arrest ___________________________________________________________________ _ _ GERECHTSHOF AMSTERDAM Afdeling civiel recht en belastingrecht Team III (familie- en jeugdrecht) zaaknummer : 200.204.932/01 SKG zaaknummer rechtbank : C/15/250359/KG ZA 16-849 arrest van de meervoudige familiekamer van 28 maart 2017 inzake [de vrouw] , wonende te [woonplaats a] , APPELLANTE, tevens incidenteel GEÏNTIMEERDE, advocaat: mr. E.F. Seunke te Haarlem, tegen: [de man] , wonende te [woonplaats b] , GEÏNTIMEERDE, tevens incidenteel APPELLANT, advocaat: mr. I.E. van der Bijl te Haarlem. 1Het geding in hoger beroep Partijen worden hierna de vrouw en de man genoemd. De vrouw is bij dagvaarding van 29 november 2016 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, van 17 november 2016, in kort geding gewezen tussen de vrouw als eiseres in conventie, tevens verweerster in reconventie en de man als gedaagde in conventie tevens eiser in reconventie. De appeldagvaarding bevat de grieven. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel; - een journaalbericht met bijlagen ingekomen op 9 februari 2017 namens de vrouw. De vrouw heeft, nadat zij ter gelegenheid van het pleidooi haar vorderingen deels had ingetrokken, geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog de man zal veroordelen: - binnen zeven dagen na betekening van het onderhavige arrest op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag een kopie te verstrekken van (de stand van) de effectenportefeuille van partijen per eind april 2015, althans per de datum waarop de man is begonnen in drie gedeelten in totaal een bedrag van € 523.101,- aan de vrouw over te maken, alsmede een kopie van (de stand van) de effectenportefeuille per heden, naar het hof begrijpt per datum dagvaarding in hoger beroep, alsmede opgave van de dividendinkomsten vanaf 12 juli 2014; - in alle kosten van rechtsbijstand die de vrouw vanaf 17 oktober 2016 totdat de man aan al zijn verplichtingen op grond van het onderhavige arrest heeft voldaan, heeft moeten maken, nader op te maken bij staat; - tot betaling van een voorschot van € 2.500,- exclusief BTW, ofwel € 3.025,- inclusief BTW, van die kosten van rechtsbijstand van de vrouw; - tot het verbeuren van een direct ten behoeve van de vrouw opeisbare dwangsom van € 500,- per dag na betekening van dit arrest indien de man in enig opzicht in gebreke blijft om aan de vrouw een met alle relevante bescheiden, waaronder bankafschriften, onderbouwde rekening en verantwoording van de huuropbrengsten vanaf 12 juli 2014 tot en met januari 2015 te verstrekken, alsmede van alle kosten over de periode vanaf 12 juli 2014 tot – naar het hof begrijpt – de datum van dagvaarding in hoger beroep (19 november 2016) met betrekking tot het kantoorpand aan de [a-straat] in [plaats] , alsmede tot betaling aan de vrouw de aan de vrouw toekomende helft van die huuropbrengsten vanaf 12 juli 2014 tot en met januari 2015 binnen zeven dagen daarna aan haar; - uitvoerbaar bij voorraad in de kosten van beide instanties, daaronder begrepen de nakosten. De man heeft in principaal appel geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis. In incidenteel appel heeft de man gevorderd de vrouw te veroordelen in alle kosten van rechtsbijstand die de man vanaf 17 oktober 2016 heeft moeten maken, nader op te maken bij staat, en alle overige kosten die dit geding met zich brengt, vermeerderd met de nakosten en de wettelijke rente indien de vrouw deze niet binnen veertien dagen na betekening van dit arrest mocht hebben voldaan. Partijen hebben de zaak ter zitting van 23 februari 2017 doen bepleiten door hun respectieve advocaten, mr. Seunke aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Mr. Seunke heeft ter gelegenheid van het pleidooi nog producties in het geding gebracht. Tevens heeft hij bij die gelegenheid een memorie van antwoord in incidenteel appel aan het hof overgelegd waarin de vrouw – kort gezegd – vordert de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering, althans die vordering af te wijzen, met veroordeling van de man in de kosten van het incidenteel appel. Ten slotte is arrest gevraagd. 