GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.173.014/01 zaaknummer rechtbank Noord-Holland: C/15/149796/HA ZA 08-1134 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 25 april 2017 inzake 1 [appellant sub 1] , wonende te [woonplaats] , 2. [X] BEHEER B.V., 3. HVM SYSTEMS INTERNATIONAL B.V., beide gevestigd te [vestigingsplaats 1] , gemeente [gemeente] , appellanten, advocaat: mr. B.F. Eblé te Haarlem, tegen de maatschap [Y] & [Z], gevestigd te [vestigingsplaats 2] , geïntimeerde, advocaat: mr. H.J. [Z] te Haarlem. 1Het geding in hoger beroep Partijen worden hierna respectievelijk [appellant sub 1] , [X] Beheer, HVM (appellanten gezamenlijk: [appellanten] ) en [Y] & [Z] genoemd. [appellanten] zijn bij dagvaarding van 3 juli 2015 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 10 juni 2015, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [Y] & [Z] als eiseres in conventie/verweerster in reconventie en [appellanten] als gedaagden in conventie/ eisers in reconventie. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van grieven, met productie; - memorie van antwoord. Partijen hebben de zaak ter zitting van 10 februari 2017 doen bepleiten door hun voornoemde advocaten, beiden aan de hand van pleitnotities, die zijn overgelegd. Mr. Eblé heeft zijn pleitnota voorgedragen t/m nummer 28. Ten slotte is arrest gevraagd. [appellanten] hebben aan het slot van hun memorie het hof verzocht het vonnis te vernietigen en de schadevergoeding “zoals hierboven verwoord” alsnog toe te wijzen, met beslissing over de proceskosten. [Y] & [Z] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep, met beslissing (uitvoerbaar bij voorraad) over de proceskosten (met nakosten en wettelijke rente). Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden. 2Feiten De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 23 oktober 2013 onder 2 (2.1 t/m 2.14) de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. 3Beoordeling 3.1. [appellant sub 1] is directeur en enig aandeelhouder van [X] Beheer. Deze vennootschap is op haar beurt directeur en enig aandeelhouder van HVM. Mr. [Y] (hierna: mr. [Y] ) heeft [appellanten] in de periode van 2001 tot 2008 als advocaat bijgestaan in onder meer twee letselschadeprocedures, waarvan een betrekking had op de gevolgen van een oogoperatie in 1989 en een ander op de gevolgen van een aanrijding op 24 mei 2000. In een procedure heeft de WAM-verzekeraar van de wederpartij van [appellant sub 1] bij de aanrijding (voorheen Zwolsche Algemeene Schadeverzekering N.V. (hierna: Zwolsche Algemeene), thans Allianz Nederland Schadeverzekering N.V., hierna: Allianz) erkend in beginsel aansprakelijk te zijn. Zij heeft voorschotten op (materiële en immateriële) schadevergoeding uitgekeerd. Mr. [Y] heeft in 2006 tegen de rechtsvoorgangster van Allianz bij de rechtbank Utrecht namens [appellanten] een bodemprocedure aanhangig gemaakt naar aanleiding van de aanrijding en wegens immateriële schade, buitengerechtelijke kosten en kosten “out of pocket” respectievelijk € 90.000,-, € 73.372,- en € 59.189,- gevorderd. In die procedure hebben de partijen op 7 januari 2008 ten overstaan van de comparitierechter een vaststellingsovereenkomst getekend die, voor zover hier van belang, als volgt luidt: Partijen komen ter beëindiging van een deel van dit geschil het volgende overeen. 1. Allianz zal aan [appellanten] een bedrag betalen van EUR 90.000,- (…) voor immateriële schade, buitengerechtelijke kosten en kosten out of pocket. 2. (…) 3. Het vorenstaande betekent dat in de onderhavige procedure partijen nog slechts verdeeld houdt en dient te worden beslist over de hoogte van het verlies van verdienvermogen. 