← Nederland

ECLI:NL:GHAMS:2017:2497

parketnummer: 23-000672-13 datum uitspraak: 29 juni 2017 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 29 januari 2013 in de strafzaak onder parketnummer 13/529144-06 (zaak A) + 13/529035-07 (zaak B) (ter terechtzitting gevoegd) tegen [Jesse R.] geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] , gedetineerd in [geboortedatum] . Inhoudsopgave Inhoudsopgave 2 1 Inleiding 9 1.1 Het onderzoek van de zaak 9 1.2 Opbouw arrest 9 1.3 De feiten waarvoor de verdachte is gedagvaard 10 1.4 Het vonnis waarvan beroep 11 1.5 Algemene inleiding 11 1.6 De kroongetuigen 13 1.6.1 Inleidend 13 1.6.2 De toetsing van de met de kroongetuigen gemaakte afspraak door de zittingsrechter 13 1.6.3 De verklaringen van kroongetuigen en het bewijs 16 Korte samenvatting Hoofdstuk 1.6 17 2 De ontvankelijkheid van de officier van justitie 18 2.1 De overeenkomsten met (kroon)getuigen en de mate van door het Openbaar Ministerie betrachte magistratelijkheid 18 2.1.1 Het gevoerde verweer, ingedeeld in rubrieken 18 2.1.2 De eerste rubriek: de wijze waarop het Openbaar Ministerie vorm en inhoud heeft gegeven aan de bejegening en beloning van (kroon)getuigen 18 2.1.2.1 Wat is aangevoerd 18 2.1.2.2 Beoordeling door het hof 23 2.1.2.2.1 Inleidend 23 2.1.2.2.2 De toepasselijke regelgeving 23 2.1.2.2.3 Is de met de kroongetuige [Fred R.] gemaakte afspraak proportioneel? 27 2.1.2.2.4 Getuigenbescherming 28 2.1.2.2.5 Ongeoorloofde toezeggingen? 30 2.1.2.2.6 De kroongetuige [Peter La S.] : de verhouding tussen de Wet toezeggingen aan getuigen in strafzaken en het opportuniteitsbeginsel 38 2.1.3 De tweede rubriek: de mate van door het Openbaar Ministerie betrachte magistratelijkheid bij (het bijdragen aan) de waarheidsvinding 53 2.1.4 De derde rubriek: de deplorabele detentieomstandigheden van [Jesse R.] in Marokko en het aldaar verstoken zijn en blijven van toegang tot een Nederlandse raadsman 55 2.1.4.1 Wat is aangevoerd 55 2.1.4.2 Beoordeling door het hof 55 2.1.4.2.1 Juridisch kader 56 2.1.4.2.2 Feitelijke gang van zaken 57 2.1.4.2.3 Beoordeling door het hof 58 2.1.5 Eindconclusie 59 2.2 Geheimhoudersgesprekken 60 Korte samenvatting Hoofdstuk 2 61 3 Het bewijs 62 3.1 Algemeen: verkenning van het bewijs in de zaak Passage 62 3.2 Algemeen: betrouwbaarheid Q5 69 3.2.1 Inleidend 69 3.2.2 Gevoerde verweren 70 3.2.3 De totstandkoming van de statusverlening en van het oordeel van de rechters-commissarissen 72 3.2.4 Aard en betekenis van het betrouwbaarheidsoordeel 73 3.2.5 De betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuige 73 3.2.6 Conclusie 79 Korte samenvatting Hoofdstuk 3.2 79 3.3 [Peter La S.] : betrouwbaarheid van de door deze getuige afgelegde verklaringen 79 3.3.1 Inleiding 79 3.3.2 Enkele relevante bijzonderheden 82 3.3.3 “Zekerheidjes” 86 3.3.4 [Willem H.] -weglatingen 87 3.3.5 [Dino S.] ten onrechte belast? 90 3.3.6 De moord op Houtman en de gewelddadige dood van [slachtoffer 13] 96 3.3.7 De moord op [slachtoffer 13] 97 3.3.8 De moord op Houtman 101 3.3.8.1 Invloed vanuit mediaberichtgeving? 102 3.3.8.2 Gelogen over de Fiat? 102 3.3.8.3 Kernpunten betreffende de plaats delict Houtman: de hulzen en de looproute 103 3.3.8.4 De looproute 104 3.3.8.5 Conclusie ten aanzien van de hulzen en de looproute in samenhang 108 3.3.8.6 Vluchtroute 108 3.3.8.7 De gebruikte Kalashnikov 108 3.3.8.8 Verankering PD Houtman 112 3.3.9 De documenten op de laptop van [Peter La S.] 114 Korte samenvatting Hoofdstuk 3.3 115 3.4 Algemeen: betrouwbaarheid [Fred R.] 116 3.4.1 Het bewijs: het verweer 116 3.4.2 Het bewijs: ambtshalve beschouwing 117 3.4.3 Tussenconclusie dossieronderzoek verankering verklaringen [Fred R.] 131 3.4.4 Het bewijs nader beschouwd: verzoek tot bewijsuitsluiting verklaringen kroongetuige [Fred R.] 132 3.4.4.1 Inleidend 132 3.4.4.2 De persoon van [Fred R.] 133 3.4.4.3 De contacten van [Fred R.] 133 3.4.4.4 De voorgenomen moord op [slachtoffer 10] en de moorden op [Cor van H.] en [slachtoffer 12] 134 3.4.4.5 De voorgenomen moord op [slachtoffer 10] : periode 2002/2003 135 3.4.4.6 De moorden op [Cor van H.] en [slachtoffer 12] 136 3.4.4.7 De periode 2005-2006: verklaringen [Fred R.] in relatie tot onderzoeksbevindingen 138 3.4.4.7.1 [slachtoffer 9] 138 3.4.4.7.2 [slachtoffer 8] , Van der Bijl en Van Dijk 139 3.4.4.7.3 [betrokkene 2] en [betrokkene 3] 142 3.4.4.7.4 [Fred R.] ter plaatse ten tijde van de moord op Van der Bijl? 142 3.4.4.8 Contacten van [Fred R.] met [Dino S.] : bevestiging voor de verklaringen van [Fred R.] ? 143 3.4.4.9 De moorden op Houtman en Van der Bijl: het ontbreken van motieven 151 3.4.4.10 Verkrijgen wetenschap daderschap [Jesse R.] inzake Houtman 152 3.4.4.11 Betalingen aan [Fred R.] in detentie? 152 3.5 Tegenstrijdigheden tussen de verklaringen van [Peter La S.] en [Fred R.] 153 3.5.1 De verklaringen over [slachtoffer 9] 154 3.5.2 De verklaringen over het zaaksdossier Oma 154 3.6 Tussenconclusie bewijs 157 Korte samenvatting Hoofdstuk 3.4 tot en met 3.6 157 3.7 Ten aanzien van het bewijs: de tenlastelegging 158 3.7.1 Juridische kaders 158 3.7.1.1 Medeplegen 158 3.7.1.2 Voorbedachte raad 158 3.7.2 Zaaksdossiers Tanta, Opa en Cobra: algemene beschouwing en tussenconclusie 159 3.7.2.1 Algemene vaststellingen 160 3.7.2.2 Verklaringen getuigen in jaren ‘90 162 3.7.2.3 Verklaringen getuigen [Peter La S.] en [getuige 1] 163 3.7.2.4 Telecomgegevens 164 3.7.2.5 Tussenconclusie 167 3.7.3 Verweer strekkende tot bewijsuitsluiting i.v.m. gebrekkig telecomonderzoek 167 3.7.4 Ten aanzien van het bewijs in het bijzonder in de zaak Tanta 170 3.7.4.1 Bewijsoverwegingen 170 3.7.4.2 Bewijsverweren 171 3.7.4.3 Conclusies 172 3.7.4.3.1 De feitelijke gang van zaken 172 3.7.4.3.2 Medeplegen 173 3.7.4.3.3 Voorbedachte raad 173 Korte samenvatting hoofdstuk 3.7.4 173 3.7.5 Ten aanzien van het bewijs in het bijzonder in de zaak Opa 174 3.7.5.1 Bewijsoverwegingen 174 3.7.5.2 Bewijsverweren 175 3.7.5.3 Conclusies 179 3.7.5.3.1 De feitelijke gang van zaken 179 3.7.5.3.2 Medeplegen 179 3.7.5.3.3 Voorbedachte raad 179 Korte samenvatting hoofdstuk 3.7.5 180 3.7.6 Ten aanzien van het bewijs in het bijzonder in de zaak Cobra 181 3.7.6.1 Bewijsoverwegingen 181 3.7.6.2 Bewijsverweren 182 3.7.6.3 Conclusies 184 3.7.6.3.1 De feitelijke gang van zaken 184 3.7.6.3.2 Medeplegen 185 3.7.6.3.3 Medeplichtigheid 185 Korte samenvatting hoofdstuk 3.7.6 186 3.7.7 Ten aanzien van het bewijs in het bijzonder in de zaak Indiana 187 3.7.7.1 Bewijsoverwegingen 187 3.7.7.2 Bewijsverweren 188 3.7.7.2.1 Betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuige [slachtoffer 6] 188 3.7.7.2.2 Betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuige [Peter La S.] 189 3.7.7.2.3 Betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuige [Indiana-getuige-1] 191 3.7.7.2.4 Met betrekking tot de telecomgegevens 193 3.7.7.3 Conclusies 197 3.7.7.3.1 De feitelijke gang van zaken 197 3.7.7.3.2 Medeplegen 198 3.7.7.3.3 Voorbedachte raad 199 Korte samenvatting hoofdstuk 3.7.7 199 3.7.8 Ten aanzien van het bewijs in het bijzonder in de zaken Agenda en Perugia 200 3.7.8.1 Inleiding 200 3.7.8.1.1 Met betrekking tot de moord op Houtman 200 3.7.8.1.2 Met betrekking tot de moord op Van der Bijl 201 3.7.8.1.3 [Ali A.] en [Willem H.] 202 3.7.8.1.4 De kroongetuigen 202 3.7.8.1.5 De samenhang 203 3.7.8.2 De achtergrond 203 3.7.8.2.1 Met betrekking tot Houtman 203 3.7.8.2.2 Met betrekking tot Van der Bijl 205 3.7.8.3 Voor het bewijs relevante ontmoetingen en verbanden tussen personen 206 3.7.8.3.1 Klussen voor [Ali A.] in 2004 en de verhouding met [Dino S.] 207 3.7.8.3.2 Een ontmoeting in Naarden-Vesting in november 2004 209 3.7.8.3.3 Een ontmoeting van [Jesse R.] met [Dino S.] in 2004 211 3.7.8.3.4 Tussenconclusie 212 3.7.8.4 De opdracht voor de moorden op Houtman en Van der Bijl 212 3.7.8.4.1 Ontmoetingen in Baja, BED en Diemen in oktober 2005 212 3.7.8.4.2 Een ontmoeting op het Amsterdamse Gelderlandplein 218 3.7.8.4.3 Aanwijzen van een slachtoffer 219 3.7.8.4.4 De rondjes met [Fred R.] en de prioriteit 219 3.7.8.4.5 Tussenconclusie 221 3.7.8.5 De communicatie 222 3.7.8.5.1 Contacten met [Ali A.] 222 3.7.8.5.2 Contacten met [Sjaak B.] 226 3.7.8.5.3 Contacten met [Dino S.] 226 3.7.8.5.4 Tussenconclusie 228 3.7.8.6 De moord op Houtman 229 3.7.8.6.1 De voorbereiding: wapens 229 3.7.8.6.2 De uitvoering 229 3.7.8.6.3 Bespreking van bewijsverweren met betrekking tot de moord op Houtman 231 3.7.8.6.4 Overwegingen met betrekking tot het daderschap en de deelnemingsvorm 238 3.7.8.6.5 Conclusie 240 3.7.8.7 De moord op Van der Bijl 240 3.7.8.7.1 De “pogingen” 240 3.7.8.7.2 De uitlokking van [betrokkene 2] en [betrokkene 3] 244 3.7.8.7.3 Conclusie 246 Korte samenvatting Hoofdstuk 3.7.8 246 3.7.9 Ten aanzien van het bewijs, in het bijzonder de deelneming aan een criminele organisatie 248 3.8 [Dino S.] , [Willem H.] , [Fred R.] en [Jesse R.] : elkaars mededaders 249 4 Bewezenverklaring 251 4.1 Bewezenverklaring feiten A1 subsidiair, A2, A3, A4 meer subsidiair, B1, B2 primair, B3 en B4 primair 251 4.2 Redengeving bewijsgebruik kroongetuigen 253 5 Strafbaarheid van het bewezenverklaarde 253 6 Strafbaarheid van de verdachte 254 7 Oplegging van straf 255 7.1 De motivering van de op te leggen straf 255 7.2 De levenslange gevangenisstraf in het licht van de mensenrechten 257 7.2.1 De eisen voortvloeiend uit het EVRM 258 7.2.2 Het oordeel van de Hoge Raad 259 7.2.3 Ontwikkelingen in de Nederlandse praktijk 259 7.2.4 Waardering van het Besluit 261 7.2.5 Conclusie en slotopmerkingen 268 Korte samenvatting Hoofdstuk 7.2 269 7.3 Levenslange gevangenisstraf en de strafrechtelijke regels van samenloop 269 7.4 De redelijke termijn 270 7.5 Eindconclusie strafoplegging 272 8 Beledigde en benadeelde partijen, 272 8.1 Ten aanzien van de beledigde partijen [beledigde partij 1] 272 8.2 Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] 273 8.2.1 De vordering 273 8.2.2 De schadevergoedingsmaatregel 274 8.3 Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] 274 8.3.1 De vordering 274 8.3.2 De schadevergoedingsmaatregel 275 8.4 Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] 275 8.4.1 De vordering 275 8.4.2 De schadevergoedingsmaatregel 276 8.5 Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] 276 8.5.1 De vordering 276 8.5.2 De schadevergoedingsmaatregel 277 8.6 Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde partij 5] 277 8.6.1 De vordering 277 8.6.2 De schadevergoedingsmaatregel 278 8.7 Ten aanzien van de benadeelde partijen G.L.L. en [benadeelde partij 7] 278 8.8 De benadeelde partij [benadeelde partij 5] , [benadeelde partij 6] en [benadeelde partij 7] 279 8.9 Schadevergoedingsmaatregel in relatie tot de levenslange gevangenisstraf 280 9 Beslag 280 10 Toepasselijke wettelijke voorschriften 281 11 BESLISSING 281 1Inleiding 1.1 Het onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep op de data zoals vermeld op het als bijlage I aan dit arrest gehechte overzicht, en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Tegen voormeld vonnis heeft de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. 1.2 Opbouw arrest In dit arrest zijn de overwegingen en beslissingen van het hof opgenomen die in de strafzaak tegen de hierboven genoemde verdachte zijn gegeven. Het hof wijst heden ook arrest in de zaken van negen medeverdachten, die gelijktijdig in hoger beroep terecht hebben gestaan. De gelijktijdige behandeling van deze strafzaken, in eerste aanleg door de rechtbank en in hoger beroep door het hof is bekend geworden onder de noemer van het Liquidatieproces Passage. Omdat de aan het hof ter beoordeling en beslissing voorliggende vorderingen, verweren en uitdrukkelijke onderbouwde standpunten in die formeel op zichzelf staande zaken onmiskenbaar onderlinge verwevenheid vertonen, heeft dat gevolgen voor de wijze waarop het hof zijn overwegingen en beslissingen heeft ingericht. Vanzelfsprekend gaat het in dit arrest om de beslissingen die in de zaak van de verdachte door het hof gegeven dienen te worden. Die verwevenheid van zaken brengt voor de lezer van dit arrest echter mee dat de beschouwingen van het hof op onderdelen soms breder zullen zijn dan wat door hem op grond van wat in de zaak is aangevoerd strikt genomen wordt verwacht. Omwille van de leesbaarheid zal het hof de als verdachten en getuigen figurerende personen zoveel mogelijk met hun naam in plaats van met hun status van verdachte/getuige aanduiden. In het belang van de lezer volgt op de meer substantiële overwegingen en beslissingen van het hof een korte samenvatting daarvan, steeds weergegeven in cursief. Met die korte samenvattingen beoogt het hof het belang van de lezer bij snelle kennisneming zoveel mogelijk te dienen en de drempel hiervoor te verlagen. Gelet op het met die samenvattingen nagestreefde doel behoeft geen nadere uitleg dat deze nimmer dragend kunnen zijn voor de daaraan voorafgaand weergegeven overweging en beslissing. In het hoofdstuk 3. is steeds de essentie van de tot bewezenverklaring of vrijspraak strekkende redenering en beslissing opgenomen. Waar nodig of gewenst is in bewijsoverwegingen door middel van voetnoten verwezen naar de vindplaatsen van de bewijsmiddelen in het (papieren en digitale) dossier. Voor zover wordt verwezen naar processen-verbaal, betreft het telkens processen-verbaal die in de wettelijke vorm zijn opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Indien een proces-verbaal van politie voor fotokopie conform is getekend dan staat dit proces-verbaal op gelijke voet met een origineel proces-verbaal en is de aanduiding ervan identiek. Voor zover het bewijsmiddel een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5° van het Wetboek van Strafvordering betreft, is het telkens slechts gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen. De gebezigde bewijsmiddelen zijn opgenomen in de bij dit arrest gevoegde bijlagen III e.v. 1.3 De feiten waarvoor de verdachte is gedagvaard Voor de tenlastelegging wordt verwezen naar bijlage II. Kort gezegd wordt aan de verdachte verweten: Zaak A: 1. zaaksdossier Perugia Het medeplegen van de moord op Thomas van der Bijl op 20 april 2006 te Amsterdam, althans opzettelijke uitlokking van of medeplichtigheid aan of bij die moord; 2. zaaksdossier Agenda Het medeplegen van de moord op Kees Houtman op 2 november 2005 te Amsterdam; 3. zaaksdossier Tanta Het medeplegen van de moorden op [slachtoffer 1] [slachtoffer 2] en Djordje [slachtoffer 1] op 1 april 1993 te Ouderkerk aan de Amstel; 4. zaaksdossier Cobra Het medeplegen van de moorden op [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] in de nacht van 8 op 9 mei 1993 te Antwerpen, althans medeplichtigheid aan die moorden. Zaak B: 1. zaaksdossier Opa Het medeplegen van de moord op [slachtoffer 5] op 19 april 1993 te Amsterdam; 2. zaaksdossier Indiana Het medeplegen van de poging tot moord op [slachtoffer 6] op 26 oktober 2000 te Amsterdam; 3. criminele organisatie De deelneming aan een criminele organisatie gericht op het plegen van moorden en vuurwapendelicten van 1 januari 2004 tot en met 3 augustus 2006 te Nederland. 