2Feiten De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.7 de feiten opgesomd die hij bij de beoordeling van de zaak tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. 3Beoordeling 3.1. Partijen zijn in gemeenschap van goederen gehuwd [in] 1962. Hun huwelijk is op 3 maart 2015 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 24 december 2014 in de daartoe bestemde registers. Respectievelijk op 25 en 27 maart 2015, hebben partijen een echtscheidingsconvenant ondertekend dat is opgesteld door de toenmalige advocaat van de vrouw. In het echtscheidingsconvenant is – voor zover in dit spoedkortgeding van belang – opgenomen: - dat partijen de vermogensrechtelijke gevolgen van de ontbinding van dit huwelijk na echtscheiding reeds hebben geregeld per datum 12 juli 2014 (onder in aanmerking nemende); - de eigendomsrechten van (…) het pand aan de [a-straat] te [plaats] blijven eigendom van partijen, ieder voor de onverdeelde helft. De huurpenningen en de kosten van (…) het pand komen partijen toe in de verhouding 50%/50% (onder 3 van het convenant); - de effectenportefeuille partijen bekend, is tussen partijen verdeeld. Aan de man is toegescheiden een bedrag groot € 1.025.101,- en aan de vrouw een bedrag van € 523.101,- (onder 7 van het convenant); - partijen verklaren dat zij met inachtneming en na effectuering van het bovenstaande, de gevolgen van de ontbinding van het huwelijk na echtscheiding hebben geregeld. Zij verklaren te dezer zake behoudens bovenstaande niets meer van elkaar te vorderen te hebben en verlenen elkaar over en weer volledige kwijting en decharge (onder 13). 3.2. Op 26 oktober 2016 heeft de rechtbank Noord-Holland met betrekking tot de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap tussen partijen een eindvonnis gewezen. De vrouw is van dit eindvonnis in hoger beroep gekomen bij dit hof. De zaak is aangebracht op 21 februari 2017. Er is nog niet van grieven gediend. Voorafgaand aan het eindvonnis heeft bij de rechtbank op 25 mei 2016 een comparitie van partijen plaatsgevonden waarvan proces-verbaal is opgemaakt. De vrouw is tijdens die comparitie bijgestaan door haar voormalige advocaat die ook het echtscheidingsconvenant heeft opgesteld. Met betrekking tot de effectenportefeuille heeft de advocaat namens de vrouw haar vorderingen onder 3) en 4) ingetrokken onder de toevoeging dat er geen grondslag voor die vorderingen aanwezig was. De ingetrokken vorderingen zijn identiek aan de vorderingen die de vrouw in dit spoedappel indient en zoals verwoord onder het eerste gedachtestreepje op pagina 2 van dit arrest. 3.3. De vrouw heeft in principaal appel acht grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd. Door de intrekking van enkele van haar vorderingen tijdens het in deze zaak gehouden pleidooi, behoeven de grieven I, II en V van de vrouw geen bespreking meer. 3.4. Grief III luidt: Ten onrechte heeft de Voorzieningenrechter sub 5.12 in het vonnis a quo overwogen dat appellante geen spoedeisend belang heeft bij een dwangsom op de nakoming van hetgeen sub 5.1 in het vonnis in de bodemprocedure d.d. 26 oktober 2016 al aan haar is toegewezen. De vrouw voert aan dat, hoewel de man in het vonnis in de bodemzaak van 26 oktober 2016 op straffe van een direct opeisbare dwangsom is veroordeeld om binnen dertig dagen na betekening