GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.209.270/01 SKG zaaknummer rechtbank Noord-Holland : C/15/252417 / KG ZA 16-963 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 11 april 2017 inzake 1 [appellanten] , 2. [appellanten], beiden wonend te [woonplaats] , gemeente [gemeente] , appellanten, advocaat: mr. A.H. Vermeulen te Den Haag, tegen [geïntimeerde] , wonend te [woonplaats] , geïntimeerde, advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam. 1Het geding in hoger beroep Partijen worden hierna [appellanten] en [geïntimeerde] genoemd. [appellanten] zijn bij dagvaarding van 6 februari 2017 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Holland van 30 januari 2017, in kort geding gewezen tussen [appellanten] als eiseressen en [geïntimeerde] als gedaagde. De dagvaarding bevat de grieven. Ter rolle hebben [appellanten] geconcludeerd overeenkomstig die dagvaarding en daarbij producties in het geding gebracht. Vervolgens heeft [geïntimeerde] een memorie van antwoord ingediend, met producties. [appellanten] hebben daarna nog een akte met een productie ingediend. [appellanten] hebben geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en na te melden vordering zal toewijzen, met beslissing over de proceskosten, te vermeerderen met nakosten en wettelijke rente. [geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met beslissing over de proceskosten. Partijen hebben de zaak ter zitting van 9 maart 2017 doen bepleiten, [appellanten] door hun voornoemde advocaat en [geïntimeerde] door mrs. I. Tuk en C.C. Janssens, beiden advocaat te Hoofddorp, mrs. Vermeulen en Tuk ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Ten slotte is arrest gevraagd. 2Feiten 2.1. De voorzieningenrechter heeft in het vonnis onder 2.1 tot en met 2.8 de feiten opgesomd die hij bij de beoordeling van de zaak tot uitgangspunt heeft genomen. Grief I houdt in dat de feiten deels onvolledig en deels suggestief zijn weergegeven. De rechtbank was evenwel niet gehouden alle vaststaande feiten te vermelden en de wijze van formulering houdt geen oordeel in over het desbetreffende feit. De grief faalt dan ook. De door de voorzieningenrechter opgesomde feiten zijn voor het overige niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Voor zover in hoger beroep van belang en waar nodig aangevuld met andere feiten die volgen uit niet weersproken stellingen van partijen dan wel de niet (voldoende ) bestreden inhoud van producties waarnaar zij ter staving van hun stellingen verwijzen, komen de feiten neer op het volgende. 2.2. [geïntimeerde] is eigenaar van de woning gelegen aan het [Adres] te [woonplaats] (hierna: de woning). Het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente [gemeente] (hierna: het college van B&W) heeft op 7 oktober 2014 een vergunning verleend voor tijdelijke verhuur van de woning op grond van artikel 15 van de Leegstandwet. 2.3. Met ingang van 16 oktober 2014 heeft [geïntimeerde] de woning verhuurd aan [appellanten] In het huurcontract wordt vastgesteld dat het college van B&W ingevolge artikel 15 van de Leegstandswet vergunning heeft verleend voor het aangaan van een huurovereenkomst als bedoeld in die wetsbepaling. [geïntimeerde] heeft de huurovereenkomst per 1 juni 2016 opgezegd bij aangetekende brief van 25 februari 2016. [appellanten] weigeren de woning te verlaten. 2.4. Bij vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland van 24 oktober 2016 (zaak/rolnummer 5281991 \ KG EXPL 16-118), gewezen in kort geding, zijn [appellanten] veroordeeld de woning binnen veertien dagen na betekening van het vonnis te ontruimen en leeg op te leveren. Zij zijn verder veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 699,= voor iedere maand of gedeelte daarvan dat zij de woning vanaf 1 augustus 2016 in gebruik houden. Bij arrest van 15 november 2016 (zaaknummer 200.202.068/01 SKG) heeft dit hof de uitspraak van de kantonrechter bekrachtigd. Beroep in cassatie is niet ingesteld. 