beschikking GERECHTSHOF AMSTERDAM Rekestnummer: R 000345-17 / (591a Sv HB) Proces-verbaalnummer: 2015114856 Beschikking op het hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer van de rechtbank Amsterdam van 24 november 2015 op het verzoekschrift op de voet van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van: [verzoeker], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990, domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat, mr. J.W. Soeteman, Singel 362, 1016 AH Amsterdam. 1Inhoud van het verzoek Het verzoekschrift strekt tot het toekennen van een vergoeding uit ’s Rijks kas ten bedrage van in totaal € 1.359,07 ter zake van: kosten die verzoeker stelt te hebben gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van de strafzaak met voormeld proces-verbaalnummer ten bedrage van € 529,07; kosten in verband met rechtsbijstand ten behoeve van de onderhavige verzoekschriftprocedure in eerste aanleg ten bedrage van € 550,00 en in hoger beroep ten bedrage van € 280,
- 2Procesverloop De rechter in eerste aanleg heeft het verzoek afgewezen. Het hoger beroep is ingesteld namens verzoeker (hierna: appellant). Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld proces-verbaalnummer en heeft op 31 maart 2017 de advocaat-generaal en de gemachtigde advocaat van de appellant mr. J.W. Soeteman, advocaat te Amsterdam, ter gelegenheid van de openbare behandelingen van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. De appellant is - hoewel behoorlijk opgeroepen - niet in persoon in raadkamer verschenen. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van het hoger beroep. 3Beoordeling van het hoger beroep Het hoger beroep is tijdig ingesteld. De rechter in eerste aanleg heeft het verzoek afgewezen omdat, gelet op de afwijzing van het verzoek tot vergoeding van schade die is geleden ten gevolge van de ophouding voor verhoor, geen gronden van billijkheid bestaan tot toewijzing van het verzoek om vergoeding van kosten van rechtsbijstand. Het hof is echter van oordeel dat deze motivering de beslissing niet zonder meer kan dragen. Nu het hoger beroep gegrond wordt geoordeeld zal het hof bevelen hetgeen overeenkomstig de bepalingen der wet had behoren te geschieden. Het verzoek is tijdig ingediend. De strafzaak met voormeld parketnummer is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Het vonnis in die strafzaak is inmiddels onherroepelijk geworden. Het hof is van oordeel dat, gezien hetgeen de raadsman ter onderbouwing van het verzoek tot vergoeding van voornoemde schade heeft aangevoerd, geen sprake is van een verzoek dat evident in strijd is met de vaste jurisprudentie van dit hof en dat, gelet op voormeld einde van de strafzaak, gronden van billijkheid bestaan voor toekenning van het verzoek. Uit een ‘Overzicht openstaande zaken’ van het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) van 24 maart 2017 blijkt dat de geldboete met hierna te noemen CJIB-nummer gelet op artikel 90, lid 3 Sv vatbaar is voor verrekening. De juistheid van het overzicht is niet betwist, zodat het hof hiervan zal uitgaan. Het hof zal het toegekende bedrag met dit door appellant aan de Staat verschuldigde bedrag verrekenen. 4Beslissing Het hof: Vernietigt de beschikking waarvan beroep. Kent uit ’s Rijks kas aan appellant een vergoeding toe van € 1.359,07 (duizend driehonderdnegenenvijftig euro en zeven cent). Bepaalt de verrekening met de hierna te noemen bij strafbeschikking opgelegde geldboete: CJIB-nummer openstaand bedrag verrekening 2132 5420 0186 0995 €325,00 €325,00 Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan appellant. Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. A.E.M. Röttgering, M. Iedema en M.L.M. van der Voet, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Groenenberg als griffier, is ondertekend door de voorzitter en de griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 12 mei
- De voorzitter beveelt: de tenuitvoerlegging van deze beschikking - voor een bedrag van € 325,00 (driehonderdvijfentwintig euro), te betalen uit ’s Rijks kas aan CJIB door overmaking van bovenstaand bedrag op bankrekeningnummer [rekeningnummer 1] t.n.v. CJIB o.v.v. 2132 5420 0186 0995; - voor een bedrag van € 1.034,07 (duizend vierendertig euro en zeven cent), te betalen uit ’s Rijks kas aan appellant voornoemd door overmaking van bovenstaand bedrag op bankrekeningnummer [rekeningnummer 2] t.n.v. [naam]. Amsterdam, 12 mei
- Mr. A.E.M. Röttgering, voorzitter.