4. zaaksdossier Perugia Het medeplegen van pogingen tot moord op Thomas van der Bijl in de periode van 1 september 2005 tot en met 20 april 2006, althans het medeplegen van voorbereidingshandelingen met het oog op die moord. De zaaksdossier Tanta, Cobra en Opa worden in het dossier en hierna in het arrest gezamenlijk ook wel aangeduid als “de 93-zaken”. 1.4 Het vonnis waarvan beroep Vanzelfsprekend heeft het hof het wettelijke concept van het voortbouwend hoger beroep onder ogen gezien, in het bijzonder de mogelijkheid van (gedeeltelijke) bevestiging van het vonnis waarvan beroep. Echter, reeds gelet op het aantal zaken dat onder de noemer van dat Liquidatieproces Passage gelijktijdig door het hof is behandeld, de overlap tussen onderdelen van die zaken, en gelet op het feit dat in het onderzoek van de zaak in hoger beroep aan de hand van een almaar verder uitdijend dossier een nader uitgebreid feitenonderzoek is verricht, zal het hof het vonnis waarvan beroep reeds op praktische gronden vernietigen en opnieuw recht doen. 1.5 Algemene inleiding Moord en doodslag zijn van alle tijden. Wordt de samenleving tegenwoordig regelmatig in beroering gebracht door moorden, vaak op klaarlichte dag gepleegd volgens het stramien van excessief vuurwapengeweld, wegvluchtende lieden en een achtergelaten brandende vluchtauto, dit patroon heeft zich ook in het verleden voltrokken. Voor zowel heden als verleden is in dit verband bovendien kenmerkend dat deze moorden zijn gelieerd aan het milieu van zware georganiseerde criminaliteit. Dit blijkt niet alleen uit de wijze waarop deze moorden worden gepleegd, maar ook uit de verbinding die naar dat milieu kan worden gelegd. Over de band van de personen van de slachtoffers en/of de kring van personen die door politie en justitie voor die moorden verantwoordelijk wordt gehouden. Voor deze buitencategorie van ernstige misdrijven – in de volksmond: liquidaties – is kenmerkend dat de opsporing en strafvervolging sterk worden bemoeilijkt door het zeer geringe aantal personen dat in staat en bereid blijkt om hun wetenschap over het een en ander onvoorwaardelijk prijs te geven. En als de officier van justitie er al in slaagt om op grond van onderzoeksresultaten een verdachte aan te wijzen en te vervolgen, dan is het zelden vertoond dat die verdachte bereid is om opening van zaken te geven. In de regel wordt door hem volstaan ofwel met een beroep op het zwijgrecht, ofwel met een meer of minder onderbouwde ontkenning van iedere betrokkenheid. En ook dat aspect is van alle tijden. En zo getuigt ook het zeer omvangrijke samenstel van, deels, relatief gedateerde strafzaken daarvan. Het is in al deze zaken waarin het hof heden arrest wijst. In dat Liquidatieproces Passage gaat het om het onderzoek naar 7 moorden en de berechting van (aanvankelijk) 12 verdachten. Tijdens de loop van het proces zijn twee van hen overleden; [Raymond V.] aan een natuurlijke dood en [Ali A.] is het slachtoffer geworden van een moordaanslag. De verdachte [Sjaak B.] heeft een op hem gepleegde moordaanslag ternauwernood overleefd. Voorts is een aantal van de in de loop van het onderzoek door de politie en het hof gehoorde getuigen met vuurwapengeweld geconfronteerd. Een enkeling heeft dat geweld overleefd, de meerderheid van hen heeft daarbij het leven gelaten. De inhoudelijke behandeling van de zaken in eerste aanleg heeft bijna 4 jaren gevergd, de eerste verkennende zitting in hoger beroep vond plaats in de maand september van 2013. In dat samenstel van strafzaken – de onderhavige strafzaak maakt daarvan deel uit – ligt de betrokkenheid van de verdachten bij een aantal moorden ter berechting voor. En van elk van die moorden (poging en voorbereiding daartoe daaronder mede begrepen) kan zonder overdrijving worden gesteld dat de opsporing en vervolging uiterst moeizaam zijn verlopen. De verdachten hebben zich op hun zwijgrecht beroepen en/of hebben hun door het Openbaar Ministerie veronderstelde betrokkenheid bij moorden ontkend. In zoverre past die gang van zaken in het zojuist beschreven algemene beeld. Eerst nadat één van hen van het predicaat kroongetuige kon worden voorzien – de verdachte [Peter La S.] – is het onderzoek naar een aantal van die moorden in een stroomversnelling geraakt. Door hem is veelvuldig en uitvoerig verklaard, niet alleen over zijn eigen aandeel bij één van de moorden maar ook over wat hij gedurende een aanzienlijke periode zou hebben waargenomen en ondervonden met betrekking tot anderen, in het bijzonder de verdachten die in het Liquidatieproces Passage terecht staan. Dat de stroomversnelling door alles wat zich rondom die kroongetuige heeft voltrokken, vooral tijdens de gedingfase in eerste aanleg, het verloop van het onderzoek soms ook trekken heeft gegeven van een kolkende rivier zal uit het navolgende nader blijken. De gedingfase van het hoger beroep is vooral gekenmerkt door het opstaan van een tweede kroongetuige – de verdachte [Fred R.] – die aan het verloop van de behandeling van de zaken een eigen dynamiek heeft toegevoegd. Ook voor deze tweede kroongetuige geldt dat hij zowel over eigen betrokkenheid bij een moord heeft verklaard als over betrokkenheid van anderen. De aanzienlijke duur van de behandeling van de zaken in hoger beroep wordt in overwegende mate verklaard door de bonte stoet van getuigen die, in het kader van verificatie c.q. falsificatie van de door [Fred R.] als tweede kroongetuige bij de politie afgelegde verklaringen, aan het hof is voorbijgetrokken. Een ander aan de gedingfase van het hoger beroep verbonden aspect wordt gevormd door de aanhouding en strafvervolging van een andere verdachte, [Willem H.] , ter zake van misdrijven die ook en simultaan in hoger beroep aan het hof ter berechting voorliggen. Dit gegeven van parallelle berechting in twee instanties – [Willem H.] in eerste aanleg en Passage-verdachten in hoger beroep – is in de strafvorderlijke werkelijkheid weliswaar niet uniek, maar dit heeft de behandeling in hoger beroep op momenten wel enigszins gecompliceerd. Het debat dat in de onderhavige zaken is gevoerd is toegespitst geweest op de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging, het bewijs en de straftoemeting: de rechtmatigheid van de toepassing door het Openbaar Ministerie van de strafvorderlijke regeling van de kroongetuigen; de rechtmatigheid van door de Staat aan de kroongetuigen gedane toezeggingen; de door de Staat aan de kroongetuigen (aan)geboden bescherming, de ontbrekende transparantie daaromtrent, mede in het licht van het strafvorderlijke beloningsverbod; de rechtmatigheid van de door de officier van justitie met de kroongetuigen gemaakte afspraken; de totstandkoming van de door de kroongetuigen afgelegde verklaringen; de door de kroongetuigen afgelegde verklaringen: de betrouwbaarheid van de inhoud daarvan; tal van kwesties met betrekking tot strafrechtelijk bewijs, en de straftoemeting, mede in het licht van de toelaatbaarheid van oplegging van de levenslange gevangenisstraf. 1.6 De kroongetuigen 1.6.1 Inleidend Het Openbaar Ministerie heeft in deze zaak de verklaringen van twee kroongetuigen ingezet. Dit heeft de feitelijke en juridische gemoederen bezig gehouden. In eerste aanleg is het [Peter La S.] geweest, die op verscheidene momenten de aandacht sterk op zichzelf – als verdachte en als getuige – gericht heeft geweten. Op deze plaats wordt volstaan met het benoemen van twee aspecten daarvan: zijn conflict met het Openbaar Ministerie, belast met getuigenbescherming, en zijn onthulling dat hij in een vroeg stadium van zijn verklaren bij de politie ook over [Willem H.] heeft verklaard, doch dat die onderdelen van zijn verklaringen niet zijn opgenomen in de van zijn verhoren opgemaakte en door de officier van justitie overgelegde processen-verbaal. Tijdens de behandeling van het hoger beroep is een tweede kroongetuige “opgestaan”, namelijk [Fred R.] . De door hem afgelegde verklaringen zijn in het bijzonder in de strafzaken tegen [Dino S.] en [Jesse R.] voorwerp van onderzoek geweest. Aan de inzet van deze twee kroongetuigen heeft de verdediging van vrijwel alle verdachten een breed scala van verweren verbonden, strekkend tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie, bewijsuitsluiting of strafmatiging. Het hof merkt op voorhand op dat de verdediging in enkele zaken de eigen appreciatie van de figuur van de kroongetuige in strafzaken niet onder stoelen of banken heeft gestoken. Het hoeft geen nader betoog dat die appreciatie voor het hof slechts betekenis heeft wanneer daaraan in strafvorderlijke zin handen en voeten is gegeven. 1.6.2 De toetsing van de met de kroongetuigen gemaakte afspraak door de zittingsrechter Aan de bespreking van aan de kroongetuigen te relateren verweren gaat een korte beschouwing over de rol van de zittingsrechter in relatie tot de afspraak als bedoeld in artikel 226g Sv vooraf. Die is van belang voor de inkadering van de beoordeling van de formele verweren die over de afspraken met de kroongetuigen zijn gevoerd. De Wet toezeggingen aan getuigen in strafzaken voorziet in de bevoegdheid van de officier van justitie om een afspraak te maken met een criminele getuige. Aan deze getuige mag een vermindering van de strafeis worden toegezegd die maximaal de helft bedraagt van de straf die in een situatie zonder de medewerking van de getuige zou worden geëist. In ruil daarvoor gaat de getuige jegens de officier van justitie de verplichting aan om volledig en naar waarheid te verklaren over de in de afspraak te vermelden personen en strafbare feiten. Het is aan de rechter-commissaris om de voorgenomen afspraak op vordering van de officier van justitie op rechtmatigheid te beoordelen. Daarbij zijn de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit een belangrijk richtsnoer. Door een toewijzende beslissing van de rechter-commissaris komt de afspraak tot stand. Hiermee is de kern van de wettelijke regeling weergegeven. De wet regelt geen specifieke rol voor de zittingsrechter. Weliswaar wordt in de parlementaire stukken veelvuldig vermeld dat het de zittingsrechter is die de overeenkomst uiteindelijk toetst, maar dit is niet in enige bepaling vastgelegd. Men zal eveneens vergeefs zoeken naar een schematische of systematische voorstelling van de bevoegdheidsverdeling, een materieel kader of een kader voor sanctionering. Dat wil niet zeggen dat de wetgever aan de positie van de zittingsrechter geen aandacht heeft besteed. Integendeel. In tal van beschouwingen, veelal naar aanleiding van vragen uit de Tweede Kamer wordt hierop door de minister ingegaan. De toetsing die de rechter-commissaris uitvoert is tijdens de parlementaire behandeling gekenmerkt als een min of meer marginale. Deze spitst zich geheel toe op de rechtmatigheid van de afspraak. “De rechter-commissaris toetst op een afstandelijker wijze of het door de officier van justitie gepresenteerde voornemen op basis van de aan hem verstrekte informatie verantwoord en rechtmatig kan worden geacht.” En hij treedt niet in de beoordeling of “het maken van een afspraak het enige en juiste middel is, dan wel een andere opsporingsstrategie is aangewezen”. Bovendien is overwogen dat een afspraak vooral tot stand zal komen in een vroege fase van de opsporing waarin nog niet veel onderzoeksbevindingen beschikbaar zijn noch ter beschikking kunnen worden gesteld. Het oordeel van de rechter-commissaris is gebaseerd op de dan bekende feiten en omstandigheden. Daardoor is het voorlopig van aard. Niettemin is dit oordeel van de rechter-commissaris van groot belang. Op diverse plaatsen in de parlementaire stukken blijkt dat door de minister is gezegd dat, met de invoering van een rechterlijke toetsing voorafgaand aan de totstandkoming van de afspraak, uitvoering is gegeven aan een unaniem door de Tweede Kamer uitgesproken wens bij de aanvaarding van de motie-Kalsbeek. Het zou aldus één van de vele vormen zijn waarin controle en transparantie in het proces van opsporing en vervolging tot uitdrukking moesten komen. Waaruit bestaat dan de toetsende rol van de zittingsrechter die niet van een wettelijke basis is voorzien maar die, zoals soms in de wetsgeschiedenis is gesuggereerd, wel “vol” van karakter is? Wat dit laatste punt betreft zijn de accenten tijdens de parlementaire behandeling nog wel eens verschillend gelegd. Op sommige momenten is aan het finale karakter van het oordeel van de zittingsrechter verbonden dat hierin alle later aan het licht gekomen feiten en omstandigheden kunnen worden betrokken. Daarmee wordt dit van groter en doorslaggevend gewicht. Deze visie is onder meer te vinden in paragraaf 8 van de Memorie van toelichting. Elders is dit, mogelijk als resultaat van de gedachtewisseling, stringenter geformuleerd, zoals in de Nota naar aanleiding van het verslag. Daarin zegt de minister: “Weliswaar blijft de zittingsrechter eveneens bevoegd de totstandgekomen afspraak alsnog af te keuren, maar een dergelijke situatie zal zich redelijkerwijs pas voordoen indien er nieuwe feiten aan het licht zijn gekomen die de gemaakte afspraak in het fundament aantasten en die de rechter-commissaris ten tijde van zijn toetsing niet bekend waren (zoals bedrog van de zijde van de criminele getuige of bewuste misleiding door openbaar ministerie of politie). Evenmin is geheel uitgesloten dat de zittingsrechter bij gelijk gebleven omstandigheden wel tot een ander oordeel over de door de rechter-commissaris rechtmatig geoordeelde afspraak komt.” Uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat de wetgever de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen van de kroongetuige als de kerntaak voor de zittingsrechter beschouwt. In het beslismodel dat de zittingsrechter hanteert kunnen daaraan vragen voorafgaan die betrekking hebben op de bruikbaarheid van de verklaringen in juridisch opzicht. In dat verband kan ook de vraag aan de orde zijn of het gaat om bewijs dat rechtmatig is verkregen. Meer fundamenteel kan in debat zijn of de afspraak met de kroongetuige de eerlijkheid van het proces van de verdachte, ten laste van wie verklaringen zijn afgelegd, zodanig aantast dat de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging in het geding komt. Het gaat hierbij telkens om kwesties waarvoor artikel 359a Sv een regeling biedt. De afspraak komt immers tot stand in het kader van het voorbereidend onderzoek als bedoeld in artikel 359a Sv in de strafzaak van de verdachte ten laste van wie is verklaard. De afspraak is ook onderdeel van het voorbereidend onderzoek in de strafzaak van de kroongetuige maar dat kan hier vanwege ontbreken van relevantie onbesproken blijven. Gelet op de in de rechtspraak aanvaarde rol van de zittingsrechter bij de toetsing van de rechtmatigheid