4. Partijen verlenen elkaar na uitvoering van het bovenstaande finale kwijting op die punten, waarbij [appellanten] ook Allianz op die punten finale kwijting verleent. Bij vonnis van 26 maart 2008 heeft de rechtbank Utrecht [appellanten] in de genoemde bodemprocedure niet-ontvankelijk verklaard in de nog resterende vordering op de grond dat de gedagvaarde partij, Zwolsche Algemeene, door een fusie met Allianz was opgehouden te bestaan. Mr. [Y] heeft voor deze vordering vervolgens tegen Allianz een bodemprocedure aanhangig gemaakt bij de rechtbank Haarlem. Mr. Eblé heeft bij brief van 29 mei 2008 aan mr. [Y] meegedeeld dat hij de rechtsbijstand aan [appellanten] op verzoek van [appellant sub 1] heeft overgenomen. Mr. [Y] heeft vervolgens einddeclaraties opgemaakt. Met betrekking tot het oogletsel heeft [Y] & [Z] declaraties verzonden tot een totaalbedrag van € 9.108,56. Met betrekking tot de aanrijding heeft mr. [Y] declaraties verzonden tot een totaalbedrag van € 60.810,09. De door mr. [Y] in 2008 aanhangig gemaakte en vervolgens door mr. Eblé overgenomen bodemprocedure tussen [appellanten] en Allianz bij de rechtbank Haarlem is bij vaststellingsovereenkomst op 11 maart 2009 geëindigd. De partijen zijn daarbij overeengekomen dat Allianz aan [appellanten] een bedrag aan materiële schadevergoeding zal betalen. [appellant sub 1] heeft in verband met de procedure bij de rechtbank Utrecht naar aanleiding van de aanrijding een klacht ingediend tegen mr. [Y] op de grond (voor zover hier van belang) dat mr. [Y] in strijd met artikel 46 Advocatenwet heeft gehandeld doordat hij [appellanten] niet goed heeft geïnformeerd over de strekking van de vaststellingsovereenkomst van 7 januari 2008 en hij aanvankelijk de verkeerde partij heeft gedagvaard. De Raad van Discipline in het ressort Amsterdam heeft bij beslissing van 15 augustus 2011 (onder meer) beide klachten gegrond verklaard. Het Hof van Discipline heeft bij beslissing van 4 juni 2012 deze beide onderdelen van de klacht eveneens gegrond geoordeeld. Het Hof van Discipline heeft onder meer overwogen: Wat er zij van de precieze gang van zaken tijdens de schorsing van de comparitie op 7 januari 2008, verweerder heeft in antwoord op vragen van het hof tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij klager er tijdens deze schorsing niet op heeft gewezen dat klager de door hem gevorderde buitengerechtelijke kosten ter hoogte van € 73.372,- afkocht door in te stemmen met het door verzekeraar Z. aangeboden bedrag van Euro 90.000,- en dat hij dus deze kosten niet meer bij verzekeraar Z. in rekening kon brengen. 3.2. In de onderhavige procedure vorderde [Y] & [Z] bij inleidende dagvaarding veroordeling van [appellanten] tot betaling van de hierboven bedoelde declaraties ten bedrage van (in totaal, zoals in de inleidende dagvaarding berekend) € 69.624,12, met wettelijke rente. [Y] & [Z] heeft haar vordering in de loop van het geding in eerste aanleg verminderd met respectievelijk € 17.468,01 en € 12.500,-. De rechtbank heeft geoordeeld dat een bedrag van € 1.700,- niet voor vergoeding in aanmerking komt en heeft bij eindvonnis in conventie [appellanten] veroordeeld tot betaling van € 37.956,11, met wettelijke rente. Het vonnis voor zover gewezen in conventie is niet aan het oordeel van het hof onderworpen. 3.3. In reconventie vorderden [appellanten] bij conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie veroordeling van [Y] & [Z] tot betaling van € 69.000,- (althans een bedrag dat de rechtbank in goede justitie zou vaststellen), met wettelijke rente. Daartoe stelden [appellanten] , kort gezegd, dat mr. [Y] toerekenbaar tekort was gekomen in de nakoming van de overeenkomst tot dienstverlening omdat mr. [Y] de verkeerde vennootschap had gedagvaard en nalatig was geweest [appellant sub 1] voldoende te informeren omtrent de aard en inhoud van de vaststellingsovereenkomst van 7 januari 2008, met name ten aanzien van de buitengerechtelijke kosten. [appellanten] stelden hun schade op het door de rechtbank vast te stellen honorariumbedrag voor zover de betwisting daarvan zou worden afgewezen, vooralsnog te stellen op € 69.000,-, met wettelijke rente. [appellanten] hebben nadien hun eis in reconventie vermeerderd met een vordering tot veroordeling van [Y] & [Z] tot betaling van respectievelijk € 17.000,- (wegens vertragingsschade doordat niet Allianz maar Zwolsche Algemeene was gedagvaard) en € 2.500,- (wegens kosten in verband met de tuchtprocedure), beide bedragen met wettelijke rente. [appellanten] hebben vervolgens nogmaals hun eis in reconventie vermeerderd met een vordering wegens renteschade ten bedrage van (zoals de rechtbank heeft begrepen:) € 16.000,-. 