2.5. Na het wijzen van voormeld arrest heeft het college van B&W bij brief van 14 december 2016 aan [geïntimeerde] meegedeeld voornemens te zijn de voor de woning verleende vergunning op grond van de Leegstandwet in te trekken omdat bij de aanvraag onjuiste gegevens zijn verstrekt. Het college van B&W heeft vervolgens bij besluit, verzonden op 10 februari 2017, de vergunning van 7 oktober 2014 op grond van artikel 15 lid 15 van de Leegstandwet ingetrokken. Aan dit besluit is ten grondslag gelegd dat [geïntimeerde] in zijn aanvraag heeft aangegeven dat hij in de voor verkoop bestemde woonruimte ten minste twaalf maanden heeft gewoond voorafgaand aan de leegstand, maar dat uit de basisregistratie personen van de gemeente [gemeente] is gebleken dat hij nimmer op het adres van de woning ingeschreven heeft gestaan en dat de woning van 18 oktober 2010 tot 24 oktober 2014 heeft leeggestaan. Daarbij heeft het college van B&W te kennen gegeven dat de zienswijze van [geïntimeerde] tegen het eerder aangekondigde voornemen om dit besluit te nemen geen aanleiding geeft anders te beslissen. De termijn voor het maken van bezwaar tegen dit besluit was ten tijde van het pleidooi in hoger beroep nog niet verstreken. [geïntimeerde] heeft het hof desgevraagd laten weten zich nog te beraden over het al dan niet indienen van een bezwaarschrift. 2.6. Bij dagvaarding van 19 januari 2017 voor dit hof hebben [appellanten] onder meer gevorderd het hiervoor onder 2.4 genoemde arrest van 15 november 2016 te herroepen, de zaak te heropenen en partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de nieuwe feiten. Deze zaak is bij het hof bekend onder zaaknummer 200.207.967/01 (hierna ook aan te duiden als de herroepingsprocedure). 2.7. In een inmiddels door hen geëntameerde bodemprocedure hebben [appellanten] een vordering ingesteld die ertoe strekt dat een verklaring voor recht wordt gegeven inhoudende dat hun de huurbescherming van afdeling 5 van titel 4 van boek 7 BW toekomt. 3Beoordeling 3.1. Bij het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter de vordering van [appellanten] strekkende tot opschorting van de executie van het vonnis van de kantonrechter van 24 oktober 2016, toegewezen voor een periode van twee maanden vanaf 30 januari 2017 en voor het overige afgewezen. [appellanten] zijn belast met de kosten van het geding. De voorzieningenrechter heeft daartoe, onder meer, overwogen dat de tenuitvoerlegging van het vonnis van 24 oktober 2016 in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is en dat hij niet aannemelijk acht dat bij kennis van het volledige feitencomplex zal worden beslist de zaak te heropenen, maar dat [appellanten] desalniettemin een termijn van twee maanden zal worden gegund, zodat de uitkomst van de herroepingsprocedure mogelijk alsnog kan worden afgewacht. 3.2. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komen [appellanten] op met hun grieven. Zij hebben in hoger beroep gevorderd dat het hof [geïntimeerde] zal bevelen de verdere tenuitvoerlegging van het vonnis van kantonrechter van 24 oktober 2016 te staken en gestaakt te houden totdat in de herroepingsprocedure dan wel in de te entameren (inmiddels geëntameerde; hof) bodemprocedure een onherroepelijke uitspraak zal zijn verkregen, op straffe van verbeurte van een dwangsom. 3.3. De grieven II tot en met VI lenen zich voor gezamenlijke behandeling. In essentie hebben [appellanten] aangevoerd dat aan de veroordeling tot ontruiming de grondslag is komen te ontvallen omdat de Leegstandwetvergunning is ingetrokken en dat [geïntimeerde] misbruik van bevoegdheid maakt door desondanks het vonnis van 24 oktober 2016 te willen executeren. 3.4. Terecht heeft de voorzieningenrechter overwogen dat van misbruik van bevoegdheid sprake kan zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust, indien de tenuitvoerlegging op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard, of indien er andere feiten of omstandigheden zijn op grond waarvan de executant in redelijkheid geen gebruik mag maken van zijn recht tot executie van het vonnis. 3.5. Bij de beoordeling van de grieven kan van het volgende worden uitgegaan: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.