Afdeling strafrecht Parketnummer: 23-002138-16 Datum uitspraak: 21 juni 2017 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld door de verdachte en de officier van justitie tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 8 juni 2016 in de strafzaak onder parketnummer 15-810378-14 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], adres: [adres 1]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 7 juni 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: 1.hij op of omstreeks 22 oktober 2014 te Badhoevedorp en/of Amsterdam opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een (grote) hoeveelheid (te weten ongeveer 4036) pillen bevattende 3,4-methyleendioxymethylamfetamine (MDMA), zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; 2.hij op of omstreeks 22 oktober 2014 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer - 12,98 gram amfetamine en/of - 0,65 liter Gammahydroxyboterzuur (GHB) en/of - 0,35 gram cocaïne en/of - 51 pillen bevattende 3,4-methyleendioxymethylamfetamine (MDMA) en/of 154 pillen bevattende 3,4-methyleendioxymethylamfetamine (MDMA) en/of 98,9 gram poeder/kristallen bevattende 3,4-methyleendioxymethylamfetamine (MDMA) en/of 21,17 gram poeder/kristallen bevattende 3,4-methyleendioxymethylamfetamine (MDMA), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of GHB en/of cocaïne en/of MDMA, zijnde amfetamine en/of GHB en/of cocaïne en/of MDMA, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een enigszins andere bewezenverklaring en een andere strafoplegging komt dan de rechtbank. Ten aanzien van de bewezenverklaring overweegt het hof dat met betrekking tot Opiumwetdelicten vaak in tenlasteleggingen voorkomende passages als “… zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I/II” moeten worden beschouwd als een louter kwalificatieve zinsnede die geen deel uitmaakt van de feitsomschrijving, zodat de bewijsvraag daarop geen betrekking heeft. Bewijsverweren Verweer omtrent verzuim van vormen De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat in deze zaak sprake is van een ernstig en onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), waardoor inbreuk is gemaakt op verdachtes privacy en zijn recht op een eerlijk proces. Daartoe is - kort samengevat - aangevoerd dat de staandehouding en daaropvolgende aanhouding van de verdachte op onrechtmatige wijze hebben plaatsgevonden, omdat ten tijde daarvan jegens de verdachte geen redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit bestond. Hieraan is primair de conclusie verbonden dat dit moet leiden tot uitsluiting van al het bewijs dat door deze onrechtmatige staandehouding is verkregen, zodat de verdachte bij gebrek aan bewijs moet worden vrijgesproken van het hem tenlastegelegde. Subsidiair dient het vormverzuim te leiden tot strafvermindering, aldus de raadsman. Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 52 Sv is een opsporingsambtenaar bevoegd de identiteit van een verdachte vast te stellen en hem daartoe staande te houden. De rechter dient bij de toetsing van de aanwending van deze bevoegdheid te beoordelen of de betrokken opsporingsambtenaar, gemeten aan hetgeen ten tijde van zijn optreden bekend was, tot de conclusie kon komen dat sprake was van een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit (vgl. Hoge Raad 3 juni 2009, NJ 2008/331). In dit geval stelt het hof op basis van de processen-verbaal van respectievelijk [verbalisant 1] (2014188847-15), [verbalisant 2] (2014208043-9), [verbalisant 3] (20142593392-2), [verbalisant 4] (2014259392-4) en [verbalisant 5] (201408043-14) het volgende vast. Bij de politie waren op 14 juni 2014 en 6 oktober 2014 meldingen ingekomen met als strekking dat zich op [adres 2] mogelijk een hennepplantage zou bevinden. Bij een ingesteld buurtonderzoek kwam naar voren dat de woning regelmatig werd bezocht door personen die met de auto kwamen en elke dag zou een man van vermoedelijk Marokkaanse afkomst de woning betreden en kort daarna weer vertrekken. Op 17 oktober 2014 is bij het perceel een onderzoek ingesteld, waarbij is gebleken dat achter de voordeur een brommend geluid was te horen en dat via het luchtrooster lucht van buiten naar binnen werd gezogen. Op 22 oktober 2014 is het woningblok waarvan het perceel deel uitmaakt door