3.4. Bij tussenvonnis van 23 oktober 2013 heeft de rechtbank (onder 7.10) geoordeeld dat [appellanten] hun stelling dat het feit dat mr. [Y] destijds Zwolsche Algemeene in plaats van Allianz heeft gedagvaard heeft geleid tot schade, onvoldoende hebben onderbouwd. Met betrekking tot de gestelde schade als gevolg van de door de rechtbank aangenomen onvoldoende voorlichting door mr. [Y] over de inhoud van de vaststellingsovereenkomst heeft de rechtbank bij hetzelfde vonnis (onder 7.8 en 7.11) overwogen het aannemelijk te achten dat [appellant sub 1] de vaststellingsovereenkomst niet zou hebben getekend als de fout achterwege was gebleven. De rechtbank heeft partijen bij tussenvonnis van 23 oktober 2013 in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de vraag hoe de schade moet worden begroot. 3.5. [appellanten] hebben vervolgens bij akte van 5 februari 2014 verzocht een schadevergoeding te bepalen ad € 41.411,-, althans een bedrag dat de rechtbank in redelijkheid zal schatten, “plus kosten rechtsbijstand in de tuchtzaak, plus vertragingsrente over (50%) van het ten onrechte beslagen tegoed”. Aan het genoemde bedrag van € 41.411,- ligt het volgende ten grondslag (genoemde akte onder 19). Een reëel schadebedrag wegens immateriële schade is € 50.000,-, de rentecomponent daarover tussen datum ongeval en 2 juni 2009 (voorziene datum uitspraak) is € 32.411,-. Een reële schatting van een toewijsbaar smartengeldbedrag komt dus op € 82.411,-. Genoemd worden vervolgens € 29.000,- als “de minimale out of pocket expenses” en € 30.000,- als “de reële kosten van rechtsbijstand”. De schade als gevolg van de onvoldoende voorlichting over de inhoud van de vaststellingsovereenkomst is door [appellanten] aldus berekend op € 41.441,- (genoemde akte onder 20). Bij akte van 5 maart 2014 hebben [appellanten] naar voren gebracht (onder 14) dat de optelling van de drie schade-elementen een telfout bevat en dat de schade niet € 41.411,- maar € 51.411,- is. [appellanten] concluderen dat de rechtbank de schade zal vaststellen op € 51.411,-, met wettelijke rente “vanaf datum beroepsfout, te weten 31 december 2007, waarbij de rente over het smartengeld al is berekend tot aan datum vonnis”. Bij akte van 4 maart 2015 hebben [appellanten] (onder 14) gesteld dat de geleden schade beloopt “€ 49.913,- misgelopen BGK en € 59.189,- out-of-pocket espenses”. 3.6. De rechtbank heeft op 4 februari 2015 wederom een tussenvonnis uitgesproken. Zij heeft daarbij overwogen dat er aanleiding is terug te komen van haar oordeel omtrent het causaal verband tussen, kort gezegd, de beroepsfout en de schade en [appellanten] in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over haar voornemen terug te komen van haar oordeel dat zij aannemelijk acht dat [appellant sub 1] de vaststellingsovereenkomst niet zou hebben getekend indien mr. [Y] de fout (kort gezegd: de onvoldoende voorlichting) niet zou hebben gemaakt. 