GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.188.121/01 zaak/rolnummer rechtbank Noord-Holland : 3994978 \ CV EXPL 15-1909 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 27 juni 2017 inzake 1OUTFIT V.O.F., 2. [appellant sub 2], 3. [appellante sub 3], gevestigd, respectievelijk wonende te [plaats] , appellanten, tevens incidenteel geïntimeerden, advocaat: mr. W.J.T. Ursem te Alkmaar, tegen WERELDHAVE NEDERLAND B.V., gevestigd te Haarlemmermeer (Schiphol), geïntimeerde, tevens incidenteel appellante, advocaat: mr. W. Raas te Amsterdam. 1Het geding in hoger beroep Partijen worden hierna Outfit (in enkelvoud) en Wereldhave genoemd. Outfit is bij dagvaarding van 4 maart 2016 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland (hierna: de kantonrechter) van 10 december 2015, onder bovenvermeld zaak/rolnummer gewezen tussen Outfit als eiseres en Wereldhave als gedaagde. In deze zaak heeft het hof bij tussenarrest van 5 april 2016 een comparitie van partijen gelast, die is gehouden op 12 juli 2016. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal is bij de stukken gevoegd. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van grieven, tevens houdende akte vermindering eis, met producties; - memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, met producties; - memorie van antwoord in incidenteel appel, met producties. Partijen hebben de zaak ter zitting van 13 april 2017 doen bepleiten, Outfit door haar voornoemde advocaat en Wereldhave door mr. J.A. le Clercq, advocaat te Amsterdam, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Ten slotte is arrest gevraagd. Outfit heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en – uitvoerbaar bij voorraad – haar als na te melden gewijzigde vordering zal toewijzen, met beslissing over de proceskosten, met nakosten. Wereldhave heeft geconcludeerd dat het hof het principaal hoger beroep ongegrond zal verklaren en in incidenteel hoger beroep het bestreden vonnis zal vernietigen en de vordering van Outfit geheel zal afwijzen, dan wel zal matigen tot een in goede justitie te bepalen bedrag, met – uitvoerbaar bij voorraad – beslissing over de proceskosten, met nakosten en rente. Outfit heeft in incidenteel hoger beroep geconcludeerd tot ongegrondverklaring, met beslissing over de proceskosten. Outfit heeft in hoger beroep bewijs van haar stellingen aangeboden. 2Feiten De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.6 de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Grief I in incidenteel hoger beroep betreft de vaststelling van de kantonrechter dat Wereldhave het eerder door haar aangeboden bedrag van € 20.000,=, exclusief btw, (als tegemoetkoming in verhuis- en inrichtingskosten) heeft gehandhaafd. Volgens de toelichting op de grief is dat niet het geval. Voor zover voor de beoordeling van belang zal het hof deze grief hierna bespreken. De feiten zijn voor het overige in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. 3Beoordeling 3.1. Het gaat in deze zaak, kort weergegeven, om het volgende. Outfit heeft met ingang van 1 november 2000 van Wereldhave een bedrijfsruimte gehuurd in een winkelcentrum gelegen te Purmerend. De huurovereenkomst gold laatstelijk voor onbepaalde tijd. Het gehuurde was gelegen op een A1-locatie en werd door Outfit geëxploiteerd als luxe kleding/schoenenwinkel. Wereldhave heeft de huurovereenkomst opgezegd bij brief van 30 juli 2013 tegen 1 augustus 2014 in verband met de renovatie van het winkelcentrum. Wereldhave heeft zich bereid verklaard tot betaling van een tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten in de zin van artikel 7:297 lid 1 BW. Outfit heeft aanvankelijk bezwaar gemaakt tegen de opzegging, maar uiteindelijk daarmee ingestemd. Partijen hebben geen overeenstemming weten te bereiken over de tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten. 3.2. In eerste aanleg heeft de kantonrechter (impliciet) geoordeeld dat partijen kennelijk zijn overeengekomen dat Wereldhave aan Outfit een tegemoetkoming van de verhuis- en inrichtingskostenvergoeding dient te voldoen waarvan de hoogte moet worden vastgesteld aan de hand van de (in de jurisprudentie uitgewerkte) maatstaf van artikel 7:297 BW. Nu partijen geen grief hebben gericht tegen dit oordeel, gaat het hof uit van de juistheid ervan. In de onderhavige procedure dient derhalve de omvang van de tegemoetkoming als bedoeld in artikel 7:297 BW te worden vastgesteld. In de eerste aanleg van deze procedure heeft Outfit ter zake een bedrag gevorderd van € 305.303,15, exclusief btw. In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de tegemoetkoming vastgesteld op een bedrag van € 25.000,=. Daarbij heeft de kantonrechter de volgende posten, voor een totaalbedrag van afgerond € 36.282,=, in aanmerking genomen: € 