van opsporingsmethoden vindt de bedoelde beoordeling primair plaats op geleide van gevoerde verweren. Met een toereikende onderbouwing moet worden aangetoond dat rechtsregels zijn geschonden bij de totstandkoming of door de inhoud van de afspraak, waardoor de verdachte in een door de strafrechter relevant te achten belang is getroffen. In zo’n geval kan de rechter overwegen om toepassing te geven aan het sanctie-instrumentarium van artikel 359a Sv. Ook kan de eerlijkheid van het strafproces in het geding zijn. Ten eerste doordat het in artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces een rol speelt bij de beoordeling van verweren gevoerd op de voet van artikel 359a Sv. Maar mogelijk ook als zelfstandige toetssteen, namelijk in het geval dat wordt geklaagd over gevolgen die de inhoud van de afspraak beweerdelijk heeft gehad op de volledigheid of kwaliteit van het onderzoek ter terechtzitting. Een rol van de zittingsrechter, zoals hiervoor omschreven, past in de rol zoals die lijkt te zijn verondersteld in de hiervoor aangehaalde passage uit de Nota naar aanleiding van het verslag. Waar het gaat om de beoordeling van de betrouwbaarheid als zodanig geldt voorts de instructie aan de zittingsrechter die is neergelegd in de verzwaarde motiveringseis van artikel 360, tweede lid, Sv. In het geval namens de verdachte wordt aangevoerd dat (juridische) gebreken in de totstandkoming of inhoud van de afspraak de betrouwbaarheid van de door de kroongetuige afgelegde verklaringen aantasten, worden deze betrokken in de in die bepaling bedoelde uitgebreide motivering. Indien en voor zover daarbij aan uitdrukkelijk onderbouwde standpunten als bedoeld in artikel 359, tweede lid, Sv wordt voorbijgegaan dienen daarvoor in die motivering in het bijzonder de reden te worden opgegeven. Tot slot verdient, in verband met enkele hierna te bespreken verweren, nog het volgende vermelding. De wetgever heeft onder ogen gezien dat op enig moment kan blijken dat de kroongetuige verklaringen heeft afgelegd die in strijd zijn met de waarheid of gebaseerd zijn op misleiding. Er is dan, zo blijkt uit de brief van de minister aan de voorzitter van de Tweede Kamer van 30 maart 2000, niet aan de voorwaarden van de afspraak voldaan. In een dergelijk geval zal de toegezegde tegenprestatie, bestaand uit de lagere strafeis van de officier van justitie, niet of slechts ten dele behoeven te volgen. Nadat de afspraak tot stand is gekomen heeft de rechter geen taak ten aanzien van de voortduring ervan. In de strafzaak van de kroongetuige heeft de zittingsrechter de bevoegdheid om de straf op te leggen die hij passend acht, waarbij hij op vordering van het Openbaar Ministerie laat meewegen de bijdrage die de getuige heeft geleverd aan de opsporing en vervolging van misdrijven. Daarbij zal hij zich, gezien de aard van deze in artikel 44a Sr neergelegde maatstaf, in aanzienlijke mate laten leiden door het in de onderbouwing van die vordering besloten liggende advies van het Openbaar Ministerie. 1.6.3 De verklaringen van kroongetuigen en het bewijs Zodra de formele verweren niet slagen komt de vraag naar het bewijsgebruik aan de orde. Al op deze plaats in het arrest staat het hof in algemene zin stil bij het eventueel bewijsgebruik van de verklaringen van kroongetuigen. De betrouwbaarheid van hun verklaringen is een randvoorwaarde voor dat bewijsgebruik. Kroongetuigen zijn ook reguliere getuigen. Gelet op (het zicht

  1. op)het voordeel dat ieder van hen op grond van de afspraak toevalt zal de rechter die de verklaringen voor het bewijs gebruikt, dat gebruik op de voet van artikel 360, tweede lid, Sv op straffe van nietigheid in het bijzonder hebben te motiveren. En daarmee is het verschil met reguliere getuigen aangegeven. Het hof zal – zijnde de rechter die staat voor de vraag of het bewijs mede kan worden aangenomen op grond van verklaringen van die kroongetuige(
  2. n)– die verklaringen op hun betrouwbaarheid onderzoeken, ambtshalve en in de sleutel van de gevoerde verweren. Daarbij is het volgende van belang. De kroongetuigen [Fred R.] en [Peter La S.] hebben op grond van de door ieder van hen met de officier van justitie gemaakte schriftelijke afspraken zowel rechten als verplichtingen. Zo zijn zij beiden verplicht om zonder voorbehoud, volledig en naar waarheid te verklaren over in de afspraak genoemde strafbare feiten, de eventuele eigen betrokkenheid daaronder mede begrepen. De aandacht van het hof richt zich eerst en vooral op de verklaringen die rechtstreeks van betekenis kunnen zijn voor de aan de verdachte verweten strafbare feiten. Daarnaast kan het voor de vraag naar het bewijsgebruik van belang zijn te onderzoeken of de kroongetuige ook overigens zonder voorbehoud, volledig en naar waarheid heeft verklaard. Daarbij gaat het om zijn eigen betrokkenheid bij die aan de verdachte verweten gedragingen, maar ook bij feiten die niet aan de verdachte zijn tenlastegelegd, doch wél in de afspraak met de kroongetuigen zijn opgenomen. Het is immers denkbaar dat indien ernstige twijfel rijst of de kroongetuige volledig en naar waarheid heeft verklaard over die laatstbedoelde categorie van feiten, die twijfel raakt aan het door het hof te vormen oordeel over de betrouwbaarheid van wat door hem is verklaard over de feiten die wél voorliggen in de strafzaak van de verdachte. In zoverre heeft ook de verdachte in het algemeen een belang om bij zijn bewijsverweren ook de inhoud van verklaringen van de kroongetuigen te betrekken die door de kroongetuige zijn afgelegd over andere dan aan de verdachte verweten strafbare feiten. En in die sleutel ligt tevens een relativering besloten. Een onderzoek naar de betrouwbaarheid van een door een kroongetuige afgelegde verklaring in het bestek van de strafzaak waarin zijn verklaringen door het Openbaar Ministerie zijn ingebracht kan uit de aard van dat bestek en gelet op het doel van dat onderzoek niet ook zijn gericht op het in rechte vaststellen van veronderstelde strafrechtelijke betrokkenheid van die kroongetuige bij strafbare feiten. In de aan het hof ter berechting voorliggende zaak geldt die beperking ten aanzien van [Peter La S.] voor zover het bijvoorbeeld gaat om zijn vermeende betrokkenheid bij de moord op [slachtoffer 13] . Ten aanzien van de kroongetuige [Fred R.] geldt die beperking voor zover het gaat om zijn vermeende betrokkenheid bij het misdrijf, waarbij [Cor van H.] en [slachtoffer 12] in 2003 als slachtoffers om het leven zijn gekomen. Wel is het in het algemeen denkbaar dat er sterke aanwijzingen voor die betrokkenheid kunnen ontstaan. Daardoor kan de officier van justitie overgaan tot het instellen van een (opsporings)onderzoek waarin hij de kroongetuige (alsnog) als verdachte aanwijst. En ook is het in het algemeen denkbaar dat de Staat de met de kroongetuige gemaakte afspraak tussen partijen ter discussie stelt. Beide gevolgen als zodanig hebben echter geen effect in de strafzaak van de verdachte. Wel kan het zijn dat dit een en ander de betrouwbaarheid van door de kroongetuige afgelegde verklaringen zodanig aantast dat die verklaringen daardoor niet meer voor bewijsgebruik in aanmerking komen. Het hof zal in het navolgende eerst de formele verweren en vervolgens de bruikbaarheid van de door deze twee getuigen afgelegde verklaringen voor het bewijs beoordelen, ambtshalve en naar aanleiding van gevoerde verweren. Korte samenvatting Hoofdstuk 1.6 - De beoordeling van de afspraken die de officier van justitie met kroongetuigen heeft gemaakt geschiedt primair door de rechter-commissaris. Dit is in de wet met zoveel woorden geregeld. De beoordeling van die afspraken door de zittingsrechter vindt plaats naar aanleiding van gevoerde verweren, geplaatst in de sleutel van vormverzuimen in de betekenis van artikel 359a Sv en artikel 6 EVRM. 2De ontvankelijkheid van de officier van justitie Door de verdediging zijn verweren gevoerd die primair zien op de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging. Deze zullen hier worden besproken. Voor zover deze verweren subsidiair of meer subsidiair strekken tot bewijsuitsluiting of strafvermindering, zullen die bepleite gevolgen hier eveneens worden besproken. 2.1 De overeenkomsten met (kroon)getuigen en de mate van door het Openbaar Ministerie betrachte magistratelijkheid 2.1.1 Het gevoerde verweer, ingedeeld in rubrieken De raadsman heeft een breed en samenhangend samenstel van handelen en nalaten door dan wel toe te rekenen aan het Openbaar Ministerie beschreven. Dat handelen en nalaten laat zich als volgt rubriceren. De wijze waarop het Openbaar Ministerie vorm en inhoud heeft gegeven aan de bejegening en beloning van (kroon)getuigen. De mate van door het Openbaar Ministerie betrachte magistratelijkheid bij (het bijdragen aan) de waarheidsvinding. De deplorabele detentie-omstandigheden van [Jesse R.] in Marokko en het aldaar verstoken zijn en blijven van toegang tot een Nederlandse raadsman. Aan dat hierna nader in essentie weer te geven palet zijn grieven en verweren verbonden die zowel op zichzelf beschouwd als in samenhang uitmonden in het primaire verzoek het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging te verklaren; subsidiair is bewijsuitsluiting van de verklaringen van de getuigen [Peter La S.] , [Fred R.] , [getuige 32] en [getuige 1] bepleit, meer subsidiair de toepassing van strafvermindering. Het hof zal, de hiervoor aangebrachte rubricering volgend, de onderdelen van het verweer weergeven en aansluitend beoordelen of die klachten hout snijden. Indien en voor zover de beoordeling door het hof uitmondt in gegrondverklaring van onderdelen van het verweer komen daarna de vragen naar het te hanteren toetsingskader en de sanctionering aan de orde. 2.1.2 De eerste rubriek: de wijze waarop het Openbaar Ministerie vorm en inhoud heeft gegeven aan de bejegening en beloning van (kroon)getuigen 2.1.2.1 Wat is aangevoerd De raadsman heeft de wettelijke regeling en de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet toezeggingen aan getuigen in strafzaken (Wetboek van Strafvordering, Boek II, Titel III, Afd. 4B) aan een brede en diepgaande beschouwing onderworpen. De aanleiding voor deze beschouwing is gelegen in de toepassing die (leden van) het Openbaar Ministerie aan die wettelijke regeling heeft gegeven. Sterk samengevat en voor zover voor het navolgende van belang houdt het betoog van de raadsman het volgende in. De wetgever heeft met deze regeling een gesloten systeem in het Wetboek van Strafvordering willen opnemen waarin slechts de toezegging van vermindering van de strafeis is toegestaan. Daarnaast regelt het vierde lid van artikel 226 g Sv de restcategorie van de zogeheten kleine gunsten: toezeggingen die niet raken aan de (beantwoording van) de vragen van artikel 348-350 Sv. Zodra het Openbaar Ministerie zich buiten deze kaders beweegt bevindt het zich op uitdrukkelijk verboden terrein, zo volgt uit de wettelijke regeling en de geschiedenis van de totstandkoming daarvan. In weerwil van wat de wetgever met de Wet toezeggingen aan getuigen in strafzaken heeft geregeld en beoogd is het Openbaar Ministerie willens en wetens en stelselmatig buiten de oevers van die regeling getreden. Dat het Openbaar Ministerie daartoe bereid en in staat is blijkt in het algemeen al uit de op die regeling gegronde Aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken, en in de onderhavige zaak uit de inhoud van de met de kroongetuigen [Peter La S.] en [Fred R.] gemaakte afspraken en de overigens aan ieder van hen gedane toezeggingen. Het zich onrechtmatig bewegen buiten die kaders kan door het Openbaar Ministerie niet met succes worden gepareerd door het het opportuniteitsbeginsel in stelling te brengen. De wetgever heeft met de regeling van toezeggingen aan getuigen in strafzaken nadrukkelijk ervoor gekozen de algemene handelingsvrijheid van het Openbaar Ministerie bij het doen van dergelijke toezeggingen aan banden te leggen en te normeren. Daarmee is het opportuniteitsbeginsel in zijn meest zuivere vorm – door de wetgever – beperkt in het geval waarin afzien van vervolging of van voordeelsontneming in de context van toezeggingen aan getuigen zou worden toegepast. Het onder de vlag van getuigenbescherming doen van toezeggingen die aan ieder zicht – ook dat van de rechter-commissaris – zijn onttrokken is derhalve evenzeer in strijd met de (bedoeling van
  3. de)wet. Toegespitst op de kroongetuige [Peter La S.] is met betrekking tot het handelen van het Openbaar Ministerie het volgende gebleken. De strafeis van 16 jaren gevangenisstraf voor de (wél) aan [Peter La S.] ten laste gelegde feiten had hoger kunnen zijn, temeer nu hij voor zijn betrokkenheid bij een aantal zaken waarover hij wél heeft verklaard toch niet is vervolgd. Bevestiging voor de juistheid van deze stelling kan gevonden worden in de door het Openbaar Ministerie in samenhangende strafzaken (verdachten [betrokkene 2] , [betrokkene 3] , [Ali A.] , [Dino S.] , [Fred R.] en [Jesse R.] ) geformuleerde strafeisen. Door in de strafzaak tegen [Peter La S.] niettemin slechts 8 jaren gevangenisstraf te eisen is sprake van een deels verkapte toezegging tot strafvermindering, waarmee het wettelijk toegestane maximum van korting de facto is overschreden. Anders dan in de zaken van zijn medeverdachten is [Peter La S.] niet vervolgd voor het deelnemen aan een criminele organisatie en evenmin voor zijn strafbare betrokkenheid bij in een aantal deeldossiers beschreven feiten. De tegenwerping van het Openbaar Ministerie dat ook die strafbare gedragingen van [Peter La S.] bij de bepaling van de strafeis van 16 jaren zijn meegenomen is moeilijk te volgen. Daarbij komt, dat de inhoud van de dossiers, waarin de resultaten van het onderzoek naar de gewelddadige dood van Betlehem en een aanslag op [slachtoffer 15] zijn beschreven, voldoende aanknopingspunten biedt voor een succesvolle vervolging van [Peter La S.] . Voor die feiten is echter evenmin vervolging ingesteld. Al met al moet worden geconcludeerd dat hierdoor sprake is geweest van verkapte immuniteitstoezeggingen aan [Peter La S.] . Deze toezeggingen zijn in strijd met de (bedoeling van
  4. de)wet en dus onrechtmatig gedaan. Aan [Peter La S.] is als onderdeel van de met hem gemaakte afspraak toegezegd dat het door hem als criminele beloning voor zijn aandeel in de moord op Houtman ontvangen geldbedrag (65.000 Euro) niet als wederrechtelijk verkregen voordeel aan hem wordt ontnomen. Deze toezegging is in strijd met de (bedoeling van
