← Nederland

ECLI:NL:GHAMS:2016:99

arrest ___________________________________________________________________ _ _ GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.151.995/01 zaak/rolnummer rechtbank Noord-Holland : 590555 CV EXPL 13-898 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 19 januari 2016 inzake de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BEEMSTERLAND BOUW & INTERIEUR B.V., kantoorhoudende te Noordbeemster, gemeente Beemster, appellante, advocaat: mr. H. van Lingen te Alkmaar, tegen: [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde, advocaat: mr. J.R.L. van Gasteren te Leusden. 1Het verdere geding in hoger beroep Partijen worden hierna wederom Beemsterland en [geïntimeerde] genoemd. Het hof heeft in deze zaak op 27 oktober 2015 een tussenarrest gewezen. Beemsterland heeft daarna om arrest gevraagd. 2De verdere beoordeling 2.1 In het tussenarrest heeft het hof Beemsterland toegelaten tot bewijs van haar stelling dat de meerwerkposten “houten wand bij badkamer met zware balk”, “houten constructie wand trapopgang Fam [Y] ”, “extra uurloon inhuren (heeroms timmerbedr) in bouwvakvak.” en “begeleiding Dhr [X] voor asbest probleem” met [X] zijn besproken althans dat [X] daarmee heeft ingestemd. Iedere verdere beslissing werd aangehouden. 2.2 Bij rolmededeling heeft Beemsterland laten weten dat zij afziet van het horen van getuigen en/of het aandragen van bewijs. Zij heeft het hof gevraagd arrest te wijzen. 2.3 Bij gebreke van verdere bewijslevering kan de stelling van Beemsterland ter zake van meerwerk niet als juist worden aanvaard, nu [geïntimeerde] gemotiveerd heeft betwist dat meerwerkopdrachten zijn verstrekt. Voor zover grief 4 van Beemsterland nog niet in het tussenarrest was afgedaan, wordt thans geoordeeld dat deze ook voor het overige faalt. 2.4 Grief 5 van Beemsterland betreft het oordeel van de kantonrechter dat de kosten voor de zandcementvloer ten bedrage van € 803,25 aan [geïntimeerde] moeten worden terugbetaald, omdat [geïntimeerde] dit bedrag wel heeft betaald maar het werk niet is uitgevoerd. Beemsterland betoogt ook in hoger beroep dat de bewuste werkzaamheden én de daarmee samenhangende kostenpost na (het stuk van) 23 april 2012 uit de totaaltelling zijn geschrapt, zodat het bedrag niet aan [geïntimeerde] in rekening is gebracht en dus ook niet moet worden terugbetaald. Nu [geïntimeerde] het betoog van Beemsterland gemotiveerd heeft weersproken door aan te voeren dat en waarom na 23 april 2012 geen nadere afspraken zijn gemaakt en Beemsterland niet voldoende concreet heeft aangeboden zijn stelling te bewijzen, kan het hof niet van de juistheid daarvan uitgaan. Ook grief 5 faalt daarom. 2.5 Met inachtneming van het tussenarrest luidt de slotsom als volgt. Geen van de grieven treft doel. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Beemsterland dient, als de in het ongelijk te stellen partij, in de kosten van het geding in hoger beroep te worden veroordeeld. 4Beslissing Het hof: bekrachtigt het bestreden vonnis; veroordeelt Beemsterland in de proceskosten van het hoger beroep en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de kant van [geïntimeerde] gevallen, op € 308,= aan verschotten en € 1.788,= aan salaris advocaat. Dit arrest is gewezen door mrs. C.C. Meijer, R.H. de Bock en J.E. Molenaar en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 19 januari 2016.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.