GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.186.491/01 zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : 13/582659/ HA ZA 15-243 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 6 juni 2017 inzake 1 [appellant sub 1] , 2. [appellante sub 2] , wonend te [woonplaats] , appellanten, advocaat: mr. J.J.M. van Driel te Amstelveen, tegen 1 [geïntimeerde sub 1] , 2. [geïntimeerde sub 2], 3. [geïntimeerde sub 3], 4. [geïntimeerde sub 4], 5. [geïntimeerde sub 5], wonend te [woonplaats] , geïntimeerden, advocaat: mr. W.J.J. Lamers te Amstelveen. 1Het geding in hoger beroep 1.1 Partijen worden hierna [appellant sub 1] (in enkelvoud) en [geïntimeerden] genoemd (dan wel afzonderlijk bij hun achternaam aangeduid). 1.2 [appellant sub 1] is bij dagvaarding van 27 januari 2016 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam, afdeling privaatrecht, van 28 oktober 2015, onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen [geïntimeerden] als eisers en [appellant sub 1] als gedaagde. 1.3 Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van grieven, met producties; - memorie van antwoord, met producties. 1.4 Op 27 oktober 2016 heeft een meervoudige comparitie van partijen plaatsgehad, alwaar partijen zijn verschenen, bijgestaan door hun voornoemde advocaten. [appellant sub 1] heeft daarbij nog producties in het geding gebracht. Partijen hebben inlichtingen verschaft. De zaak is vervolgens aangehouden teneinde partijen in de gelegenheid te stellen een schikking te beproeven en naar de rol verwezen van 29 november 2011 om zich over het vervolg uit te laten. Na nadere communicatie ter rolle heeft [appellant sub 1] om pleidooi verzocht. Ter zitting van 24 april 2017 hebben partijen de zaak doen bepleiten door hun respectieve advocaten, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. 1.5 Ten slotte is arrest gevraagd. 1.6 [appellant sub 1] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - zal beslissen dat [geïntimeerde sub 1] , [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 5] niet ontvankelijk zijn in hun vordering, dan wel dat hun vordering, net als die van [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] , wordt afgewezen, met beslissing over de proceskosten. [geïntimeerden] hebben geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van [appellant sub 1] en (zo begrijpt het hof:) bekrachtiging van het bestreden vonnis, met - uitvoerbaar bij voorraad - beslissing over de proceskosten, inclusief de nakosten. 1.7 Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden. 2Feiten 2.1 De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1. tot en met 2.5. de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. De grieven 1 tot en met 4 richten zich tegen enkele van die vaststellingen. 2.2 Grief 1 houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft vastgesteld dat [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] eigenaar zijn van de woning aan de [adres 1] en [geïntimeerde sub 5] van de woning aan de [adres 2] . Volgens [appellant sub 1] is nog een ander gerechtigd tot het appartementsrecht in elk van die percelen en is onbekend of die ander de onderhavige vordering steunt. Evenmin is volgens [appellant sub 1] duidelijk of zij op grond van de splitsingsakte of anderszins wel bevoegd zijn tot het instellen van de onderhavige vordering. 2.3 [geïntimeerde sub 1] , [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 5] hebben zich verweerd en daartoe de splitsingsaktes met splitsingstekeningen van de percelen [adres 1] en [adres 2] , alsmede de akten van levering van hun respectieve appartementsrechten in het geding gebracht. Onder verwijzing daarnaar hebben zij gemotiveerd betoogd als appartementseigenaren bevoegd te zijn in deze zaak in rechte op te treden, zodat het beroep op niet-ontvankelijkheid dient te worden afgewezen. In het licht van deze reactie en de omstandigheid dat ter comparitie en pleidooi in hoger beroep een en ander ook niet meer door [appellant sub 1] voldoende gemotiveerd is betwist, geldt zijn verweer als onvoldoende onderbouwd en faalt de grief. 2.4 Grief 2 wijst op een kennelijke verschrijving in het vonnis die het hof zal verbeteren. Bij deze grief heeft [appellant sub 1] dan ook geen belang. 