  5. de)wet en dus onrechtmatig gedaan. Aan [Peter La S.] is heimelijk toegezegd dat hij niet ook over een specifieke verdachte, namelijk [Willem H.] , nader hoefde te verklaren. Deze toezegging heeft te gelden als een tussen [Peter La S.] en de Staat gemaakte afspraak, die bij [Peter La S.] verwachtingen heeft gewekt over wat van hem in de context van de gemaakte kroongetuigenafspraak kon worden verlangd. Ook deze toezegging is onrechtmatig gedaan. Met betrekking tot het onderwerp bescherming van de getuige [Peter La S.] is gebleken van ernstig onrechtmatig handelen aan de zijde van het Openbaar Ministerie. Die onrechtmatige gang van zaken met betrekking tot zijn getuigenbescherming laat zich in de volgende onderdelen onderscheiden. - De wetgever heeft tot uitgangspunt genomen dat getuigenbescherming zich niet leent voor onderhandelingen met de getuige in kwestie; elke vorm van financiële genoegdoening is door de wetgever uit den boze geacht. Het Openbaar Ministerie heeft aan [Peter La S.] veel verdergaande toezeggingen gedaan dan die in het kader van getuigenbescherming geëigend, noodzakelijk of gerechtvaardigd waren. De wet ontbeert iedere grondslag voor het doen van financiële toezeggingen aan getuigen. Deze toezeggingen kunnen niet rechtmatig worden gedaan, ook niet onder de vlag van getuigenbescherming. Door zich jegens [Peter La S.] te verplichten in de vorm van een extreem riante financiële constructie handelt het Openbaar Ministerie in strijd met de wet althans met de expliciete en kenbare bedoelingen van de wetgever. Daarbij komt, dat het magistratelijk Openbaar Ministerie heeft nagelaten om de met uitoefening van met beveiliging gepaard gaande bevoegdheden aan kenbare regels te onderwerpen. - Door in afwijking van – naar het hof de raadsman begrijpt – de Aanwijzing beveiliging van personen, objecten en diensten aan [Peter La S.] als kroongetuige wél inspraak te geven in de wijze waarop zijn beveiliging plaatsheeft, schendt het Openbaar Ministerie zowel diens magistratelijke verantwoordelijkheden als de eigen Aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken. - Het Openbaar Ministerie heeft in strijd met het wettelijk systeem gehandeld door in de getuigenbeschermingsovereenkomst een absolute geheimhoudingsverplichting op te nemen. Het Openbaar Ministerie is er zelfs niet voor teruggedeinsd om aan [Peter La S.] voor te houden dat de overeenkomst zal worden ontbonden als hij op vragen over zijn bescherming antwoord geeft, ook als hij dit doet in antwoord op door de rechter aan hem gestelde vragen. Daarmee neemt het Openbaar Ministerie plaats op de stoel van de rechter waar het met betrekking tot de ontnemingstoezegging al plaatsnam op de stoel van de wetgever. - Het Openbaar Ministerie heeft in strijd met wat de wet in artikel 226j Sv regelt en overigens daarmee beoogt te waarborgen, de rechter-commissaris niet ingelicht over het geheel van de met [Peter La S.] over zijn bescherming gemaakte afspraken, terwijl het Openbaar Ministerie wist dat de getuigenbeschermingsafspraken voor [Peter La S.] een voorwaarde waren om te komen tot het afleggen van zijn verklaringen. Dat de rechter-commissaris tijdens de gedingfase in hoger beroep alsnog heeft kunnen kennisnemen van met [Peter La S.] gesloten overeenkomsten neemt deze onrechtmatigheid niet weg, nu dat kennisnemen geen (proportionaliteits)toetsing inhield doch uitsluitend zag op de vraag naar het bestaan van inhoudelijke samenhang tussen de zgn. overeenkomst op hoofdlijnen uit 2009 en de zgn. intentieverklaring financiële bepalingen uit 2007. - De informatieverstrekking door het Openbaar Ministerie over de met [Peter La S.] gemaakte beschermingsafspraken is misleidend geweest. Steeds is de indruk gewekt dat het samenstel van voorwaarden dat in die “intentieverklaring financiële bepalingen” uit 2007 was opgenomen in die “overeenkomst op hoofdlijnen” uit 2009 was overgenomen, terwijl genoegzaam is gebleken dat [Peter La S.] te kennen had gegeven zelf in zijn door de Staat te financieren bescherming te willen voorzien. - Onduidelijkheid is blijven bestaan over welke geledingen binnen de organisatie van het Openbaar Ministerie betrokken zijn geweest bij de door de verdediging gewraakte informatievoorziening. Het gevolg van dit een en ander is geweest dat de verdachte [Jesse R.] zich heeft te verdedigen tegen een kroongetuige die voor een groot aantal zeer ernstige feiten dragend althans zwaarwegend bewijs heeft aangeleverd. Dit, terwijl aan de kroongetuige [Peter La S.] in strijd met de (bedoeling van
  6. de)wet toezeggingen zijn gedaan die hem een financieel motief geven om in strijd met de waarheid te verklaren. Over die toezeggingen is geen, althans onvoldoende, juiste informatie verstrekt als gevolg waarvan de betrouwbaarheid van die verklaringen niet, althans onvoldoende, kan worden vastgesteld. Toegespitst op de kroongetuige [Fred R.] is met betrekking tot het handelen van het Openbaar Ministerie het volgende gebleken. a. De met de getuige [Fred R.] gemaakte afspraak kan de proportionaliteitstoetsing niet doorstaan. Het Openbaar Ministerie heeft in de strafzaak tegen [Fred R.] in eerste aanleg fors stelling genomen, zoals blijkt uit de vordering van de officier van justitie tot oplegging van een levenslange gevangenisstraf en de onderbouwing daarvan. Het is in het licht van de proportionaliteitsvraag moeilijk te begrijpen dat het Openbaar Ministerie, bij gelegenheid van de vordering tot toetsing van de voorgenomen afspraak bij de rechter-commissaris, in het geheel geen melding heeft gemaakt van dat eerder ingenomen standpunt en van die gemaakte ommezwaai. Kennelijk in dat door het Openbaar Ministerie ingezette spoor heeft de rechter-commissaris evenmin een overweging gewijd aan dit aspect, terwijl juist de proportionaliteitstoets een zeer belangrijk onderdeel vormt van de (voorlopige) rechtmatigheidstoetsing door de rechter-commissaris. Daarbij komt, dat [Fred R.] eerder in een andere zaak is vervolgd ter zake van betrokkenheid bij een levensdelict, terwijl in de zaak tegen [Jesse R.] al een kroongetuige figureerde, namelijk [Peter La S.] . Ook deze twee aspecten raken aan de vraag naar de proportionaliteit van de met [Fred R.] gemaakte afspraak. Voorts roept de – na een eis tot levenslange gevangenisstraf in eerste aanleg – aan [Fred R.] toegezegde maximale strafvermindering in dit verband verbazing op. Deze is zonder meer een contra-indicatie voor het aannemen van de proportionaliteit van de met [Fred R.] gemaakte afspraak Het Openbaar Ministerie heeft in strijd met het wettelijk systeem gehandeld door in de getuigenbeschermingsovereenkomst een absolute geheimhoudingsverplichting op te nemen. Daarmee neemt het Openbaar Ministerie plaats op de stoel van de rechter. Het Openbaar Ministerie heeft, in strijd met wat de wet in artikel 226j Sv regelt en daarmee beoogt te waarborgen, de rechter-commissaris niet ingelicht over het geheel van de met [Fred R.] gemaakte afspraken over zijn bescherming, terwijl het Openbaar Ministerie wist – want daarvoor moet het worden gehouden – dat de getuigenbeschermingsafspraken voor [Fred R.] een voorwaarde waren om te komen tot het afleggen van verklaringen. Aan [Fred R.] is als onderdeel van de met hem gemaakte afspraak toegezegd dat wordt afgezien van het ontnemen van zijn door criminele activiteiten verkregen voordeel. De daarvoor door het Openbaar Ministerie aangedragen argumenten zijn niet alleen niet overtuigend, maar ook en vooral is deze ontnemingstoezegging in strijd met de (bedoeling van
  7. de)wet en dus onrechtmatig gedaan. Met betrekking tot het onderwerp bescherming van de getuige [Fred R.] is gebleken van onrechtmatig handelen door het Openbaar Ministerie. Op grond van de inhoud van een door drie officieren van justitie opgemaakt proces-verbaal, bezien in samenhang met de verklaringen van nadien door het hof als getuigen gehoorde officieren van justitie, bestaan sterke aanwijzingen dat met [Fred R.] is overeengekomen dat hij met financiële ondersteuning van de Staat zelf in zijn bescherming mag voorzien. Waar dit in het geval van [Peter La S.] voldoende is komen vast te staan bestaan ten aanzien van [Fred R.] sterke aanwijzingen dat ook aan hem als kroongetuige toezeggingen zijn gedaan die in strijd zijn met de (bedoeling van
  8. de)wet. Het gevolg daarvan is dat aan hem een financieel motief is gegeven om in strijd met de waarheid te verklaren, terwijl over die toezeggingen geen althans verregaand onvoldoende juiste informatie is verstrekt. Daardoor kan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [Fred R.] niet althans onvoldoende kan worden vastgesteld. Toegespitst op de getuigen [getuige 32] en [getuige 1] is met betrekking tot het handelen van het Openbaar Ministerie het volgende gebleken. De door het Openbaar Ministerie ten aanzien van de getuigen [getuige 32] en [getuige 1] gevolgde werkwijze getuigt van het ongeclausuleerd en ongecontroleerd doen van verregaande (financiële) beloften, terwijl die getuigen hun medewerking aan het afleggen van verklaringen afhankelijk hebben gemaakt van dergelijke beloften. Aan de verdachte tegen wie dergelijke verklaringen worden ingebracht wordt de mogelijkheid ontnomen om die belangen ter toetsing aan de strafrechter voor te leggen. Dit raakt rechtstreeks aan de mogelijkheden van [Jesse R.] om een eerlijk proces te krijgen. 2.1.2.2 Beoordeling door het hof 2.1.2.2 Inleidend Het hof zal aan de beoordeling van de eerste rubriek van het verweer de weergave van de toepasselijke regelgeving vooraf laten gaan. Daarna komen achtereenvolgens de onderwerpen getuigenbescherming, de met de kroongetuige [Peter La S.] gemaakte afspraak, en de zogenoemde [Willem H.] -weglatingen aan de orde. Het onderwerp getuigenbescherming is een van de pijlers waarop dit onderdeel van het verweer rust. Het hof zal hierna samengevat weergeven wat door de verdediging hierover ter onderbouwing is aangevoerd en het op bescherming van de (kroon)getuigen [Peter La S.] , [Fred R.] , [getuige 32] en [getuige 1] toegespitste verweer bespreken. Vervolgens zal het hof in dit hoofdstuk een andere pijler van het verweer bespreken, waarbij de afspraak van de officier justitie met de kroongetuige [Peter La S.] centraal staat. Diverse aspecten passeren in dat verband de revue: de plaats van het opportuniteitsbeginsel naast de kroongetuigeregeling, de rol van de zittingsrechter, de beoordeling van concrete gevallen van het afzien van vervolging van en voordeelsontneming onder [Peter La S.] , en de hoogte van de basis-strafeis. Ook ten aanzien van [Fred R.] komt het afzien van voordeelsontneming aan de orde. Tot slot wordt beoordeeld of het gegeven van de zogenoemde [Willem H.] -weglatingen voor de kroongetuige [Peter La S.] ook een ongeoorloofde beloningscomponent inhoudt. 2.1.2.2.2 De toepasselijke regelgeving In het Wetboek van Strafvordering (Boek II, Titel III) is de Wet toezeggingen aan getuigen in strafzaken opgenomen. In afdeling 4b van die titel van dat boek is die regeling toegespitst op toezeggingen aan de getuige die tevens verdachte is. Deze regeling houdt, voor zover van belang, het volgende in. Vierde afdeling B Toezeggingen aan getuigen die tevens verdachte zijn Artikel 226g 1. De officier van justitie geeft aan de rechter-commissaris kennis van de afspraak die hij voornemens is te maken met een verdachte die bereid is een getuigenverklaring af te leggen in de strafzaak tegen een andere verdachte in ruil voor de toezegging dat bij de vervolging in zijn eigen strafzaak strafvermindering met toepassing van artikel 44a van het Wetboek van Strafrecht zal worden gevorderd. (…) De afspraak heeft uitsluitend betrekking op strafvermindering als bedoeld in artikel 44a, tweede lid. 2. De voorgenomen afspraak is op schrift gesteld en bevat een zo nauwkeurig mogelijke omschrijving van: a. de misdrijven waarover en zo mogelijk de verdachte tegen wie de getuige, bedoeld in het eerste lid, bereid is een getuigenverklaring af te leggen; b. de strafbare feiten waarvoor de getuige in de zaak waarin hij zelf verdachte is, zal worden vervolgd en op welke die toezegging betrekking heeft; c. de voorwaarden die aan de getuige, tevens verdachte, worden gesteld en waaraan hij bereid is te voldoen; d. de inhoud van de toezegging van de officier van justitie. (…) Van afspraken die niet worden aangemerkt als een afspraak, bedoeld in het eerste lid, en die voor het onderzoek in de zaak van betekenis kunnen zijn, wordt proces-verbaal opgemaakt. Dit proces-verbaal wordt door de officier van justitie ten spoedigste bij de processtukken gevoegd. Artikel 226h (…) (…) De rechter-commissaris beoordeelt de rechtmatigheid van de afspraak; hij houdt daarbij rekening met de dringende noodzaak en met het belang van het verkrijgen van de door de getuige af te leggen verklaring. Hij geeft tevens een oordeel over de betrouwbaarheid van de getuige. Hij legt zijn oordeel neer in een beschikking. Indien hij de afspraak rechtmatig oordeelt, komt deze tot stand. (…) Artikel 226j (…) (…) 3. Zodra het belang van het onderzoek dat toelaat, geeft de rechter-commissaris van het tot stand komen van de afspraak en de inhoud daarvan kennis aan de verdachte, te wiens laste de verklaring is afgelegd, met dien verstande dat geen mededeling wordt gedaan van de maatregelen van artikel 226l. Vierde afdeling D Maatregelen tot bescherming van getuigen Artikel 226l 1. Onze Minister van Veiligheid en Justitie kan op bij algemene maatregel van bestuur te bepalen wijze specifieke maatregelen treffen voor de feitelijke bescherming van getuigen, bedoeld in de artikelen (…) 226g (…). Het College van procureurs-generaal heeft in aansluiting op deze wettelijke regeling op de voet van artikel 130, vierde lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie aanwijzingen gegeven die zijn neergelegd in de Aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken. Deze Aanwijzing houdt, voor zover van belang, het volgende in. 1. Bereik van de aanwijzing 1.1. De aanwijzing heeft betrekking op de getuige die tevens verdachte (…) is en aan wie door het openbaar ministerie een toezegging tot strafvermindering wordt gedaan in ruil voor het afleggen van een getuigenverklaring. 1.2. De aanwijzing heeft voorts betrekking op het gebruik van wettelijke bevoegdheden door de officier van justitie die op enigerlei wijze een begunstigende invloed kunnen hebben op de bereidheid tot het afleggen van een getuigenverklaring, maar die niet strekken tot strafvermindering (beslissingen over regiem e.d.). Toepassing van dergelijke bevoegdheden behoort tot de reguliere taken van het OM en is van relatief geringe impact en raakt niet rechtstreeks aan de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Wetboek van Strafvordering. Indien er sprake is van een uitdrukkelijk en causaal verband tussen toepassing van dergelijke bevoegdheden en de door de getuige af te leggen verklaring, dan dient deze toepassing te worden vastgelegd bij proces-verbaal en aan het strafdossier van de getuige en de verdachte te worden toegevoegd (artikel 226g, vierde lid). (…). 1.5. De aanwijzing is van toepassing op de strafvordering in eerste aanleg en in hoger beroep. 