van het vonnis ervoor zorg te dragen dat de eigendom van het kantoorpand aan de [a-straat] te [plaats] op beider naam zal worden gesteld, zij belang heeft bij haar vordering op dit punt omdat de man weigert ten aanzien van de financiële aspecten zijn verplichtingen jegens de vrouw na te komen. De vrouw heeft nog geld van de man tegoed, aldus de vrouw. Voorts weigert de man om de onderliggende administratieve en financiële (bank)bescheiden in kopie aan de vrouw te geven, zodat zij een en ander kan controleren. De vrouw vordert dan ook in principaal appel met betrekking tot de huurinkomsten van het pand aan de [a-straat] te [plaats] – samengevat – dat de man alle relevante bescheiden verstrekt, waaronder een met bankafschriften onderbouwde rekening en verantwoording van de huuropbrengsten vanaf 12 juli 2014 tot en met de maand januari 2015, alsmede van alle kosten over de periode vanaf 12 juli 2014 tot en met heden, alsmede om de man te veroordelen aan de vrouw te voldoen de aan haar toekomende helft van de huuropbrengsten vanaf 12 juli 2014 tot en met de maand januari 2015. De man voert gemotiveerd verweer en stelt dat hij steeds alle kosten van het bedrijfspand heeft voldaan, ook het deel van de vrouw. Het aandeel van de vrouw heeft hij met de aan haar toekomende huurpenningen verrekend. In januari 2015 heeft hij na verrekening aan de vrouw een bedrag van € 17.000,- overgemaakt nadat haar twee financieel adviseurs de berekeningen van de man hadden bekeken. Op het moment dat partijen het echtscheidingsconvenant ondertekenden had de vrouw niets meer van de man te vorderen. De man betwist dat de vrouw spoedeisend belang heeft bij haar vordering. 3.5. Onder 5.12. van het vonnis waarvan beroep heeft de voorzieningenrechter overwogen: Het vermeerderde deel van de eis (inzake de inkomsten uit en kosten van het kantoorpand) is door [de man] gemotiveerd betwist, maar mist vooreerst spoedeisend belang, zodat [de vrouw] in dit onderdeel van haar vordering niet kan worden ontvangen. Het kantoorpand is inmiddels, na het bestreden vonnis van de voorzieningenrechter, mede op naam van de vrouw gesteld. De vrouw ontvangt sinds februari 2015 rechtstreeks van de huurder van het kantoorpand (de broer van de man), de helft van de huur. De vrouw heeft verklaard dat, indien en zodra de man haar laat weten dat er door hem kosten voor het pand zijn gemaakt, zij de helft van die kosten aan de man overmaakt. De man heeft dit niet weersproken. Vanaf februari 2015 heeft de vrouw derhalve inzage in de kosten die voor het bedrijfspand door de man worden gemaakt, zodat zij, voor zover haar vordering ziet op het verkrijgen van inzage in de kosten van het kantoorpand vanaf februari 2015, geen belang meer heeft bij haar vordering nu de man haar opgave doet van de aan het kantoorpand verbonden kosten en zij dus de opgave van de man kan controleren. Voorts heeft de vrouw niet weersproken dat de man haar in januari 2015 een bedrag van € 17.000,- heeft betaald, bestaande uit haar aandeel in de huurinkomsten tot dat moment vanaf 12 juli 2014 verminderd met haar aandeel in de door de man voor het kantoorpand betaalde kosten en dat dit bedrag is betaald nadat de twee financiële adviseurs van de vrouw de berekening van de man hadden bekeken. Gelet op die feiten en omstandigheden is het hof, evenals de voorzieningenrechter, van oordeel dat de vrouw geen spoedeisend belang heeft bij haar vordering op dit punt. Grief III faalt derhalve. De vordering van de vrouw in hoger beroep zal worden afgewezen. 3.6. Onder 5.8 van het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter overwogen: Tevens ligt in het voorgaande besloten dat de vorderingen onder
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.