parketnummer: 23-004639-14 datum uitspraak: 21 maart 2017 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 17 november 2014 in de strafzaak onder parketnummer 13-701717-14 tegen [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 23 maart 2015, 1 december 2015 en 7 maart 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: primairhij op of omstreeks 14 april 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een (ijzeren/metalen) staaf/stok, in elk geval met een (hard en/of zwaar) voorwerp eenmaal of meermalen op/in/tegen het gezicht/hoofd, in elk geval op/in/tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] heeft geslagen; subsidiairhij op of omstreeks 14 april 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk [slachtoffer] heeft mishandeld, bestaande die mishandeling uit het eenmaal of meermalen (met kracht) met een (ijzeren/metalen) staaf/stok, in elk geval met een (hard en/of zwaar) voorwerp slaan op/in/tegen het gezicht/hoofd, in elk geval op/in/tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer], waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal om proces-economische reden worden vernietigd. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 14 april 2014 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een metalen staaf meermalen op het hoofd en tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] heeft geslagen. Hetgeen primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Nadere bewijsoverweging De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte van het primair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken, omdat de verdachte niet het opzet had zijn zwager zwaar lichamelijk letsel toe te brengen; hij handelde immers in een opwelling. Het hof oordeelt als volgt. De verdachte heeft blijkens de te bezigen bewijsmiddelen met een massief voorwerp, te weten een staaf met een gewicht van 758 gram zijn zwager met kracht tegen zijn hoofd geslagen. Uit de aard en het karakter van dit –doelgericht- handelen van de verdachte leidt het hof af dat bij de verdachte minst genomen de voorwaardelijke opzet tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan zijn zwager bestond. Het hof betrekt hierbij dat met name het hoofd een kwetsbaar onderdeel van het lichaam is. Dat de verdachte in een opwelling zou hebben gehandeld doet niet af aan het voorgaande. Ten overvloede voegt het hof hieraan nog toe dat gesteld noch gebleken is dat bij de verdachte ieder inzicht in de reikwijdte van zijn handelen ontbrak. Het hof verwerpt daarom het verweer. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het primair bewezen verklaarde levert op: - poging tot zware mishandeling. Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is. Oplegging van straf De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg primair bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, waarvan een gedeelte van twee maanden voorwaardelijk niet ten uitvoer wordt gelegd, met een proeftijd van twee jaren, en met aftrek van voorarrest. De rechtbank heeft naast de algemene voorwaarden ook bijzondere voorwaarden gesteld, kort gezegd: meldplicht, ambulante behandelplicht en deelnemen aan gedragsinterventie, bestaande uit een cognitieve gedragstherapie. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van honderdtwintig dagen, waarvan honderdvijf dagen voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest, met een proeftijd van twee jaren. Zij heeft naast de door de rechtbank opgelegde bijzondere voorwaarden ook oplegging van een contact- en omgevingsverbod gevorderd. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling en heeft daarbij met een staaf zijn zwager met zodanige kracht tegen het hoofd/lichaam geslagen dat deze daardoor gewond is geraakt. Hij heeft hiermee inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en hem dusdanig letsel toegebracht dat deze daarvan nog gedurende langere tijd de gevolgen heeft ervaren. Het is niet aan de verdachte te danken dat de gevolgen van zijn handelen niet nog ernstiger uitvielen. Door zijn agressieve optreden heeft de verdachte niet alleen het gevoel van veiligheid van het slachtoffer aangetast maar ook dat van in de sportschool aanwezige nietsvermoedende getuigen. Oplegging van een vrijheidbenemende straf is hiervoor gerechtvaardigd. Het hof houdt in het voordeel van de verdachte rekening met de omstandigheid dat er geen recente contacten met politie en justitie zijn met betrekking tot geweldsfeiten na de pleegdatum van het onderhavige feit. Het hof heeft voorts acht geslagen op de met betrekking tot de verdachte opgemaakte pro justitia rapportages. Psychiater [naam] heeft in het op 14 juli 2014 opgemaakte rapport gemotiveerd aangegeven dat de verdachte vanwege zijn depressie in licht verminderde mate in staat was om controle uit te oefenen over zijn agressieve impulsen en geconcludeerd dat de verdachte als licht verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd. Deze deskundige achtte verder onder meer –kortgezegd- professionele begeleiding noodzakelijk. Het hof neemt deze conclusies over en maakt deze tot de zijne. Alles afwegende acht het hof oplegging van een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf van een duur zoals door de advocaat-generaal is gevorderd passend en geboden. Het hof zal daarbij bijzondere voorwaarden opleggen zoals hieronder vermeld. Het hof ziet mede gelet op het tijdsverloop en nu nadere gegevens ontbreken onvoldoende reden om, zoals gevorderd door de advocaat-generaal, een contact- en omgevingsverbod op te leggen. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.483,05 bestaande uit een gevorderd bedrag aan immateriële schade van € 2.000 en een bedrag aan materiële schade ter hoogte van € 483,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.