2. Uitgangspunten 2.1. Getuigen hebben in beginsel de plicht om een getuigenverklaring voor de rechter af te leggen, indien zij daartoe een wettelijke oproeping ontvangen, zonder dat zij aanspraak kunnen maken op enige toezegging of tegemoetkoming van het openbaar ministerie. Slechts bij uitzondering (indien het belang van het onderzoek dit dringend vordert) kan het doen van een toezegging worden overwogen. 2.2. Bij het doen van de toezegging door de officier van justitie houdt hij rekening met de vereisten van proportionaliteit, subsidiariteit, zorgvuldigheid en interne openbaarheid. 2.3. Aan een getuige aan wie een toezegging wordt gedaan, moet een reëel voordeel in het vooruitzicht worden gesteld. Een toezegging die niet meer behelst dan hetgeen de officier van justitie onder normale omstandigheden met toepassing van het bestaande beleid zou hebben besloten (bij voorbeeld sepot gering feit), is geen toezegging in de zin van deze aanwijzing. 2.4. Maatregelen tot het treffen van getuigenbescherming zullen veelal als onderdeel van de toezegging door de getuige worden verlangd, maar dienen los te worden gezien van de onderhandelingen en totstandkoming van de toezegging. De maatregelen ter fysieke beveiliging kunnen worden getroffen indien daartoe noodzaak en mogelijkheid bestaat, ook als geen overeenstemming wordt bereikt over de toezegging. Wel is mogelijk dat in de overeenkomst met de getuige wordt opgenomen dat de officier van justitie het treffen van de nodige maatregelen op grond van het Besluit getuigenbescherming zal bevorderen. 2.5. Toezeggingen tot strafvermindering worden ter toetsing voorgelegd aan de rechter-commissaris in het kader van een opsporingsonderzoek naar bepaalde ernstige misdrijven (artikel 226g, eerste lid, jo. artikel 226h, derde lid Sv). Overige toezeggingen van beperkte aard worden geverbaliseerd en in het dossier gevoegd van de verdachte ten laste van wie wordt verklaard (artikel 226g, vierde lid Sv). Ter uitvoering van de in artikel 226l Sv aan de Minister van Justitie toegekende bevoegdheid is het Besluit getuigenbescherming vastgesteld. De in dit Besluit neergelegde regeling bevat het algemene kader voor de uitvoering van getuigenbescherming. De kern van de regeling komt op het volgende neer. Het College van procureurs-generaal is bevoegd te beslissen omtrent het al dan niet treffen van beschermingsmaatregelen. In bijzondere gevallen wordt een voorgenomen beslissing voorgelegd aan de Minister van Justitie. Het team getuigenbescherming is belast met het opstellen van dreigingsanalyses, de advisering over en uitvoering van beschermingsmaatregelen. Het feit dat het College bevoegd is besluiten te nemen ter zake van het treffen van beschermingsmaatregelen heeft tot gevolg dat noch de politie, noch de officier van justitie zonder onderliggend besluit van het College definitieve toezeggingen aan getuigen kan doen omtrent te treffen beschermingsmaatregelen. De hoofdofficier van justitie die verantwoordelijk is voor de vervolging in het kader waarvan een persoon bescherming behoeft dient een schriftelijk verzoek in tot het doen treffen van beschermingsmaatregelen. De officier van justitie bij het landelijk parket, belast met getuigenbescherming, treedt op als intermediair tussen het College van procureurs-generaal en het team getuigenbescherming. Het besluit ziet niet op de bescherming van personen en instellingen die buiten een strafvorderlijke context behoefte hebben aan beschermingsmaatregelen, zoals hoogwaardigheidsbekleders of andere personen die in verband met hun functie worden bedreigd. Hun bescherming is geregeld in het kader van het Stelsel bewaken en beveiligen. Voorafgaand aan de uitvoering van de maatregelen wordt namens de Staat door de officier van justitie, belast met getuigenbescherming, een schriftelijke overeenkomst gesloten met de te beschermen persoon. Met de ondertekening van deze overeenkomst verbinden partijen zich tot het nakomen van de verplichtingen die uit de overeenkomst voortvloeien en die verband houden met de uitvoering van de beschermingsmaatregelen. Tot slot verdient nog het bestaan van de Instructie getuigenbescherming vermelding. Deze Instructie is vastgesteld door het College van procureurs-generaal en bevat een nadere precisering van de procedures die bij de toepassing van getuigenbescherming moeten worden gevolgd. Vanwege het interne karakter ervan is deze Instructie niet gepubliceerd. Het hof zal het in artikel 226g Sv e.v. gebezigde begrip afspraak in het navolgende ook aanduiden met: de verklaringsafspraak. De in artikel 4 van het Besluit getuigenbescherming genoemde overeenkomst wordt in het navolgende ook aangeduid met: de beschermingsafspraak. 2.1.2.2.3 Is de met de kroongetuige [Fred R.] gemaakte afspraak proportioneel? De raadsman heeft de proportionaliteit van de met de kroongetuige [Fred R.] gemaakte afspraak betwist. Hij heeft daarbij gewezen op het feit dat het Openbaar Ministerie in eerste aanleg een levenslange gevangenisstraf voor [Fred R.] had geëist en de ommezwaai naar een maximale strafvermindering voor diezelfde [Fred R.] niet bij de toetsing van de voorgenomen afspraak heeft betrokken. [Fred R.] was bovendien al eens vervolgd voor betrokkenheid bij een levensdelict. Ook was er in de zaak tegen [Jesse R.] al een kroongetuige. Bij de beoordeling van dit verweer stelt het hof voorop wat het eerder in dit arrest heeft overwogen over de rol van de zittingsrechter bij de beoordeling van de verklaringsafspraak als bedoeld in artikel 226g Sv. Onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis heeft het hof vastgesteld dat het zwaartepunt van die rol ligt bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen van de kroongetuige. In het beslismodel dat de zittingsrechter hanteert kunnen daaraan vragen voorafgaan die betrekking hebben op de bruikbaarheid van de verklaringen in juridisch opzicht. In dat verband kan ook de vraag aan de orde zijn of het gaat om bewijs dat rechtmatig is verkregen. Dat geschiedt aan de hand van verweren op de voet van artikel 359a Sv. Voorts acht het hof het bij de bespreking van dit onderdeel van het verweer van belang het onderscheid tussen enerzijds de rechtmatigheid en anderzijds de doelmatigheid van de toepassing van opsporingsbevoegdheden te accentueren. De beoordeling welke werkwijze in het kader van opsporing en vervolging doelmatig is, is voorbehouden aan de officier van justitie. Het is bij uitstek deze functionaris die strategie en tactiek in de opsporing, waaronder begrepen de inzet van opsporingsmethoden, bepaalt. De rechter heeft daarin in beginsel geen rol. Ook in die gevallen waarin een voorafgaande rechterlijke machtiging is vereist, is dit het uitgangspunt. De raadsman heeft zijn standpunt onderbouwd aan de hand van handelingen van de officier van justitie die primair verband houden met keuzes die deze heeft gemaakt op basis van een inschatting van de bewijspositie en de gerechtvaardigdheid van een strafeis in de zaak van de kroongetuige. Niet valt in te zien dat de zittingsrechter in de beoordeling hiervan in de strafzaak van de verdachte een taak heeft. Het gaat immers niet om vormverzuimen die binnen het toetsingskader van artikel 359a Sv aan de zittingsrechter kunnen worden voorgelegd. Dit moge ook blijken uit het gegeven dat het nadeel voor de verdachte door de raadsman niet is geconcretiseerd. Zoals het hof ook eerder in dit arrest heeft overwogen kan artikel 6 EVRM een zelfstandige toetssteen vormen bij de beoordeling van verweren als hiervoor bedoeld. Er moet immers altijd een mogelijkheid zijn om vormen van aperte beknotting van verdedigingsrechten aan de zittingsrechter voor te leggen. Echter niet valt in te zien dat de klachten van de raadsman tot het oordeel moeten leiden dat door de afspraak met [Fred R.] een eerlijke procesvoering in gevaar is gekomen. Het verweer wordt verworpen. 2.1.2.2.4 Getuigenbescherming De uitleg van de regeling De wettelijke regeling beperkt zowel het onderwerp waarover de officier van justitie met de criminele getuige een afspraak kan maken – het afleggen van een getuigenverklaring – als wat door hem in ruil voor die verklaring aan de criminele getuige mag worden toegezegd: een vordering tot strafvermindering in de strafzaak van die criminele getuige. Het is deze, naar inhoud en reikwijdte begrensde, voorgenomen afspraak die door de rechter-commissaris op de voet van art. 226h, derde lid, Sv op rechtmatigheid wordt beoordeeld. Naast deze toezegging is de officier van justitie bevoegd ook nog andere toezeggingen aan die criminele getuige te doen. De Aanwijzing, waarover later meer, omschrijft deze laatstbedoelde categorie van toezeggingen als “het verrichten van handelingen die vallen binnen de normale bevoegdheden van de officier van justitie, die een relatief geringe betekenis hebben en niet rechtstreeks aan de beantwoording van art. 348 en 350 Sv raken, maar die wel op enigerlei wijze invloed kunnen hebben op de bereidheid tot het afleggen van een getuigenverklaring.“ Met betrekking tot deze categorie van toezeggingen schrijft de wet in artikel 226g, vierde lid, Sv voor dat daarvan proces-verbaal wordt opgemaakt met het oog op voeging daarvan bij de processtukken. Uit het samenstel van de wettelijke regeling en de toepasselijke beleidsregels volgt, dat met betrekking tot de rechtmatigheid en de doelmatigheid van maatregelen van getuigenbescherming in de strafvorderlijke context, aan de strafrechter in het geheel geen toetsende rol is toebedeeld. Niet op vordering van de officier van justitie, en ook overigens niet. Naar het oordeel van het hof laat dit zich begrijpen tegen de achtergrond van hetgeen met getuigenbescherming wordt beoogd. Het gaat om adequate bescherming van een persoon bij wie daaraan, door diens optreden in een strafvorderlijke context, behoefte is ontstaan. Het bieden van die bescherming vloeit rechtstreeks voort uit de op de Staat rustende zorgplicht jegens de getuigen, voor zover daartoe de dringende noodzaak bestaat als gevolg van door hen verleende medewerking aan de met de opsporing en vervolging van strafbare feiten belaste autoriteiten. Gelet op die taak- en doelstelling valt te begrijpen dat en waarom de wetgever geen bijzondere grondslag heeft gecreëerd op grond waarvan de rechter in de strafvorderlijke kolom is aangewezen als de tot toetsing van recht- en doelmatigheid van beschermingsmaatregelen bevoegde autoriteit. Dat de noodzaak tot het bieden van bescherming voortspruit uit de medewerking die de getuigen in een strafvorderlijke context hebben verleend maakt dat vanuit deze systematiek bezien niet anders. Met het voorgaande is tevens verklaard dat een materieel (toetsings-)kader voor de wijze waarop de Staat uit hoofde van zijn zorgplicht aan getuigenbescherming vorm en inhoud geeft in de hierboven aangehaalde regelingen ontbreekt en dat de wet niet meer inhoudt dan dat de minister specifieke beschermingsmaatregelen kan treffen. Wel volgt uit de inhoud van en toelichting op het Besluit dat de beschermingsmaatregelen in directe relatie staan tot de duur van een dreiging. De maatregelen hebben derhalve geen permanent karakter en hebben in beginsel niet tot doel volledig in het levensonderhoud van de betrokken persoon te voorzien. In het licht van deze heldere begrenzing en afbakening van de verklaringsafspraak roept de in het derde lid van art. 226j Sv aangebrachte beperking op de notificatieplicht van de rechter-commissaris op het eerste gezicht mogelijk verbazing op. Immers, op welke grond bestaat er noodzaak tot het aanbrengen van die beperking als de wettelijke regeling (in het bijzonder artikel 226g Sv) in de kern inhoudt dat beschermingsmaatregelen geen voorwerp van toezegging en afspraak mogen zijn en reeds daarom niet ter kennis kunnen zijn gekomen van de rechter-commissaris? De verdediging ziet in de laatstbedoelde bepaling, mede in het licht van wat de wet beoogt te waarborgen en van de wetsgeschiedenis, bevestiging voor de juistheid van de door haar betrokken stelling dat de wetgever ook de toetsing van beschermingsafspraken aan de rechter-commissaris heeft toevertrouwd. Bij dupliek is dit nader gepreciseerd in die zin dat het in elk geval om een marginale toetsing dient te gaan. In deze visie gaat de toetsing van beschermingsafspraken op in de toetsing van de rechtmatigheid van de door de officier van justitie met de criminele getuige gemaakte afspraak, die in het geval van een positieve beslissing van de rechter-commissaris in strafvorderlijke zin tot stand komt. Het hof volgt de verdediging in deze lezing en bepleite uitkomst niet. De wetsgeschiedenis levert –zoals door de raadsman van de verdachte [Jesse R.] in den brede is uiteengezet - het beeld op van een veeljarig proces dat in twee fasen uiteen valt. Daarbij is sprake geweest van in de loop der tijd wisselende inzichten, zowel aan de zijde van de betrokken ministers als binnen de volksvertegenwoordiging. In het debat over de contouren van een verklaringsafspraak met een criminele getuige is langdurig en indringend stilgestaan bij het verbod tot het doen van financiële toezeggingen aan die getuige. Zo is in de Memorie van Toelichting met verwijzing naar de tekst van artikel 226j, derde lid, Sv het – in de context van de regeling als geheel al moeilijk denkbare – geval beschreven, waarin met de getuige ook afspraken zijn gemaakt over bescherming, die als zodanig deel uitmaken van de voorwaarden die in de verklaringsafspraak worden opgenomen. Het is in het daar bedoelde geval dat strafvorderlijke relevantie ontstaat. Dan zou ook dat onderdeel van de afspraak met het oog op toetsing van de rechtmatigheid van de verklaringsafspraak ter kennis van de rechter-commissaris gebracht dienen te worden. Maar noch de bewoordingen van genoemde bepaling, noch de geschiedenis van totstandkoming ervan bieden grond voor het oordeel dat die regeling voorschrijft c.q. meebrengt dat ook beschermingsafspraken de verklaringsafspraak hebben te volgen in het strafvorderlijke traject van rechtmatigheidstoetsing. Grammaticale beoordeling van de bepaling kan niet tot de conclusie leiden dat aan de rechter-commissaris een toetsende rol is opgedragen. Aangenomen moet worden dat de wetgever een bepaling waarin een bevoegdheid aan een rechterlijke autoriteit wordt toegekend op heldere en toegankelijke wijze redigeert. Op geen enkele wijze kan artikel 226j, derde lid, Sv zo worden gelezen dat daarin een toetsende rol aan de rechter-commissaris wordt gegeven. Reeds daarom kan de conclusie worden getrokken dat de rechter-commissaris deze bevoegdheid niet heeft. Daarbij komt, dat de wetssytematische benadering die de verdediging toepast in het algemeen een te smalle basis vormt om het bestaan van een strafvorderlijke bevoegdheid aan te nemen. In dit concrete geval vergt het standpunt van de verdediging bovendien teveel speculatieve redeneerstappen. In de kern houdt dit immers in dat de instructie om de inhoud van getuigenbeschermingsmaatregelen niet ter kennis te brengen van de verdachte de bevoegdheid c.q. opdracht impliceert om deze maatregelen (steeds) te toetsen. Het enkele feit dat uit de wetsgeschiedenis kan worden opgemaakt dat is gedebatteerd over de plaats van getuigenbescherming in de wettelijke regeling en dat daarbij de vraag aan de orde is geweest of hierbij een rol van de rechter gewenst is, kan het gat in deze redenering niet dichten. Kortom, voor het mogelijk ontstaan van de hierboven bedoelde verbazing bij lezing van artikel 226j, derde lid, Sv bestaat welbeschouwd geen grond. Zo bezien sluit de inhoud van de met de kroongetuigen [Peter La S.] en [Fred R.] gesloten verklaringsovereenkomsten aan op het in paragraaf 2.4. van de Aanwijzing verwoorde en aan de wet ontleende uitgangspunt: maatregelen tot het treffen van getuigenbescherming dienen los te worden gezien van de onderhandelingen over en totstandkoming van de toezegging, ook al wordt met zoveel woorden onderkend dat dergelijke maatregelen veelal door de getuige als onderdeel van de toezegging worden beschouwd. In het licht van het voorgaande treedt het hof niet in de beoordeling van de wijze waarop de getuigenbescherming vorm en inhoud heeft gekregen. Dat geldt ook voor de gestelde onrechtmatigheid van de omstandigheden dat de kroongetuige inspraak heeft gekregen in de wijze waarop zijn beveiliging plaatsvindt en dat hem ten aanzien van die bescherming een geheimhoudingsverplichting is opgelegd. Het komt het hof overigens voor dat zowel het een als het ander aan het aangaan van een beschermingsovereenkomst niet als wezensvreemd kunnen worden beschouwd. 2.1.2.2.5 Ongeoorloofde toezeggingen? 2.1.2.2.5 Het verweer Door de verdediging is betoogd dat het Openbaar Ministerie, in afwijking van de met de getuigen [Peter La S.] en [Fred R.] gemaakte verklaringsafspraken en van hetgeen overigens door vertegenwoordigers van het Openbaar Ministerie dienaangaande is gerelateerd en verklaard, aan deze kroongetuigen toezeggingen heeft gedaan die het karakter hebben van (financiële) beloning voor het afleggen van hun getuigenverklaringen. Dit geldt ook voor de getuigen [getuige 1] en [getuige 32] . Aldus zijn in strijd met de (bedoeling van
