GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.111.255/01 zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : 393852/HA ZA 08-909 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 19 januari 2016 inzake 1 [appellante sub 1] , wonend te [woonplaats] , gemeente [gemeente] , 2. [appellante sub 2] , laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats] , 3. [appellant sub 3] , wonend te [woonplaats] , gemeente [gemeente] , 4. [appellante sub 4] , wonend te [woonplaats] , gemeente [gemeente] , 5. [appellant sub 5] , wonend te [woonplaats] , appellanten, advocaat: mr. V.M.A. Vos te Haarlem, tegen 1 [geïntimeerde sub 1] , 2. [geïntimeerde sub 2] , beiden wonend te [woonplaats] , gemeente [gemeente] , geïntimeerden, advocaat: mr. R.F. Ronday te Mijdrecht. 1Verder verloop van het geding in hoger beroep Partijen worden hierna [appellanten] en [geïntimeerden] genoemd. Het hof heeft op 25 augustus 2015 een tussenarrest uitgesproken (verder ook: het tussenarrest). Voor het verloop van het geding in hoger beroep tot dan toe wordt naar dat arrest verwezen. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - akte aan de zijde van [geïntimeerden] , met een productie; - antwoordakte aan de zijde van [appellanten] Ten slotte is wederom arrest gevraagd. 2Verdere beoordeling 2.1. In het tussenarrest heeft het hof - onder verwerping in zoverre van de grieven I tot en met VIII - geoordeeld, kort samengevat en voor zover thans van belang, dat [appellanten] ten aanzien van de tussen partijen gesloten koopovereenkomst met betrekking tot de onroerende zaak aan de [straat] [huisnummer 1] en [huisnummer 2] te [woonplaats] (verder ook: de woning) jegens [geïntimeerden] toerekenbaar zijn tekortgeschoten door hun die zaak te leveren, terwijl deze als gevolg van de aanwezigheid van asbest niet geschikt was voor een normaal gebruik als woning. In verband met een (in overweging 3.2.5 van het tussenarrest) gesignaleerde onduidelijkheid in het te dezen door AA & C Nederland B.V. (verder AA & C) opgestelde onderzoeksrapport van 6 december 2005 (verder: het asbestrapport), van belang in verband met (de omvang van) de schade, heeft het hof de zaak - onder aanhouding van grief I in zoverre - naar de rol verwezen. De behandeling van de grieven IX tot en met XIV (en grief VII voor zover nog niet besproken), die alle op de schade betrekking hebben, is aangehouden. 2.2. Thans zal het hof overgaan tot de verdere bespreking van grief I. 2.2.1. Overweging 3.2.5 van het tussenarrest luidt als volgt: “Het feit dat de [in het asbestrapport] als “V01” en “V02” aangeduide plaatsen (plaatmateriaal huisnummers [huisnummer 1] en [huisnummer 2] , begane grond en eerste verdieping tegen de wand en het plafond door de gehele woning respectievelijk plaatmateriaal huisnummer [huisnummer 2] , zolder, rondom rookgasafvoerkanaal) niet zijn bemonsterd leidt, anders dan [appellanten] betogen, niet zonder meer tot de conclusie dat de aanwezigheid van asbest op die plaatsen niet is vastgesteld. Het asbestrapport vermeldt immers onder 3 (pagina 8 bovenaan) dat het hier visuele waarnemingen betreft die niet zijn bemonsterd omdat dit ongewenste beschadigingen zou opleveren of omdat het zeker is dat het verdachte materiaal daadwerkelijk asbest bevat. Uit het feit dat deze plaatsen in het vervolgens onder 4 opgenomen overzicht als asbestbronnen worden aangemerkt, leidt het hof af, mede gezien de samenvatting onder I.6, dat AA & C van oordeel is dat zeker is dat deze plaatsen daadwerkelijk asbest bevatten. De vraag rijst dan echter wel waarom AA & C ook het voorkómen van ongewenste beschadigingen als reden voor deze niet-bemonstering heeft vermeld. Omdat [appellanten] bovendien onweersproken hebben gesteld dat de wanden waren bepleisterd en dat niet door pleisterwerk kan worden heen gekeken, is naar het oordeel van het hof voorshands onvoldoende duidelijk op welke grond AA & C tot de conclusie is gekomen dat (kennelijk) al het plaatmateriaal tegen de wanden en de plafonds op de begane grond en op de eerste verdieping asbest bevat. Het hof zal de zaak naar de rol verwijzen om [geïntimeerden] in de gelegenheid te stellen bij akte een verklaring of nader rapport van AA & C in het geding te brengen waarin de benodigde duidelijkheid op dit punt wordt verschaft. [appellanten] zullen hierop vervolgens mogen reageren.” 