2.5 Grief 3 richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de oorspronkelijke erfafscheiding met betonnen palen altijd zichtbaar is gebleven vanaf het achterpad, terwijl grief 4 inhoudt dat de kantonrechter ten onrechte heeft vastgesteld dat de oorspronkelijke erfafscheiding in rechte lijn doorloopt naar de erfafscheiding van de percelen naast [appellant sub 1] . Volgens [appellant sub 1] was het al in 1993 niet meer mogelijk om te zien dat er zich achter het groene hek nog een ander hek bevond vanwege de ondoorzichtige haag die inmiddels was gecreëerd. Volgens hem blijkt dit ook uit de stelling in de inleidende dagvaarding dat nadat [geïntimeerde sub 3] de stammen en takken tot ongeveer anderhalve meter hoogte had verwijderd de situatie daarachter werd aangetroffen, te weten een houten frame met groen gaaswerk. Ook de verklaring van januari 2016 van [X] , tuinman, bevestigt volgens hem dat er een ondoorzichtige coniferenhaag was. Volgens [appellant sub 1] is de verklaring van de gemachtigde in eerste aanleg, dat het oude hek wel zichtbaar was, onjuist en was er door de wijze van vraagstelling door de rechtbank geen mogelijkheid voor een genuanceerd antwoord. De gemachtigde zou niet bekend zijn geweest met het aanzicht vanaf het pad, maar alleen vanuit de tuin van [appellant sub 1] . Verder liggen het groene hek van [appellant sub 1] en het hek van [Y] in elkaars verlengde. De voorganger van [Y] , [Z] , heeft het oude hek meteen verwijderd toen de coniferen werden geplant en toen [Y] het huis van [Z] kocht in 1993 stond er alleen het hek direct achter de coniferen. Van een uitstulping is geen sprake gelet op de breedte van de tuinen van de [adres 3] en [adres 4] . Aldus telkens [appellant sub 1] . 2.6 Dat de gemachtigde van [appellant sub 1] bij de comparitie in eerste aanleg zich heeft laten verleiden tot uitlatingen die niet conform de waarheid zijn, zoals die gemachtigde in een schrijven van 4 juli 2016 nog eens heeft toegelicht, is door [geïntimeerden] betwist en onvoldoende aannemelijk geworden. Uit de verslaglegging in het proces-verbaal van die comparitie blijkt dat het onderwerp betreffende de zichtbaarheid van het oude hek uitvoerig aan de orde is geweest en dat de gemachtigde wel degelijk in de gelegenheid is geweest haar antwoorden te nuanceren. Zo heeft zij uitgelegd dat het oude hek altijd zichtbaar was, maar zichtbaarder is geworden nadat [geïntimeerden] de coniferen hadden gesnoeid. Het hof zal dan ook, ondanks voornoemde brief, uitgaan van de juistheid van het proces-verbaal. Daarnaast gelden de door partijen overgelegde foto’s van de situatie ter plekke als uitgangspunt voor de beoordeling. Die foto’s, zoals behorend bij producties E-1-2 (KG 23), E-2 en E-3 uit de eerste aanleg, laten zien dat het oude hek achter de coniferenhaag zichtbaar is en laten geen andere conclusie toe dat dit ook altijd zichtbaar moet zijn gebleven, in het bijzonder vanaf de zijkant. Bij de comparitie in hoger beroep heeft [appellant sub 1] dienaangaande bovendien verklaard dat hij niet kon uitsluiten dat het oude hek in de betreffende periode zichtbaar was bij de aansluiting om de hoek met het groene hek. Ook het bestaan van foto’s uit 2012 en 2013, waarop volgens [geïntimeerden] te zien is dat ook voor het snoeien van de coniferen het oude hek zichtbaar was, is door [appellant sub 1] niet bestreden. Dat het groene hek (pas) na snoeien door [geïntimeerde sub 3] zichtbaar zou zijn geworden is onvoldoende gebleken. Ook de verklaring van [X] legt in verband hiermee onvoldoende gewicht in de schaal, omdat daaruit niet blijkt dat het oude hek in de periode voor het snoeien van de coniferen onder normale omstandigheden niet zichtbaar was vanaf de zijkant en bij de aansluiting om de hoek met het groene hek. Hetzelfde geldt voor de overgelegde verklaring van buurman [Y] . Grief 3 faalt daarom. Dat het oude hekwerk in de tuin van [Y] ontbreekt hebben [geïntimeerden] niet betwist. [appellant sub 1] heeft op zijn beurt niet betwist dat zijn (oorspronkelijke) erfafscheiding in rechte lijn doorloopt naar het hek van [adres 5] , de andere buren van [appellant sub 1] en, na de tuin van [Y] , in dezelfde rechte lijn. Het hof zal hiermee bij zijn feitenvaststelling rekening houden. Daarmee is grief 4 behandeld. 2.7 Met inachtneming van het voorgaande komen de feiten neer op het volgende. (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.