  9. de)wet aan ieder van hen meer of minder verkapte financiële beloningen toegezegd die achter het door het Openbaar Ministerie gelegde rookgordijn van getuigenbescherming aan het zicht van het hof en de verdediging zijn onttrokken. Het gevolg daarvan is dat aan ieder van hen een financieel motief is gegeven om in strijd met de waarheid te verklaren, terwijl over die toezeggingen geen althans verregaand onjuiste informatie is verstrekt. Daardoor is het niet althans onvoldoende mogelijk om de betrouwbaarheid van de door ieder van hen afgelegde verklaringen te beoordelen, aldus de verdediging. In deze sleutel geplaatst heeft de verdediging dit verweer in onderdelen doen uiteenvallen, zoals hiervoor weergegeven. De verdediging leidt uit wat wél is gebleken over de feitelijke aard, vorm of inhoud van ten aanzien van de (kroon)getuigen getroffen beschermingsmaatregelen af, dat die maatregelen zodanig ondoelmatig en excessief zijn dat deze in redelijkheid niet strekken tot louter bescherming. Zij dienen te worden gekenmerkt als een financiële beloning voor het afleggen van getuigenverklaringen. Daarbij heeft de verdediging dit standpunt enigszins gedifferentieerd per getuige. In het bijzonder ten aanzien van de kroongetuige [Peter La S.] is meer informatie beschikbaar gekomen over de volgens de verdediging extreem riante financiële contouren van de ten aanzien van zijn persoon getroffen beschermingsmaatregelen. Voor zover dergelijke aanknopingspunten ontbreken houdt het verweer in dat aan het Openbaar Ministerie niet de vrijheid toekomt te volharden in de hardnekkige weigering om verdergaande informatie te verstrekken over de (financiële) contouren van de ten aanzien van de (kroon)getuigen getroffen beschermingsmaatregelen. 2.1.2.2.5.2 Bespreking van het verweer Het verweer beoogt een verbinding te leggen tussen, enerzijds, het strafvorderlijk optreden van het Openbaar Ministerie en de daarmee in het geding zijnde belangen, en, anderzijds, wat dit onder het gezag van het College van procureurs-generaal doet en nalaat in de sleutel van bescherming van (kroon)getuigen, wier verklaringen in de strafvervolging van de verdachte door het Openbaar Ministerie zijn ingebracht. Met het verweer worden twee vragen opgeworpen. De eerste vraag is of hetgeen wél is gebleken over de feitelijke aard, vorm, inrichting of inhoud van ten aanzien van een of meer van de (kroon)getuigen getroffen beschermingsmaatregelen reeds de conclusie rechtvaardigt dat die maatregelen zodanig ondoelmatig en excessief zijn dat deze in redelijkheid niet (kunnen) strekken tot bescherming doch (mede) moeten worden beschouwd als een financiële beloning voor het afleggen van getuigenverklaringen. In dat geval is mogelijk een situatie ontstaan die niet overeenstemt met de wettelijke regeling en die de wetgever uitdrukkelijk heeft willen voorkomen. De tweede vraag is of aan het Openbaar Ministerie de vrijheid toekomt te volharden in de weigering om verdergaande informatie te verstrekken over de (financiële) contouren van de ten aanzien van de (kroon)getuigen getroffen beschermingsmaatregelen en de interne besluitvorming daarover. In dat verband dient zich de rechtsvraag aan of op het Openbaar Ministerie de gehoudenheid rust om op grond van de (bedoeling van) de wettelijke regeling de (financiële) contouren van de beschermingsmaatregelen ter toetsing aan het hof, althans aan de rechter, voor te leggen. Het hof zal eerst de laatste als de meest verstrekkende vraag nader bespreken. Voldoende is komen vast te staan dat zowel ten aanzien van de kroongetuigen [Peter La S.] en [Fred R.] , als ten aanzien van de getuigen [getuige 1] en [getuige 32] beschermingsmaatregelen zijn getroffen. In aard en inhoud van die maatregelen is door het Openbaar Ministerie (vrijwel) geen inzicht geboden. De gang van zaken met betrekking tot de bescherming van de kroongetuige [Peter La S.] is in beide feitelijke instanties voorwerp van enig onderzoek geweest. Wat het onderzoek in hoger beroep betreft kan dit blijken uit hetgeen hierna nader uiteen wordt gezet in de gecursiveerd weergegeven overwegingen. De gehoudenheid van het Openbaar Ministerie om steeds de (financiële) contouren van getroffen beschermingsmaatregelen aan het hof ter toetsing op rechtmatigheid of doelmatigheid voor te leggen kan niet worden gegrond op de hierboven weergegeven bepalingen. Uit de wettelijke regeling blijkt immers – zoals het hof hierboven heeft overwogen – dat daarin geen toetsing aan de (straf)rechter is opgedragen van de rechtmatigheid (doelmatigheid daarvan in dit verband mede begrepen) van maatregelen die zijn getroffen voor de feitelijke bescherming van de getuige. Die gehoudenheid volgt evenmin uit de ratio van dat samenstel van bepalingen. De duiding die de verdediging heeft gegeven aan de wet en hetgeen daarmee is beoogd te waarborgen vormt daarvoor geen toereikend aanknopingspunt. Daarbij komt, dat de aard van het onderwerp zich al snel verzet tegen openbaarmaking. Dat getuigen – in de woorden van de verdediging – hun medewerking aan het afleggen van hun verklaringen afhankelijk maken van zicht op hun bescherming doet – wat daarvan overigens zij – die gehoudenheid niet alsnog ontstaan. Niet in de laatste plaats is nog het volgende van belang. Het enkele feit dat de resultaten van de voor ieder van de (kroon)getuigen [Peter La S.] , [Fred R.] , [getuige 32] en [getuige 1] uitgevoerde dreigingsanalyses de Staat hebben genoodzaakt tot het treffen van passende beschermingsmaatregelen maakt niet dat daardoor het onderzoek naar de betrouwbaarheid van hun verklaringen wordt belemmerd. Zij zijn allen als getuigen gehoord, ook ter terechtzitting, waarbij ook aan de verdediging de gelegenheid is geboden aan ieder van hen vragen te stellen. De door de getuigen afgelegde verklaringen zijn, mede tegen de achtergrond van de stukken in het dossier, toetsbaar op de betrouwbaarheid daarvan. Daaraan doet niet af dat de beantwoording van vragen is belet in de gevallen waarin dit afbreuk kan doen aan de effectiviteit van de ten aanzien van ieder van hen getroffen beschermingsmaatregelen. Evenmin valt in te zien dat en op welke grond de verdediging in enig belang is geschaad doordat het Openbaar Ministerie met de getuigen is overeengekomen – wat daarvan ook zij – dat het hen niet is toegestaan om vragen te beantwoorden die raken aan de getroffen beschermingsmaatregelen. Dit een en ander voert tot de slotsom dat er ook niet in de voorliggende gevallen op grond van de wet een gehoudenheid aan de zijde van het Openbaar Ministerie bestaat om de (financiële) contouren van de getroffen beschermingsmaatregelen bekend te maken. Niet valt in te zien dat en op welke grond de door de verdediging naar voren gebrachte argumenten die verplichting alsnog doen ontstaan. Evenmin is het Openbaar Ministerie ertoe gehouden aan het hof inzicht te geven in (het verloop van) de in het Besluit en de Instructie neergelegde procedure. Dit staat ter beoordeling aan de vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie die ter terechtzitting aan de rechter verantwoording aflegt over wat door dat Openbaar Ministerie, in het voorkomende geval ook als organisatie, is gedaan en nagelaten. Vervolgens ligt de eerste vraag ter beantwoording voor: rechtvaardigt hetgeen wél is gebleken over de feitelijke aard, vorm, inrichting of inhoud van ten aanzien van een of meer van de (kroon)getuigen getroffen beschermingsmaatregelen de conclusie dat die maatregelen zodanig ondoelmatig en excessief zijn dat deze in redelijkheid niet strekken tot bescherming, doch (mede) hebben te gelden als een financiële beloning voor het afleggen van getuigenverklaringen? De verdediging heeft uit de resultaten van het gehouden onderzoek, in het bijzonder waar dat betrekking heeft gehad op getuigenbescherming als bron van conflict tussen de kroongetuige [Peter La S.] en de Staat, afgeleid dat aan hem ontoelaatbare, te weten financiële, toezeggingen zijn gedaan, die bovendien op zichzelf beschouwd als extreem riant zijn aan te merken. Door de verdediging is in het bijzonder aandacht gevraagd voor het gegeven dat aan [Peter La S.] is toegestaan dat hij zelf in zijn bescherming heeft mogen voorzien, waarmee zeer aanzienlijke, door de Staat gefourneerde geldbedragen zouden zijn gemoeid. De verdediging houdt het ervoor dat de Staat in het geval van de kroongetuige [Fred R.] een vergelijkbare weg heeft bewandeld. Ter terechtzitting van 21 september 2015 heeft het hof overwegingen gewijd aan en beslissingen gegeven op verzoeken van de verdediging. Deze verzoeken strekten tot het verkrijgen van meer zicht op hetgeen door het Openbaar Ministerie in de sleutel van bescherming aan de kroongetuige [Peter La S.] is toegezegd en verstrekt. Omdat die verzoeken, overwegingen en beslissingen sterk samenhangen met dit onderdeel van het gevoerde verweer en de beoordeling daarvan wordt het een en ander hierna, voor zover van belang in dit verband, in cursief weergegeven. Het hof stelt voorop dat in artikel 226l Sv weliswaar is neergelegd dat de Minister van Justitie de bevoegdheid toekomt om op bij algemene maatregel van bestuur te bepalen wijze specifieke maatregelen te treffen voor feitelijke bescherming van zekere getuigen en personen, doch een bijzondere, op dergelijke maatregelen betrekkelijke wettelijke regeling, waarin aan de zittingsrechter (al dan niet na een daartoe gevoerd verweer) enige toetsende rol van dergelijke getroffen maatregelen is opgedragen, ontbreekt. Derhalve zal het hof als zittingsrechter bij de beoordeling van verweren die zien op het aan de verzoeken onderliggende speelveld zich hebben te richten op de in artikel 359a Sv neergelegde regeling van sanctionering van vormverzuimen, vanzelfsprekend naast het aan artikel 6 van het EVRM te ontlenen toetsingskader. Thans ligt evenwel niét aan het hof de beoordeling en beslissing van verweren, doch wél van aan de hand van de even genoemde maatstaf te beoordelen verzoeken voor. Voor de beoordeling of de noodzaak tot toewijzing van verzoeken zich voordoet geldt steeds als voorwaarde dat hetgeen is verzocht van belang is voor enige, door het hof te nemen beslissing. 2.2.2. De beoordeling en beslissing Het onderwerp van het treffen van specifieke maatregelen voor de feitelijke bescherming van de in art. 226l, eerste lid, Sv bedoelde getuigen ( [Peter La S.] en [Fred R.] ) als ook van de in het tweede lid van die bepaling bedoelde personen ( [getuige 32] ), brengt naar zijn aard mee dat de inhoud van (het samenstel van) die maatregelen zich in beginsel niet leent voor openbaarmaking. Immers, aangenomen moet worden dat openbaarmaking van die inhoud afbreuk doet aan het realiseren van het met het treffen van die maatregelen nagestreefde doel: het bieden van een effectieve feitelijke bescherming van personen in meest ruime zin. Het hof neemt aan dat de door de raadslieden gewenste openbaarmaking van de in de verzoeken bedoelde onderdelen en aspecten van de inhoud van het samenstel van maatregelen (al dan niet zijnde de vrucht van door de Staat met die getuigen/persoon gemaakte afspraken) per definitie slechts een gefragmenteerd en lacuneus beeld kan opleveren van al hetgeen in de sleutel van bescherming als geheel door de Staat wordt geboden en verricht. Daarbij komt, dat aard, omvang en inhoud van het samenstel van die maatregelen in hoge mate zullen zijn toegesneden op de specifieke situatie waarin ieder van de te beschermen personen (in casu: [Peter La S.] , [Fred R.] en [getuige 32] ) verkeert. Voorts mag worden aangenomen dat deze maatregelen rechtstreeks zullen samenhangen met en voortvloeien uit hetgeen de Staat op basis van de op ieder van die personen toegesneden dreigingsanalyse heeft vastgesteld. Wat die dreigingsanalyse betreft neemt het hof in aanmerking dat, waar in het algemeen het fenomeen van (be)dreiging in de tijd bezien in aard, intensiteit en omvang kan variëren, aangenomen moet worden dat hetzelfde zal gelden voor de aard, omvang en inhoud van het samenstel van de door de Staat ten aanzien van ieder van die personen, en mogelijk ook anderen, getroffen of nog te treffen beschermingsmaatregelen. Bovendien komt in dit verband betekenis toe aan de vaststelling dat deze dreigingsanalyse zich naar haar aard niet voor enige vorm van openbaarmaking in enigerlei mate leent. Het hof neemt in aanmerking hetgeen hiervoor is overwogen en betrekt daarbij wat hiervoor met betrekking tot het processuele kader is overwogen. Dit leidt tot de slotsom dat een door de raadslieden beoogde toetsing door de zittingsrechter van de opportuniteit, rechtmatigheid en doelmatigheid van het samenstel van voor zekere personen getroffen beveiligingsmaatregelen, aan de hand van kennisneming van de inhoud van slechts één of meer onderdelen van