2.2.2. Bij hun vervolgens genomen akte hebben [geïntimeerden] een brief van AA & C van 28 september 2015 overgelegd - en daarnaar instemmend verwezen - die, voor zover van belang, als volgt luidt: “Monsterneming vindt plaats op asbestverdachte materialen. Deze dient represen-tatief te zijn, doch niet meer dan door de onderzoeker noodzakelijk wordt geacht. In dit geval dus het plaatmateriaal, dat aan bepaalde visuele kenmerken voldoet alsmede de toepassing van het materiaal in de woning. Als blijkt dat op andere plaatsen in de woning soortgelijk materiaal wordt aangetroffen spreekt men dus van een visuele waarneming. Deze methode voldoet en is voldoende ter vaststelling. Ten aanzien van de opmerking dat het materiaal achter pleisterwerk is verwerkt merken wij op dat in dit geval de visuele waarneming plaats heeft gevonden op plaatsen waar wandcontactdozen open lagen of waar het pleisterwerk niet meer aanwezig was. Hierdoor is het voor een ervaren asbestonderzoeker vrij eenvoudig om soortgelijk materiaal te kunnen waarnemen. De analyse door het laboratorium bevestigt uiteindelijk of het materiaal daadwerkelijk asbest bevat of niet. Dus in dit geval ook van de visuele waarnemingen. Ten aanzien van de opmerking “omdat dit ongewenste beschadigingen zou opleveren” kunnen wij mededelen dat het van belang is om zo min mogelijk asbestverdachte materialen te beroeren ter voorkoming van mogelijke secundaire vervuilingen. Dit wordt bedoeld met ongewenste beschadigingen. Het is dus een logisch gevolg van de monsterneming waarbij beschadiging optreedt die zoveel mogelijk moet worden voorkomen. Vandaar deze opmerking in de tekst.” 2.2.3. Tot goed begrip wordt allereerst opgemerkt dat het hof in de eerste volzin van overweging 3.2.5 in de omschrijving van de als “V01” en “V02” gecodeerde plaatsen heeft vermeld dat het hier (onder meer) gaat om het plafond door de gehele woning en het rookgasafvoerkanaal. Voor zover de latere omschrijving in die overweging daarvan afwijkt is sprake van een vergissing. 2.2.4. Het hof begrijpt de zojuist geciteerde brief van AA & C (verder: de brief) aldus dat volgens AA & C (ook) ten aanzien van visuele waarnemingen die niet zijn bemonsterd (omdat dit ongewenste beschadigingen zou opleveren) zeker is dat het verdachte materiaal daadwerkelijk asbest bevatte. De strekking van de brief is immers dat buiten twijfel is dat de als “V01” en “V02” gecodeerde plaatsen asbest bevatten. De brief heeft, voorts, de benodigde opheldering verschaft met betrekking tot de in overweging 3.2.5 van het tussenarrest gesignaleerde onduidelijkheid. De enkele omstandigheden dat in het asbestrapport (en in de eerdere stellingen van [geïntimeerden] ) geen gewag is gemaakt van plaatsen waar wandcontactdozen open lagen of waar het pleisterwerk niet meer aanwezig was en dat geen foto’s van dergelijke plaatsen bij het rapport zijn gevoegd, impliceert niet dat deze plaatsen er in feite niet waren. Het hof heeft geen aanleiding om op dit punt aan de juistheid van de brief te twijfelen. Met hun stelling dat AA & C achter wandcontactdozen of pleisterwerk geen soortgelijk plaatmateriaal als in de meterkast (monster “ML02”) kan hebben aangetroffen miskennen [appellanten] , wat er van deze stelling feitelijk zij, dat AA & C ook andere monsters van plaatmateriaal heeft genomen (de monsters “ML01” en “ML03”) en dat ook deze monsters asbest bleken te bevatten. Kennelijk (en terecht) beschouwt AA & C ook die monsters als “in de woning” aangetroffen. Dat zich achter wandcontactdozen geen plaatmateriaal bevindt maar holle ruimten, zoals [appellanten] aanvoeren, impliceert niet dat het rond de openliggende wandcontactdozen aangebrachte plaatmateriaal niet zichtbaar zou zijn. 2.2.5. De slotsom is dat de rechtbank ook ten aanzien van de hoeveelheid aangetroffen asbest heeft mogen uitgaan van de juistheid van het asbestrapport en dat grief I ook in zoverre faalt. 2.3.1. Grief IX is gericht tegen overweging 2.10 van het tussenvonnis van 22 juli 2009 en overweging 2.2 van het tussenvonnis van 3 maart 2010. Uit de bij deze grief gegeven toelichting blijkt dat [appellanten] bezwaar hebben tegen het oordeel van de rechtbank dat in het midden kan blijven of en in welke mate de door Bouwbedrijf [X] (verder: [X] ) geoffreerde werkzaamheden daadwerkelijk zijn uitgevoerd en dat/omdat de redelijkerwijs te maken herstelkosten voor vergoeding in aanmerking komen. Volgens [appellanten] is een dergelijke abstracte schadeberekening in dit geval niet toelaatbaar, omdat uit de stellingen van [geïntimeerden] volgt dat het asbest om veiligheidsredenen uit de woning diende te worden verwijderd en dus niet mag worden geabstraheerd van het antwoord op de vraag of [appellanten] het asbest hebben laten verwijderen. 2.3.2. Mede in het licht van de in eerste aanleg door [geïntimeerden] overgelegde en door [appellanten] erkende althans niet weersproken factuur van [Y] Asbestverwijdering, waarin werkzaamheden ter zake van het “verwijderen van alle asbesthoudende beplatingen, plafonds en materialen aan de [straat] [huisnummer 1] - [huisnummer 2] te [woonplaats] ” in rekening zijn gebracht, hebben [appellanten] (in hoger beroep) onvoldoende gemotiveerd betwist dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.