] . Het pand aan de [f-straat] is ook behandeld in ons verweerschrift. Het pand aan de [g-straat] is ook niet vergelijkbaar met de onderhavige woning. Dat pand heeft als bouwjaar 1920. De grondstaffel van de gemeente [D] zou voor het gehele object gelden. Dat is in de uitspraak van de rechtbank over het jaar 2006 opgenomen. Daar heeft de gemeente zich aan gehouden en dit gold ook als uitgangspunt bij het compromis over het jaar 2012. Bij de uitwerking van dit compromis is echter een vergissing gemaakt. Bij de toerekening van de grondwaarde aan de beide gemeenten is niet uitgegaan van de totale grondwaarde, maar van de grondwaarde van het [D] gedeelte. U vraagt mij of de grondstaffel onverkort geldt in de deelgemeenten [D] , [B] en [Z] . De grondstaffel geldt voor de deelgemeenten [D] en [Z] , maar niet voor de deelgemeente [B] . Daar geldt een lagere grondprijs. U vraagt mij in welke orde van grootte zich dat beweegt. Dat kan ik lastig zeggen, maar aanzienlijk lager in ieder geval. In de deelgemeenten [D] en [Z] geldt dus dezelfde grondstaffel, waarop echter correcties mogelijk zijn, wat hier ook gebeurd is. Dit kunt u zien op de matrix, tevens een bijlage bij het verweerschrift in eerste aanleg. Voor ligging 4 is van een 20% hogere grondwaarde uitgegaan. Dit is het geval bij het pand aan de [c-straat] . Bij het pand aan de [e-straat] , dat ligging 5 heeft, is van een 40% hogere grondwaarde uitgegaan. U vraagt mij naar het argument van belanghebbende dat als je de grondstaffel toepast op het object [d-straat] , er een absurd lage opstalwaarde uitrolt. Het pand aan de [d-straat] is minder goed gelegen, want ligt aan een doorgaande weg. Als dit pand zou worden gebruikt voor een matrixberekening, zou dus een correctie moeten worden toepast voor de ligging van dit pand. U vraagt mij naar de totstandkoming van en bewijsmiddelen voor de grondstaffel. Op het overzicht dat als bijlage 6 bij het verweerschrift in eerste aanleg bij zaak nr. 14/00427 is gevoegd, ziet u dat de opstalwaarde wordt berekend door van de transactiesom de grondwaarde met toepassing van de staffel af te trekken. Op het overzicht staan panden die zijn gesloopt. Je mag er dus van uitgaan dat het de koper te doen was om de grond. De grondstaffel wordt voortdurend getoetst aan dit soort transacties, en eventueel aangepast. U vraagt mij hoe frequent dergelijke transacties zich voordoen. Er zijn weinig kavels die los verkocht worden in dit gebied, daargelaten de uitgifte van percelen op nieuwe bouwlocaties zoals [nieuwbouwlocatie H] en [nieuwbouwlocatie P] , wat wij niet geschikt achten om mee te vergelijken. U wijst op het feit dat er in bijlage 6 zeer uiteenlopende opstalwaarden uit de bus komen. Ik wijs u erop dat erin ieder geval geen sprake is van een negatieve opstalwaarde. U houdt mij voor dat er in ons waarderingsmodel geen rekening wordt gehouden met het feit dat de grond van de oprijlaan maar een zeer beperkt nut lijkt te hebben. Ik vind dat de oprijlaan wel degelijk nut heeft. Hij zorgt ervoor dat het object juist veilig gelegen is. De oprijlaan zorgt voorts voor privacy en een meer beschutte ligging. Door de lengte van de oprijlaan is er geen overlast van de omliggende wegen. Dit levert een meerwaarde op voor het perceel, die opweegt tegen de lagere waarde van de vierkante meters van de oprijlaan zelf.” 2.8. Namens belanghebbende is ter zitting onder meer het volgende verklaard: “De waarde wordt door de heffingsambtenaar gebaseerd op vergelijkingsobjecten die niet vergelijkbaar zijn. U vraagt mij of het Hof uit mijn waardeanalyse van [b-straat 2] terecht opmaakt dat ik het standpunt inneem dat de waarde op basis van de grondstaffel naar mijn mening niet klopt. Die waarde klopt inderdaad niet. Daarnaast is er nog het punt van de oprijlaan en het feit dat het perceel deels is gelegen in de gemeente [C] , woonkern [B] , waar de grondprijzen lager zijn. De WOZ-waarden van de belendende percelen komen dan ook aanzienlijk lager uit dan de waarde van het perceel van belanghebbende.” 