dat samenstel van maatregelen, per definitie gemankeerd zal zijn. Immers, niet valt in te zien hoe het resultaat van deze beoordeling van getroffen en mogelijk nog te treffen maatregelen in hun onderlinge verband en samenhang betekenisvol kan zijn als ten aanzien daarvan wél van de inhoud van het één en tegelijkertijd niet ook van het ánder kan worden kennisgenomen. Daar komt nog bij dat, anders dan bij andere aan de zittingsrechter opgedragen beslissingen, noch een kader voor toetsing noch een maatstaf voor beoordeling bestaat. Dit heeft als achtergrond, zo mag worden aangenomen, de aard van de getuigenbescherming en de onmogelijkheid om daarover, anders dan op zeer beperkte wijze, te rapporteren. Zo bezien heeft te gelden dat toewijzing van de verzoeken – gelet op het per definitie gefragmenteerde en lacuneuze karakter van de mogelijk daaruit naar voren komende informatie – niet verder zal kunnen bijdragen aan een door de raadslieden beoogde toetsing door het hof zodat daarvoor geen noodzaak bestaat. Ten aanzien van de getuige [Peter La S.] heeft nog in het bijzonder te gelden dat hetgeen tot dusver door het hof niettemin aan nader onderzoek is opgedragen en vervolgens is verricht rechtstreeks samenhangt met – zeer kort samengevat – het dynamisch verloop van al hetgeen door en over hem naar voren is gebracht c.q. verklaard c.q. was weggelaten, zoals daarvan blijkt uit al hetgeen door het hof is overwogen en beslist ter (regie)terechtzittingen van 13 december 2013, 10 juni 2014, en bekrachtigd op 23 januari 2015. Het hof merkt in dit verband op dat het primaire object van aanvullend onderzoek en nadere verantwoording ten aanzien van getuigenbeschermingsmaatregelen het gestelde conflict tussen [Peter La S.] en de Staat was. Dit riep vragen op ten aanzien van de totstandkoming en de inhoud van zijn verklaringen waarna het hof binnen de grenzen van de in artikel 187d Sv bedoelde belangen onderzoekshandelingen heeft bevolen, die, na enige aanloopproblemen, zijn uitgevoerd. Het is op grond van de inhoud van in eerste aanleg gevoerde verweren en de eerder in hoger beroep gedane en thans voorliggende verzoeken niet ondenkbaar dat door of namens de verdachten te zijner tijd verweren zullen worden gevoerd die inhoudelijk zullen samenhangen met de inhoud van de voorliggende verzoeken. Zo bestaan aanknopingspunten om te veronderstellen dat zal worden betoogd dat aan het openbaar ministerie de ontvankelijkheid in de strafvervolging dient te worden ontzegd, of dat verklaringen die door de beschermde getuigen zijn afgelegd van het bewijs uitgesloten dienen te worden. De onderbouwing daarvan zal mogelijk bestaan in de argumenten dat per definitie en/of op grond van hetgeen ter zake feitelijk wél en/of niét is gebleken over achtereenvolgens beschermingskaders, (toegezegde) prestaties door de Staat en de wijze van verantwoording daaromtrent door het openbaar ministerie, het aan toetsing door het hof als zittingsrechter onttrokken zijn van de totstandkoming en/of inhoud van beschermingsafspraken met [Peter La S.] , [Fred R.] en [getuige 32] (als getuigen/persoon in de betekenis van art. 226l Sv) deze sanctionering dienen mee te brengen. Daarmee is de noodzaak tot de opdracht aan de advocaat-generaal tot het ter tafel doen brengen van (meer) informatie over de totstandkoming of inhoud van de ten aanzien van de even genoemde personen getroffen maatregelen evenwel niet gegeven. Aan het kunnen voeren van dergelijke verweren kan – gelijk hiervoor is uiteengezet – ontsluiting van slechts onderdelen van een op verschillende personen toegesneden samenstel van beschermingsmaatregelen in redelijkheid niet bijdragen. Daarom is - ook bezien in het perspectief van het verdedigingsbelang - de noodzaak tot het horen van de verzochte getuigen mrs. [officier van justitie 1] en Brouwer (voor zover hun verhoor is verzocht met het oog op nadere informatieverstrekking over de inhoud van getroffen getuigenbeschermingsmaatregelen) noch tot het geven van de door de verdediging verzochte opdrachten tot nadere informatieverstrekking aanwezig, zodat het hof deze verzoeken afwijst. De raadsman van [Jesse R.] heeft, zoals hiervoor reeds beschreven, ook verzocht om de personen [officier van justitie 1] en Brouwer te doen oproepen met het oog op een verhoor tegen de achtergrond van de door de raadsman gesignaleerde verschillen tussen de zogeheten intentieverklaring financiële bepalingen 2007 en de overeenkomst op hoofdlijnen 2009 met betrekking tot de ten aanzien van [Peter La S.] te treffen getuigenbeschermingsmaatregelen. Kennelijk zijn, aldus de raadsman, andere kaders gehanteerd dan de in dit verband vigerende kaders voor besluitvorming. De raadsman wil weten of er andere kaders in de besluitvorming zijn betrokken en zo ja, welke inhoud deze hebben. Daarnaast gaat zijn interesse uit naar de betrokkenheid van hogere echelons binnen het openbaar ministerie bij de inhoud van de daarover opgemaakte processen-verbaal. De raadsman heeft daarbij betrokken zijn observaties dat het openbaar ministerie over de inhoud van deze documenten niet telkens op dezelfde wijze en met dezelfde inhoud in de strafzaak van zijn cliënt [Jesse R.] heeft gecommuniceerd. Hij heeft in dat verband als zijn mening te kennen gegeven dat de ingebrachte informatie stelselmatig onjuist is geweest. De advocaat-generaal heeft zich, op basis van een andere lezing van de relevante processen-verbaal en op grond van een waardering van de reeds over [Peter La S.] prijsgegeven informatie, tegen toewijzing van de verzoeken verzet. Het hof overweegt in dit verband als volgt. Gedurende de gedingfase in eerste aanleg zijn diverse processen-verbaal van officieren van justitie belast met getuigenbescherming of criminele inlichtingen ingebracht met als onderwerp de ten aanzien van [Peter La S.] te treffen beschermingsmaatregelen. Voorts is op bevel van het hof een officier van justitie (mr. [officier van justitie 1] ) meermalen gehoord, waarbij deze functionaris als getuige tweemaal effectief door de raadsman van de verdachte [Jesse R.] kon worden ondervraagd. Aldus is door het openbaar ministerie informatie verstrekt en verantwoording afgelegd, zij het op een naar de mening van de raadsman ontoereikende wijze. Het hof stelt vast dat de voor de besluitvorming binnen het openbaar ministerie relevante regelgeving volledig bekend is. Het gaat hierbij in het bijzonder om artikel 226l Sv en de daarop gebaseerde algemene maatregel van bestuur en, in ruimere zin, de wettelijke kroongetuigenregeling en de toepasselijke, gepubliceerde, beleidsregels van het openbaar ministerie. De raadsman is blijkens de gegeven toelichting op zoek naar overige normerende kaders die, hoewel niet bekend gemaakt, zijn gehanteerd bij de interne besluitvorming en bij de verslaglegging daarover. Bij de beoordeling van het verzoek stelt het hof voorop dat de loop van de interne besluitvorming binnen het openbaar ministerie (door de raadsman in zijn verzoek ook wel getypeerd als “hoe de hazen hebben gelopen”) zich in het algemeen niet leent voor enige uitleg of verantwoording in het kader van strafvordering. Het verzoek, in de kern inhoudend dat ook niet-kenbare “kaders” (met inbegrip van hun boven- en ondergrenzen) worden geopenbaard, staat op gespannen voet met dit uitgangspunt. Het hof heeft reeds bij eerdere gelegenheden verstaan dat de raadsman verweren heeft gevoerd en opnieuw zal voeren die zijn gebaseerd op de stelling dat in strijd met toepasselijke rechtsregels de getuigenbescherming van [Peter La S.] is vormgegeven en dit bovendien in problematische verhouding staat tot de met hem gesloten zogenoemde kroongetuigendeal. Naar het oordeel van het hof kunnen deze verweren, die zien op de rechtmatigheid van het handelen van het openbaar ministerie in brede zin, op basis van hetgeen thans beschikbaar is, gevoerd worden. Dit kan ook blijken uit de door de raadsman op het verzoek gegeven toelichting, die klaarblijkelijk vertrekt vanuit de door het openbaar ministerie geproduceerde processtukken. De aanvullende informatie dient, zo begrijpt het hof, betrekking te hebben op de totstandkoming van besluiten binnen de gelederen van het openbaar ministerie. Het hof is van oordeel dat niet valt in te zien wat, in het licht van zowel de door hem aan de verzoeken verbonden toelichting als de, naar verwachting, te voeren verweren de toegevoegde waarde kan zijn van hetgeen de raadsman heeft verzocht. Ook op deze gronden wordt het verzoek dat strekt tot nadere informatieverstrekking, primair in de vorm van een verhoor van mrs. [officier van justitie 1] en Brouwer als getuigen en subsidiair in de vorm van een bevel van het hof aan de advocaat-generaal tot toevoeging van nadere bescheiden, bij gebrek aan noodzaak afgewezen. Het hof stelt voorop dat deze, hiervoor weergegeven, ter terechtzitting van 21 september 2015 gebezigde overwegingen evenzeer betekenis hebben voor de beantwoording van de vraag of wat omtrent beschermingsmaatregelen wél tijdens het strafgeding is gebleken de conclusie schraagt dat de Staat verboden financiële toezeggingen heeft gedaan. Immers, ook indien veronderstellenderwijs wordt uitgegaan van de juistheid van hetgeen de verdediging over de feitelijke aard en inhoud van de (financiële) contouren van de getroffen getuigenbeschermingsmaatregelen heeft gesteld, is daarmee niet meer dan een gefragmenteerd en lacuneus beeld gevormd van al hetgeen in de sleutel van bescherming door de Staat wordt geboden en verricht. Anders gezegd: het op de te beschermen persoon toegesneden samenstel van beschermingsmaatregelen kan – nog daargelaten de beantwoording van de vraag naar het te hanteren beoordelingskader – op grond van één of meer daarvan geïsoleerde onderdelen strafvorderlijk niet betekenisvol worden geduid. Reeds daarom kan te minder worden aangenomen dat het niet anders kan zijn, dan dat de door de Staat onder de vlag van bescherming jegens [Peter La S.] verrichte inspanningen zich bewegen boven de grens van hetgeen in termen van bescherming als adequaat heeft te gelden en aangemerkt dient te worden als financiële tegenprestatie voor het afleggen van verklaringen. In het verlengde van het voorgaande onthoudt het hof zich voorts van het geven van een oordeel over het bieden van inspraak in en toestaan van zelfredzaamheid bij de vormgeving van de bescherming, met dien verstande dat die factoren niet meebrengen dat daarmee tekort wordt gedaan aan rechtens te respecteren belangen van de verdachte. Op basis van de resultaten van het door het hof aan de rechter-commissaris opgedragen onderzoek, waarover zij bij proces-verbaal van 31 maart 2015 heeft gerapporteerd valt voorts niet in te zien dat door het Openbaar Ministerie misleidende informatie is verstrekt. De slotsom dient derhalve te luiden dat noch het enkele uitblijven van een rechterlijke toetsing van (toegezegde) prestaties in het kader van getuigenbescherming van de zijde van de Staat, noch de ontbrekende nadere verantwoording daaromtrent door het Openbaar Ministerie een strafvorderlijk verzuim of een schending van het in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) gegarandeerde recht op een eerlijk proces oplevert. Het is denkbaar dat dit oordeel anders kan uitvallen. Gedacht kan worden aan het geval waarin blijkt van feiten en omstandigheden die zodanig sterke aanwijzingen opleveren voor onrechtmatig handelen door het Openbaar Ministerie, dat geoordeeld moet worden dat dit onder het mom van bescherming van de getuige afspraken maakt met of toezeggingen doet die redelijkerwijs niet met passende bescherming in verband kunnen worden gebracht doch wel strekken tot het louter of overwegend (financieel) belonen van de bereidheid van de getuige om in een strafvorderlijke context te verklaren. Dat geval impliceert een onrechtmatige situatie, die ofwel het gevolg is van list en bedrog aan de zijde van de Staat althans van het volkomen falen van de in het Besluit getuigenbescherming geregelde bestuurlijke controle. Van aanknopingspunten voor het bestaan van dat hypothetische geval is niet gebleken, ook niet waar het gaat om hetgeen, naar is gebleken, in de sleutel van bescherming door het Openbaar Ministerie is ondernomen en verricht. Het hof overweegt nog het volgende. De verdediging maakt zich nadrukkelijk sterk voor rechterlijke toetsing, ook van de rechtmatigheid en doelmatigheid van de (financiële) contouren van door het Openbaar Ministerie ten aanzien van (kroon)getuigen getroffen beschermingsmaatregelen. Hoewel wellicht voor het introduceren van een dergelijke toetsing argumenten denkbaar zijn, merkt het hof in de eerste plaats andermaal op dat, waar in het algemeen het fenomeen van (be)dreiging in de tijd bezien in aard, intensiteit en omvang kan variëren, aangenomen moet worden dat hetzelfde zal gelden voor de aard, omvang en inhoud van het samenstel van de door de Staat ten aanzien van ieder van die personen, en mogelijk ook anderen, getroffen of nog te treffen beschermingsmaatregelen. Zo bezien is het soortelijk gewicht van de uitkomst van die voorgestane door de rechter-commissaris te verrichten toetsing relatief gering, omdat die statische toetsing in het concrete geval slechts in (zeer) beperkte mate effectief zal kunnen zijn. Dat geldt ook voor een toets ten aanzien van het pakket aan maatregelen dat bij aanvang van het beschermingstraject wordt genomen, zoals door de raadsman als subsidiaire oplossing is bepleit. Voorts overweegt het hof, dat het pleidooi van de verdediging voor een rechterlijke toetsing kennelijk in belangrijke mate is ingegeven door een gebrek aan vertrouwen in de effectiviteit en waarachtigheid van de bestuurlijke controle die in het Besluit getuigenbescherming is neergelegd 2.1.2.2.6 De kroongetuige [Peter La S.] : de verhouding tussen de Wet toezeggingen aan getuigen in strafzaken en het opportuniteitsbeginsel 2.1.2.2.6 Het gevoerde verweer Dit onderdeel van het verweer stelt de onderliggende vraag aan de orde of, en zo ja op welke wijze de wetgever met de Wet toezeggingen aan getuigen in strafzaken een beperking heeft aangebracht op de tot het opportuniteitsbeginsel te herleiden vrijheid van het Openbaar Ministerie om van strafvervolging af te zien. De verdediging heeft tot uitgangspunt genomen dat de wetgever met die wet een gesloten systeem voor toezeggingen aan criminele getuigen in het leven heeft willen roepen. Naast de in artikel 226g, lid 4, Sv bedoelde kleine gunsten vormt de in het eerste lid van die bepaling neergelegde bevoegdheid tot het doen van de toezegging aan de kroongetuige dat in zijn zaak strafvermindering zal worden gevorderd het exclusieve hart van de wettelijke regeling. Andere toezeggingen aan de kroongetuige zijn op grond van die regeling en gelet op wat de wetgever daarmee heeft beoogd te waarborgen niet toegelaten. Het staat het Openbaar Ministerie daarom niet vrij om af te zien van strafvervolging of voordeelsontneming in de context van toezeggingen aan een kroongetuige met een beroep op het opportuniteitsbeginsel, aldus de verdediging. De advocaat-generaal heeft hier tegenover gesteld dat er geen sprake is van een gesloten systeem. In navolging van minister Donner, die tijdens de tweede fase van de parlementaire behandeling in 2004 en 2005 zijn opvattingen heeft geuit, heeft de advocaat-generaal gesteld dat de wetgever alleen een regeling heeft willen bieden voor toezeggingen ter zake van strafvermindering. De regeling is evenwel niet exclusief en is ook niet gegeven met de intentie deze exclusief te laten zijn. Daarom zouden overige toezeggingen op grond van het opportuniteitsbeginsel toelaatbaar zijn gebleven. 