6.570,= verhuiskosten, € 13.478,70 kosten vervangende huisvesting, o.a. verplaatsing en aanpassing alarm, sloten, telefoonaansluitingen en aanpassingen, inclusief overname, € 10.482,86 reclamekosten, drukkosten en reclamemateriaal, € 2.940,= lichtreclame, € 1.550,= kosten van de schilder, € 1.260,= etalagepoppen. Tegen de beslissing van de kantonrechter en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komen zowel Outfit als Wereldhave op. 3.3. Outfit heeft haar vordering in hoger beroep aldus gewijzigd dat zij thans, telkens uitgaande van het nominale bedrag aan verhuiskosten van € 54.532,56, vordert dat Wereldhave wordt veroordeeld tot betaling van een tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten van in totaal: - primair € 142.711,19, - subsidiair € 118.348,03, - meer subsidiair € 88.132,56, te vermeerderen met de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 1 augustus 2014. Ter zake van de in de gevorderde bedragen begrepen inrichtingskosten heeft Outfit telkens een door haar redelijk geachte korting toegepast van in totaal 50% in verband met aftrek wegens nieuw voor oud (20%) en een ‘tegemoetkomingspercentage’ (30%). 3.4. Met de grieven I en II in principaal hoger beroep stelt Outfit onder meer de bij de toepassing van artikel 7:297 lid 1 BW te hanteren maatstaf aan de orde. 3.4.1. Het hof overweegt hierover als volgt. Op grond van artikel 7:297 lid 1 BW kan de rechter een bedrag vaststellen dat de verhuurder aan de huurder moet betalen ter tegemoetkoming in diens verhuis- en inrichtingskosten, oftewel de kosten die de huurder heeft gemaakt of zal moeten maken om te verhuizen en zich elders in te richten. Het gaat daarbij niet om een volledige vergoeding van de gemaakte, althans te maken kosten. Het antwoord op de vraag of aanleiding bestaat voor het vaststellen van een tegemoetkoming, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Bij het bepalen van de hoogte van de tegemoetkoming kan (onder meer) rekening worden gehouden met de reden van de opzegging, de staat van de oude inrichting en de reeds gedane afschrijving op de inventaris, alsmede het bedrag waartoe de verhuurder zich vrijwillig reeds heeft verplicht. Het is aan de huurder om de door hem gestelde verhuis- en inrichtingskosten aannemelijk te maken. 3.4.2. Niet is gebleken dat de kantonrechter een andere maatstaf heeft gehanteerd dan hiervoor is geformuleerd. De grieven I en II in principaal appel kunnen in zoverre dan ook niet tot vernietiging van het bestreden vonnis leiden. Voor zover in deze grieven (ook) aandacht wordt besteed aan de toepassing van de maatstaf in deze zaak, komt dat, voor zover voor de beoordeling in hoger beroep van belang, hieronder nader aan de orde. 3.5. De grieven I en II in principaal hoger beroep (voor zover nog niet besproken) en grief II in incidenteel hoger beroep lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Verhuiskosten Dubbele huurlasten en extra personeelskosten voor de duur van zes maanden 3.5.1. De kantonrechter heeft het redelijk geacht om in verband met de verhuizing dubbele huurlasten voor de periode van een maand in aanmerking te nemen en heeft overwogen dat Outfit onvoldoende omstandigheden heeft gesteld om een langere periode (zeven maanden) bij de begroting van de tegemoetkoming te betrekken. De gestelde extra personeelskosten in verband met de exploitatie van de nieuwe winkel tijdens de periode van dubbele huur heeft de kantonrechter, als onvoldoende toegelicht, helemaal buiten beschouwing gelaten. De kantonrechter heeft overwogen dat Outfit ervoor heeft gekozen gedurende zeven maanden twee panden te huren, dat de kosten daarvan niet op Wereldhave kunnen worden afgewenteld en dat tegenover het inhuren van extra personeel ook extra inkomsten moeten hebben gestaan. 3.5.2. Het hof constateert dat Outfit ook in hoger beroep heeft nagelaten de door haar gestelde noodzaak om ruim een half jaar voor het verstrijken van de door Wereldhave gehanteerde contractuele opzegtermijn een nieuw winkelpand te huren, met stukken te onderbouwen. Zij heeft haar, betwiste, stelling dat de marktomstandigheden daartoe noopten op geen enkele wijze gestaafd. Dat had wel op haar weg gelegen. Het komt voor haar rekening dat zij dit heeft nagelaten. Een en ander geldt ook voor het in hoger beroep uitblijven van enige nadere toelichting op en onderbouwing van de hoogte van de (extra) inkomsten uit die nieuwe winkelexploitatie. Zij heeft ook niet gesteld dat deze onvoldoende waren om het inhuren van extra personeel en de extra huurlasten te kunnen opvangen. Niet gebleken is voorts van feiten of omstandigheden op grond waarvan Wereldhave Outfit ter zake van de gehanteerde contractuele opzegtermijn tegemoet had moeten komen door deze te verkorten. Aan de stelling van Outfit dat Wereldhave bij/na de