3.7. Na uitlating van partijen heeft de rechtbank bij eindvonnis geoordeeld dat het causaal verband tussen het door [Y] & [Z] zich niet vergewissen (dat [appellant sub 1] wist dat sluiting van de vaststellingsovereenkomst meebracht dat een aanzienlijk deel van de nog openstaande declaraties - ook op een later moment - niet meer ten laste van de verzekeraar konden worden gebracht) en de gestelde schade niet kan worden aangenomen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het verweer van [Y] & [Z] dat [appellant sub 1] de vaststellingsovereenkomst sowieso wilde tekenen omdat hij op dat moment dringend geld nodig had om zijn crediteuren te kunnen betalen, door [appellanten] onvoldoende is weersproken en dat de enkele stelling dat [appellant sub 1] deze overeenkomst niet had getekend indien hem goed was uitgelegd wat de implicaties daarvan waren in het licht van de betwisting onvoldoende is. De rechtbank heeft daaraan toegevoegd dat het betoog van [Y] & [Z] inhoudt dat [appellant sub 1] deze schikking sowieso zou zijn aangegaan en niet dat hij met elke schikking akkoord zou zijn gegaan. De rechtbank heeft de vorderingen van [appellanten] in reconventie afgewezen. 3.8. Tegen de afwijzing van de reconventionele vordering door de rechtbank komen [appellanten] op in hoger beroep. 3.9. In de conclusie van de memorie van grieven hebben [appellanten] , zoals eerder vermeld, het hof verzocht “het vonnis te vernietigen en de schadevergoeding zoals hierboven verwoord alsnog toe te wijzen vermeerderd met de proceskosten in eerste instantie en in het hoger beroep”. [appellanten] verwijzen aldus klaarblijkelijk naar hetgeen zij in hun memorie onder 27 (grief 5) naar voren hebben gebracht: Deze grief wordt gericht tegen de overweging van de rechtbank en de achterliggende gedachte dat enerzijds de schade van [appellant sub 1] bestaat uit de misgelopen schadevergoeding, dat wil zeggen datgene wat hij had kunnen krijgen voor de immateriële schade, de buitengerechtelijke kosten en de out of pocket expenses en aan de andere kant de in reconventie ingestelde vordering van € 69.000,- + € 17.000,- is totaal € 86.000,-. [appellant sub 1] wijzigt zijn vordering van € 86.000,-, subsidiair tot het bedrag dat hij bij laatste akte heeft berekend, zulks op uitnodiging van de rechtbank. De vordering wordt dan € 49.900,- misgelopen BGK en € 19.500,- vertragingsrente derhalve € 69.400,- Gevraagd om een toelichting op het aldus in hoger beroep geformuleerde petitum, is van de zijde van [appellanten] ter zitting in hoger beroep aanvankelijk meegedeeld dat het in eerste aanleg op enig moment gevorderde bedrag van € 41.411,- het bedrag is waar het nog om gaat en dat de vordering daartoe wordt beperkt. In tweede instantie is meegedeeld dat [appellanten] bij nader inzien toch vasthouden aan de formulering bij memorie van grieven onder 27 (en derhalve zich niet beperken tot het genoemde bedrag van € 41.111,-, de vordering waarbij [appellanten] zich volgens hun advocaat nog beoogden aan te sluiten aan het slot van de appeldagvaarding). Daaraan werd nog toegevoegd dat het aan het hof wordt overgelaten “of men nog wat wil doen aan de wijziging van eis”. 3.10. Tegen de achtergrond van het procesverloop in eerste aanleg gaat het hof ervan uit dat de vordering van [appellanten] waarover in hoger beroep moet worden geoordeeld bestaat uit: primair het bedrag van € 69.000,- zoals reeds in eerste aanleg bij conclusie van antwoord tevens conclusie van eis gevorderd (zie hiervoor onder 3.3: het door de rechtbank vast te stellen honorariumbedrag voor zover de betwisting daarvan zou worden afgewezen, vooralsnog te stellen op € 69.000,-) alsmede het bedrag van € 17.000,- (het bedrag waarmee [appellanten] in eerste aanleg hun eis in reconventie hebben vermeerderd wegens vertragingsschade doordat niet Allianz maar Zwolsche Algemeene was gedagvaard, zie eveneens onder 3.3) en subsidiair het bedrag van € 49.900 “misgelopen BGK” en € 19.500,-. Hoewel dit laatste bedrag is aangeduid als “vertragingsrente”, begrijpt het hof dat bedoeld is de som van het zojuist genoemde bedrag van € 17.000,- en het bedrag van € 2.500,- wegens kosten in verband met de tuchtprocedure (zie eveneens onder 3.3). 3.11. Aldus zijn in de vordering van [appellanten] in hoger beroep drie onderdelen te onderscheiden: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.