parketnummer: 23-004075-16 datum uitspraak: 21 maart 2017 TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman) Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 21 oktober 2016 in de strafzaak onder parketnummer 13-702837-16 tegen [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 7 maart 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, behalve ten aanzien van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de motivering daarvan – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof aan de op te leggen straf een andere motivering ten grondslag legt en de motivering van de rechtbank vervangt door de onderstaande. Oplegging van straf De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met aftrek van voorarrest. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg is opgelegd. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft in een publieke uitgaansgelegenheid, van het nietsvermoedende slachtoffer [slachtoffer 1] een mobiele telefoon uit haar handtas gestolen. Hierdoor heeft hij niet slechts haar eigendomsrecht geschonden maar haar ook overlast bezorgd. Een feit als het onderhavige bevordert bovendien het gevoel van onveiligheid van niet slechts het slachtoffer maar ook van anderen die hiervan in de betreffende uitgaansgelegenheid op de hoogte raken. De verdachte heeft voorts een telefoon weggenomen van aangeefster [slachtoffer 2] en daarmee ook haar eigendomsrecht met de voeten getreden alsmede haar, mede gelet op de aard van een dergelijk toestel, dat privacygevoelige gegevens kan bevatten, overlast bezorgd. Oplegging van een vrijheidsbenemende straf is hiervoor gerechtvaardigd. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 21 februari 2017 is hij eerder onherroepelijk veroordeeld voor vermogensdelicten. Gelet op de ernst van deze feiten en de omstandigheid dat sprake is van recidive, kan niet, zoals bepleit door de raadsman, worden volstaan met het opleggen van een taakstraf, dan wel het anderszins opleggen van een lagere straf dan de hieronder bedoelde. Het hof acht, alles afwegende, oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden passend en geboden. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f en 310 van het Wetboek van Strafrecht. Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 319,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.