opzegging geen duidelijkheid verschafte over de te betalen tegemoetkoming, kan – zonder toelichting, die ontbreekt – niet de conclusie worden verbonden dat de door Outfit gestelde dubbele huurlasten (voor een periode van langer dan een maand) en/of extra personeelskosten (voor de periode waarin Outfit twee panden huurde) daadwerkelijk zijn te kwalificeren als kosten in de zin van artikel 7:297 lid 1 BW. Ook overigens heeft Outfit niet aannemelijk gemaakt dat de desbetreffende kosten voor tegemoetkoming in aanmerking komen. De kantonrechter heeft deze dan ook terecht niet betrokken bij de begroting van de tegemoetkoming. Ter zake van verhuiskosten zal derhalve een bedrag van € 6.750,= in aanmerking worden genomen, zoals ook de kantonrechter heeft gedaan. Inrichtingskosten Begroting op grond van opstelling accountant 3.5.3. In eerste aanleg heeft Outfit een brief 18 september 2015 van zijn accountant in het geding gebracht, waarbij de accountant, zoals zij stelt een overzicht en vergelijking heeft gemaakt voor wat betreft de inrichtingskosten van de huidige winkel ten opzichte van de voormalige winkel. Daarbij zijn de door Outfit in 2001 gemaakte kosten (f 160.000,=) voor de van Wereldhave gehuurde ruimte en de grotere oppervlakte van de huidige bedrijfsruimte tot uitgangspunt genomen. Outfit heeft erop gewezen dat het door de accountant berekende bedrag exact gelijk is aan het door haar in eerste aanleg gevorderde bedrag van € 220.466,66. In hoger beroep heeft zij daarop een nieuw voor oud korting toegepast van 20%. Zij meent dat Wereldhave ten onrechte de door de accountant berekende kosten teruggerekend wil zien naar de (kleinere) oppervlakte van de voormalige winkel. 3.5.4. Bij de beoordeling van deze stellingen is van belang dat Outfit ook in dit verband op geen enkele wijze heeft onderbouwd dat zij na opzegging van de huur met de contractuele opzegtermijn van een jaar tegen 1 augustus 2014 geen andere keuze had dan het huren van de huidige winkelruimte die ruim twee keer zo groot is als de voorheen van Wereldhave gehuurde winkel. Reeds omdat Outfit de noodzaak van het huren van een winkelruimte met deze omvang niet heeft onderbouwd – en Wereldhave de gestelde noodzaak heeft betwist – en de accountant bij zijn berekening die oppervlakte tot uitgangspunt heeft genomen, kan Outfit zich niet op goede gronden op het standpunt stellen dat de tegemoetkoming aan de hand van deze berekening kan worden begroot. Begroting op grond van offertes 3.5.5. Partijen debatteren voorts over de vraag of de tegemoetkoming kan worden vastgesteld op grond van (grotendeels) offertes, zoals deze door Outfit ter onderbouwing van haar stellingen in het geding zijn gebracht, in aanmerking genomen dat zij de (huidige) winkel ten tijde van het nemen van de memorie van grieven langer dan twee jaar had geëxploiteerd. 3.5.6. De kantonrechter heeft in rechtsoverweging 5.6 overwogen dat Outfit, gelet op de omstandigheid dat zij de winkel inmiddels (ten tijde van het bestreden vonnis) anderhalf jaar in gebruik had, met betrekking tot bepaalde in het vonnis nader genoemde posten onvoldoende heeft gesteld en – door overlegging van offertes – onvoldoende heeft onderbouwd om deze te kunnen beschouwen als kosten in de zin van artikel 7:297 lid 1 BW. De kantonrechter heeft vervolgens in rechtsoverweging 5.8, ter zake van wèl voor vergoeding in aanmerking komende posten, overwogen dat het enkele feit dat geen facturen en betalingsbewijzen zijn overgelegd er niet aan in de weg hoeft te staan dat hiervoor een tegemoetkoming wordt vastgesteld, juist omdat het gaat om een tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten en het bepalen daarvan geen ‘exacte wetenschap’ is. 3.5.7. Het hof verenigt zich met deze overwegingen. Voor zover Wereldhave met haar tegen het bestreden vonnis geformuleerde bezwaar voor ogen staat dat de vordering van Outfit hoe dan ook moet worden afgewezen, wanneer geen facturen en betalingsbewijzen voorhanden zijn, kan deze stelling in haar algemeenheid niet worden gevolgd. Voor zover Outfit echter zou menen dat voor vrijwel alle posten zonder meer met offertes kan worden volstaan, ongeacht het verstrijken van de tijd sinds de opening van de nieuwe winkel, gaat ook die stelling in haar algemeenheid te ver. De vraag of stellingen van Outfit, die (slechts) met een offerte worden onderbouwd, voldoende zijn om bepaalde kosten te kwalificeren als kosten in de zin van artikel 7:297 lid 1 BW, die zich lenen voor een tegemoetkoming zal, voor zover de grieven daartoe aanleiding geven, aan de orde komen bij de bespreking van de desbetreffende – door de kantonrechter niet in aanmerking genomen – kosten. 3.5.8. Outfit heeft gesteld dat de kosten die zij heeft gevorderd ter zake van (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.