3Geschil in hoger beroep In hoger beroep is evenals in eerste aanleg in geschil of de waarden van de woning en het perceel te hoog zijn vastgesteld. 4Beoordeling van het geschil 4.1. De rechtbank heeft omtrent het geschil als volgt overwogen: “4. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ, wordt de waarde van een onroerende zaak bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij heeft als waarde te gelden de waarde in het economische verkeer. Dat is de prijs die bij aanbieding ten verkoop op de voor die onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn betaald. Op verweerders rust de last aannemelijk te maken dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. 5. Eiser heeft primair aangevoerd dat de aan de woning en het perceel toegekende waardes niet in een juiste verhouding staat tot de waardes die voor het vorige tijdvak aan de woning en het perceel zijn toegekend. De rechtbank overweegt als volgt. Doel en strekking van de Wet WOZ brengen mee dat de waarde van een onroerende zaak voor elk tijdvak opnieuw wordt bepaald. Voor de beoordeling van de juistheid van de voor het onderhavige tijdvak vastgestelde waarde is daarom slechts van belang of de aan de woning toegekende waarde in overeenstemming is met het wettelijk waardebegrip, zoals onder 4 weergegeven. Aan de verhouding tussen voor twee opvolgende tijdvakken vastgestelde waarden komt in dat kader geen zelfstandige betekenis toe. Bovendien – hoewel het bij de waardebepaling voor 2013 gelet op het bovenstaande niet van belang is – wijst de rechtbank nog op het volgende. Zoals verweerder heeft gesteld, is hij er bij het over het jaar 2012 gesloten compromis ten onrechte van uitgegaan dat de waarde die aan de grond zou worden toegekend, slechts zag op het deel van de grond gelegen in [Z] , terwijl het bedrag zag op het ongedeelde stuk grond. De overeengekomen waarde was dus te laag, aldus verweerder. De rechtbank ziet geen aanleiding aan deze verklaring van verweerder te twijfelen. Gelet op het voorgaande faalt deze beroepsgrond van eiser derhalve. 6. Met het hiervoor vermelde taxatierapport hebben verweerders aan de op h[un] rustende bewijslast voldaan. 7. De in het taxatierapport van de woning genoemde vergelijkingsobjecten zijn kort vóór of na – en in ieder geval binnen een jaar vóór of na – de waardepeildatum verkocht en wat type, ligging en omvang betreft voldoende vergelijkbaar met de woning. De verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten kunnen dan ook dienen ter onderbouwing van de waarde van de woning. Het is vaste jurisprudentie dat verkopen binnen één jaar voor of na de waardepeildatum kunnen worden gebruikt bij de vaststelling van de waarde van een pand en de daarbij behorende grond. De rechtbank ziet in de onderhavige zaak geen reden om van dat uitgangspunt af te wijken. 8. Weliswaar vertonen de vergelijkingsobjecten verschillen met de woning, maar verweerder 1 heeft aannemelijk gemaakt dat met deze verschillen, met name de ligging, voldoende rekening is gehouden. 9. Eiser stelt dat de ligging van de twee door verweerder gehanteerde in [D] gelegen objecten beter is dan de ligging van de woning en het perceel. Verweerder heeft volgens eiser onvoldoende rekening gehouden met het waardedrukkend effect dat daarvan uitgaat. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met deze omstandigheid voldoende rekening heeft gehouden bij de waardevaststelling van de woning en het perceel. Verweerder heeft de ligging van de woning en het perceel geklassificeerd als 3 (voldoende) terwijl aan de ligging van de twee in [D] gelegen objecten een 4 (goed) en een 5 (uitstekend) is toegekend. Dit betekent dat aan de grond bij deze objecten een 20% respectievelijk 40% hogere waarde per m2 is toegekend dan aan de grond bij de woning en het perceel. Voorts heeft verweerder de waarde van de grond behorende bij de woning en het perceel vastgesteld aan de hand van een grondstaffel. De opbouw van die grondstaffel heeft verweerder onderbouwd door te verwijzen naar verkoopgegevens van grond gelegen in hetzelfde gebied waar de woning en het perceel zijn gelegen. De rechtbank is daarom van oordeel dat voldoende rekening is gehouden met het verschil in ligging. Gelet daarop kan ook niet worden gezegd dat de aan de woning en het perceel toegekende waardes in een onjuiste verhouding staan tot de verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten. 10. Voorts leidt het feit dat het perceel is gelegen in [B] niet tot de door eiser verdedigde conclusie dat het perceel niet met dezelfde grondstaffel kan worden gewaardeerd als de grond bij de woning. De rechtbank volgt verweerder 2 in zijn stelling dat voor het perceel dezelfde grondstaffel als voor de woning dient te worden gehanteerd en acht daarvoor redengevend dat de grond bij de woning en het perceel tezamen één onverdeeld stuk grond vormen met een adres in [Z] en dat verreweg het grootste deel van de grond is gelegen in [Z] . Het is niet aannemelijk dat het feit dat slechts een (beperkt) deel van de grond (ruim 20%) is gelegen in [B] , invloed heeft op de waarde van dat perceel. Bovendien heeft verweerder 2 op grond van een eerder gemaakte afspraak het perceel mogen waarderen zoals hij heeft gedaan. 11. In de door eiser naar voren gebrachte verkoopgegevens van objecten wordt geen inzicht verschaft in de verschillen van die objecten ten opzichte van de woning en het perceel en de invloed daarvan op de waarde van de woning en het perceel. Gelet hierop geven deze verkoopgegevens minder aanknopingspunten bij het vaststellen van de waarde van de woning en het perceel dan de door verweerders overgelegde verkoopgegevens en (onderbouwing van) de grondstaffel waarin wel inzicht wordt geboden in de verschillen en de invloed daarvan op de waarde van de woning en het perceel. Eiser heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat de woning en het perceel te hoog zijn gewaardeerd. 12. Eiser heeft nog gewezen op de gronduitgifteprijzen die verweerder toepast bij de nieuwbouwprojecten [nieuwbouwlocatie P] en [nieuwbouwlocatie H] . De rechtbank is van oordeel dat deze gronduitgifteprijzen buiten beschouwing kunnen worden gelaten omdat in die gevallen sprake is van wijken met een andere uitstraling dan de wijk waarin de woning is gelegen, en die wijken worden ontwikkeld in het kader van een nieuwbouwproject waar woningen, in vergelijking met de wijk waarin de woning staat, zeer dicht op elkaar worden gebouwd. Daar komt bij dat de percelen grond die worden uitgegeven in die projecten aanmerkelijk kleiner zijn dan de percelen grond in de wijken waarin de woning en de vergelijkingsobjecten zijn gelegen. 13. Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat de waarde van de woning en het perceel alsmede de daarop gebaseerde aanslagen niet te hoog zijn vastgesteld en dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.” 4.2.1. De onroerende zaak is in twee gemeenten gelegen, waardoor op formele gronden twee heffingsobjecten (het hoofdperceel en het deelperceel) moeten worden onderscheiden. Gelet op het economisch georiënteerde waardebegrip in de Wet WOZ zal het Hof bij zijn beoordeling in eerste instantie uitgaan van de (taxatie)waarde(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.