2.1.2.2.6.2 Bespreking van het verweer 2.1.2.2.6.2 Inleidend De Wet toezeggingen aan getuigen in strafzaken kent een lange wordingsgeschiedenis. Reeds ten tijde van de behandeling van de rapporten van de parlementaire enquêtecommissie onder voorzitterschap van Van Traa in 1996 werd het belang van een wettelijke regeling over dit onderwerp onderkend. Vervolgens heeft de behandeling van het wetsontwerp vanaf de indiening ervan bij de Tweede Kamer in 1998 tot aanvaarding in de Eerste Kamer ongeveer zeven jaar geduurd. Daarbij is gebleken dat binnen de Tweede Kamer opvattingen leefden die kort gezegd inhielden dat de bevoegdheid van de officier van justitie om afspraken te maken met criminele getuigen strikt beperkt diende te blijven tot het toezeggen van een neerwaarts bijgestelde strafeis. Dit heeft onder meer geleid tot aanvaarding van het amendement Rouvoet-Van der Staaij op 5 juli 2001, waarmee een laatste volzin werd toegevoegd aan het eerste lid van artikel 226g Sv. Hierin werd de beoogde beperking expliciet tot uitdrukking gebracht. De minister had dit amendement overigens als overbodig gekwalificeerd omdat hij het daaraan ten grondslag liggende uitgangspunt deelde. Na aanvaarding van het wetsontwerp in de Tweede Kamer heeft het wetgevingsproces enkele jaren stilgelegen waarna het in 2004 weer op gang kwam. Tijdens het debat in de Tweede Kamer van 8 september 2004 werd de discussie over de exclusiviteit van de wettelijke regeling zoals die al was aanvaard, hernomen. De standpunten van de parlementariërs liepen sterk uiteen. Dat dit een problematische situatie opleverde werd door de minister in dat debat gesignaleerd. Hij wees op de complicatie dat het oorspronkelijk wetsontwerp nog door de Eerste Kamer moest worden behandeld terwijl tegelijkertijd over de wettelijke regeling een fundamenteel debat in de Tweede Kamer was ontstaan. Dit vormde mede de aanleiding om een brief toe te zeggen. Meest in het oog springende gevolg van het heropende debat voor de wettekst is dat de maximaal toe te zeggen strafvermindering werd verruimd van een derde naar de helft van de zogeheten basisstrafeis. De discussie over de positie van het opportuniteitsbeginsel mondde niet uit in enige alternatieve vorm van redactie van de reeds door de Tweede Kamer aanvaarde wet. In de brieven aan de voorzitters van de Eerste Kamer en van de Tweede Kamer van respectievelijk 18 maart 2005 en 12 april 2005 heeft de minister vervolgens zijn zienswijze neergelegd. Daarbij werd een driedeling gemaakt in typen toezeggingen: 1) toezeggingen waarvoor een wettelijke regeling nodig is; dit betreft uitsluitend afspraken over strafvermindering, want het Openbaar Ministerie maakt volgens de minister in zo’n geval afspraken met consequenties voor de beslissingsruimte van de rechter; 2) niet toelaatbare toezeggingen: toezeggingen van immuniteit (sepotverbod) en toezeggingen omtrent de omvang van de tenlastelegging; 3) toelaatbare toezeggingen waarvoor geen wettelijke regeling nodig is en waarvoor de ruimte moet worden geformuleerd waarbinnen deze kunnen worden gedaan. Dit moet in de aanwijzing geschieden waarin het Openbaar Ministerie zichzelf beperkingen oplegt. Dit betreft bevoegdheden die het Openbaar Ministerie reeds heeft en die behoren tot de beleids- en beoordelingsvrijheid van het Openbaar Ministerie. De basis hiervoor is gelegen in het reeds aanvaarde artikel 226g lid 4 Sv dat het zogeheten kleine gunstbetoon van een wettelijke basis voorziet. Ingeval van een uitdrukkelijk en causaal verband met de verklaringsbereidheid van de getuige dient hierover bij proces-verbaal verantwoording te worden afgelegd. Ook in de Eerste Kamer vroegen diverse leden aandacht voor de reikwijdte van de bevoegdheid van de officier van justitie om toezeggingen te doen. Daarbij waren veel kritische geluiden te horen over het standpunt van de minister dat aanzienlijk anders luidde dan dat van zijn voorganger die het eerder aanvaarde wetsontwerp bij de Tweede Kamer had ingediend. De minister nam in lijn met de inhoud van de hiervoor bedoelde brieven het standpunt in dat het opportuniteitsbeginsel de ruimte biedt aan de officier van justitie om andere toezeggingen te doen dan alleen die van een aangepaste strafeis. Na een intensief debat, dat, voor zover het hof uit de parlementaire stukken kan opmaken, zonder duidelijke conclusies eindigde en waarbij noch de minister noch enige senator van standpunt veranderde, werd de wet ongewijzigd aangenomen met de aantekening dat diverse fracties werden geacht te hebben tegengestemd. Wat de bedoelingen van de wetgever betreft kan worden vastgesteld dat de beide Kamers van de Staten-Generaal respectievelijk de betrokken ministers, elk in de hoedanigheid van medewetgever, hun accenten hebben gelegd die niet (zonder meer) met elkaar te verenigen zijn. Bij de interpretatie van de wet kunnen, zo blijkt uit het ter terechtzitting van de rechtbank en het hof gevoerde debat, ver uiteen liggende standpunten worden ingenomen. Aan het ene uiterste van het spectrum bevindt zich de uitleg dat geen andere afspraak mag worden gemaakt dan die strekkend tot strafvermindering. Aan de andere kant daarvan leeft de opvatting dat het enige type afspraak dat een wettelijke regeling behoefde en daarom heeft gekregen die van strafvermindering is. Dat de praktijk van opsporing en vervolging voor deze complicaties zou kunnen worden geplaatst werd reeds door de Eerste Kamer op 8 maart 2005 en 10 mei 2005 voorzien. Maar de gedachte dat “het betere niet de vijand van het goede” mocht worden is mede leidend geweest bij de uiteindelijke aanvaarding van het wetsvoorstel. Het diffuse parlementaire debat heeft zich in het kader van het Passageproces herhaald ten overstaan van de strafrechter in twee feitelijke instanties. In die zin is de verwachting die senator Rosenthal uitsprak tijdens de behandeling van het wetsontwerp op 10 mei 2005 bewaarheid. De raadsman heeft een punt waar hij spanning signaleert tussen de Aanwijzing en de wettelijke regeling. Met name indien gekozen wordt voor een min of meer restrictieve uitleg van de bevoegdheden van de officier van justitie kan worden geconcludeerd dat de Aanwijzing minst genomen op gespannen voet staat met de wet. Dat de wetsgeschiedenis voor deze conclusie aanknopingspunten biedt kan uit het voorgaande voldoende blijken. Aan de raadsman kan ook worden toegegeven dat aan het uitblijven van reacties uit het parlement op sleutelmomenten, zoals dat van toezending van de Aanwijzing kort voor de inwerkingtreding ervan, geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend bij de uitleg van de bedoelingen van de wetgever. Minder voor de hand liggend acht het hof het standpunt van de raadsman dat voor de uitleg van de exclusiviteit van de wettelijke regeling uitsluitend, althans in beslissende mate, uitgegaan dient te worden van de in de eerste fase ingenomen standpunten. Het gaat dan om de opvattingen die door minister en Tweede Kamerleden zijn geuit ten tijde van de aanvaarding van het amendement waarin is beoogd deze exclusiviteit tot uitdrukking te brengen. Bij dupliek heeft de raadsman zijn standpunt enigszins genuanceerd maar daar niet de gevolgtrekking aan verbonden dat hij niet langer achter voornoemde conclusie staat. Niet valt in te zien waarom aan de geheel andersluidende uitleg van de minister, die hij in overeenstemming achtte met de wettekst, geen betekenis toekomt. Datzelfde geldt voor de gedachtewisseling in de Tweede Kamer in 2004 waarin door enkele leden een geheel ander licht werd geworpen op de reeds door die Kamer aanvaarde wet. Dat de kwaliteit van hun inbreng niet het door de raadsman verlangde niveau had is niet relevant voor het relatieve gewicht ervan. Het hof betrekt hierbij de omstandigheid dat het parlementaire debat in beide kamers van de Staten-Generaal weliswaar fel is geweest maar niet tot ondubbelzinnige conclusies, laat staan verduidelijking op het niveau van de wet zelf, heeft geleid. Integendeel, er bestonden niet alleen conflicterende opvattingen onder de actoren. Ook werd onder ogen gezien dat deze verschillen van inzicht tot uitvoeringsproblemen zouden kunnen gaan leiden. Dat was voor enkele in het wetgevingsproces betrokkenen tevens reden om te wijzen op het belang van nadere wet- en regelgeving. Nog problematischer wordt het als de zeer uiteenlopende, uit de wetsgeschiedenis blijkende, opvattingen in verband worden gebracht met de uiteindelijk gepubliceerde tekst van artikel 226g Sv. Deze bevat enerzijds een eerste lid dat de basis biedt voor een afspraak met de criminele getuige die uitsluitend betrekking heeft op strafvermindering. Anderzijds is er sprake van een vierde lid waarin het kleine gunstbetoon is geregeld. Dit biedt de mogelijkheid voor het maken van afspraken die niet kunnen worden aangemerkt als afspraken over strafvermindering. Als de parlementaire geschiedenis van enige afstand wordt aanschouwd, biedt ook de reikwijdte van dit vierde lid ruimte voor debat. Het hof wijst in aanvulling op het voorgaande erop dat de wetgever zich in juridische zin niet laat compartimenteren als de wil van de wetgever moet worden onderzocht om de met een wet nagestreefde doelen op te helderen. Daar komt in dit geval bij dat gedurende het wetgevingsproces door diverse actoren is onderkend dat het brede spectrum aan opvattingen de totstandkoming van de wet heeft gecompliceerd en ook de wetstoepassing zou kunnen gaan compliceren. De wetgever heeft ondanks deze omstandigheden niet willen verhinderen dat de wet in zijn huidige vorm toch tot stand kwam. Tegen deze achtergrond dient de slotsom te zijn dat de feitenrechter terughoudendheid past bij de uitleg van de wet en bij beschouwingen over de bedoelingen van de wetgever. Het hof ziet geen ruimte voor de mate van stelligheid zoals de verdediging en de advocaat-generaal zich hebben veroorloofd. Hoewel de door verdediging en advocaat-generaal ingenomen standpunten zich niet alle lenen voor een volledige beantwoording van de achterliggende rechtsvragen door het hof kan toch ervan worden uitgegaan dat de wetgever in elk geval enkele uitgangspunten heeft gehanteerd die leidend zijn gebleven bij de gehele parlementaire behandeling. Deze dienen dan ook het kader te vormen voor de door het hof aan te leggen maatstaven. De wetgever heeft allereerst tot uitdrukking willen brengen dat in geen geval volledige immuniteit mag worden toegezegd in ruil voor verklaringen. Er mogen voorts geen afspraken worden gemaakt over de inhoud en de omvang van de tenlastelegging. Daarnaast heeft de wetgever een beloningsverbod aan de wet ten grondslag willen leggen. Er mogen onder geen beding financiële toezeggingen worden gedaan die tot resultaat hebben dat de bereidheid tot verklaren bij de criminele getuige wordt beïnvloed. Anders gezegd, verklaringen mogen niet van die getuige worden gekocht. Bij de bespreking van de betekenis van getuigenbeschermingsmaatregelen heeft dit laatste punt in het voorgaande al een rol in de beoordeling gespeeld. Bij de hierna nog te geven beoordeling van andere verweren zullen daarnaast de eerste twee genoemde uitgangspunten van belang zijn. 2.1.2.2.6.2.2 De omvang van de strafvervolging in relatie tot de verklaringsafspraak Het hof ontleent aan de Wet toezeggingen aan getuigen in strafzaken dat het Openbaar Ministerie bij toepassing van die regeling geen immuniteitstoezegging aan een kroongetuige mag doen. De omvang van de strafvervolging noch de inhoud van de tenlastelegging mogen in dat verband onderwerp van enige toezegging zijn. Dit betekent dat het, zoals in elke strafzaak, geheel aan de officier van justitie is om te bepalen voor welke feiten hij de getuige met wie hij een afspraak maakt, vervolgt. Hierop wordt hierna nader ingegaan. Dit betekent ook dat deze regeling geen beperking heeft aangebracht op de in het tweede lid van artikel 167 Sv aan het Openbaar Ministerie toegekende vrijheid om van vervolging af te zien. Dit is nogmaals tot uitdrukking gebracht in de beleidsregels van het Openbaar Ministerie. Paragraaf 5 van de Aanwijzing biedt een opsomming van de gevallen waarin en de onderwerpen waarover de officier van justitie aan een kroongetuige geen toezeggingen mag doen. Voor zover hier van belang is in die paragraaf onder 2. vermeld dat de officier van justitie geen toezegging mag doen met betrekking tot het in afwijking van het geldende opsporings- en vervolgingsbeleid afzien van actieve opsporing of vervolging van strafbare feiten. Reikwijdte en strekking van de in de Aanwijzing neergelegde beleidsregels laten zich goed begrijpen, zowel vanuit de betekenis van het opportuniteitsbeginsel als vanuit de ratio van de wettelijke begrenzing van de ruimte waarbinnen de officier van justitie rechtmatig toezeggingen kan doen. Het ligt immers niet in de rede dat het enkele feit dat de officier van justitie met een criminele getuige tot een verklaringsafspraak probeert te komen, impliceert dat de officier van justitie verplicht is tegen die getuige een vervolging in te stellen ter zake van strafbare feiten, waarvan hij buiten de context van zo’n afspraak, op gronden aan het algemeen belang ontleend, zou hebben afgezien. Anders gezegd: (het toezeggen van) een beloning aan de criminele getuige in de vorm van een neerwaarts bijgestelde strafeis roept voor de officier van justitie geen opdracht tot vervolging in het leven ter zake van feiten waarvan hij bij geïsoleerde beoordeling op bewijstechnische dan wel beleidsmatige gronden van vervolging zou afzien. Voor de juistheid van deze interpretatie is ondubbelzinnige steun te vinden in de parlementaire geschiedenis van de Wet toezeggingen aan getuigen in strafzaken. In de Memorie van toelichting valt onder meer te lezen: Ik ga ervan uit dat het opportuniteitsbeginsel door het openbaar ministerie op de thans gebruikelijke wijze wordt toegepast en dat de bestaande normering van de vervolgingsbeslissing in stand blijft. Dit betekent voor de onderhavige materie dat de aard en de ernst van de aan het openbaar ministerie ter kennis gekomen feiten bepalend zijn voor de vervolgingsbeslissing. De gebruikelijke toetsing of het te verv

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.