politieambtenaren onder observatie genomen. Daarbij was zicht op de centrale toegangsdeur die toegang gaf tot een centrale hal van waaruit de woningen op de adressen [straat 1] [nummer 1], [nummer 2], [nummer 3] en [nummer 4] waren te bereiken. Die dag, omstreeks 14.30 uur, parkeerde een zwarte bestelbus van het merk en type Volkswagen Transporter met kenteken [kenteken] voor het pand. Uit de bus stapte een licht getinte man met zwart krullend haar. Deze liep met een sleutelkoord met sleutels in de hand naar de centrale toegangsdeur, opende die deur met een sleutel en ging naar binnen. De man droeg op dat moment verder niets bij zich. Aan de bestelbus kon [naar het hof begrijpt: bij raadpleging van aan de politie ter beschikking staande systemen] [verdachte] – de verdachte – worden gekoppeld. Ook werd duidelijk dat [verdachte] eerder was veroordeeld voor het bezit/handelen van/in harddrugs. Vijf minuten later kwam dezelfde man weer naar buiten, ditmaal met een plastic Albert Heijn-tas in zijn hand. Aan de vorm van de tas werd gezien dat zich goederen in de tas bevonden. De man stapte in de bestelbus en reed weg. Hij werd vervolgens gevolgd door politieambtenaren met als doel de bestuurder van de bestelbus staande te houden, omdat bij de politieambtenaren het vermoeden was gerezen dat hij verdovende middelen vervoerde. Nadat de bestelbus een parkeergarage in de [straat 2] te Amsterdam was ingereden en de bestuurder met twee Albert Heijn-tassen in de hand was uitgestapt, werd de man staandegehouden door brigadier van politie [verbalisant 4] en zijn collega [verbalisant 6]. Daarop liet de man de tassen op de grond vallen. Toen werd gezien dat zich in één van de tassen, die niet gesloten waren, plastic zakken met roze- en geelkleurige pillen bevonden. Hierop is de man aangehouden. De man bleek de verdachte te zijn en de pillen bleken, kort gezegd, XTC-pillen te zijn. Het hof is van oordeel dat de politie, gelet op de informatie die ten tijde van de staandehouding van de verdachte bekend was, tot de conclusie heeft kunnen komen dat een redelijk vermoeden van schuld bestond dat de verdachte zich schuldig maakte aan overtreding van de Opiumwet. Poppegaai en Veerman waren derhalve bevoegd hem staande te houden en handelden rechtmatig, ook bij de nadien gevolgde aanhouding van de verdachte. Het verweer wordt mitsdien verworpen. Verweer omtrent het opzet ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde De verdachte heeft op de terechtzittingen in eerste aanleg en in hoger beroep - samengevat - het volgende verklaard. Op 22 oktober 2014 was hij langs geweest bij zijn ex-vriendin die op het adres [nummer 3] te Badhoevedorp woonachtig was. Bij zijn vertrek vond hij beneden in de centrale toegangshal op de mat voor de voordeur van het perceel [adres 2] een tas met pillen, die hij meende te herkennen als XTC-pillen. Hij vond dat een gevaarlijke situatie en vatte het plan op die pillen naar het politiebureau aan het [adres 3] te Amsterdam te brengen (met de politie in [plaats] had hij slechte ervaringen). Hij is echter aangehouden, voordat hij hieraan uitvoering heeft kunnen geven. De raadsman heeft in het verlengde hiervan aangevoerd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde, omdat hij geen opzet had op het vervoer of het bezit van de pillen, nu hij met het vervoer geen onoirbare bedoelingen had. Het hof stelt de verklaring van de verdachte dat hij de tas met XTC-pillen had gevonden en deze naar een politiebureau in Amsterdam wilde brengen als volstrekt ongeloofwaardig terzijde. Daartoe is allereerst redengevend dat het hoogst onaannemelijk is dat de eigenaar van een plastic tas met ruim 4.000 XTC-pillen, die een aanzienlijke verkoopwaarde zullen hebben vertegenwoordigd, onbeheerd achterlaat op de deurmat in de gemeenschappelijke hal van een appartementencomplex. Bovendien laat de uit de verklaring van de verdachte sprekende morele overtuiging met betrekking tot die ruim 4.000 XTC-pillen zich moeilijk rijmen met zijn verklaring dat hij destijds een ‘grootverbruiker’ van verdovende middelen, waaronder XTC, was en met de omstandigheid dat in zijn woning een rijk assortiment aan dergelijke pillen en andere harddrugs is aangetroffen; tegen het bezit en gebruik van de op die laatste plek aangetroffen waar bestonden bij hem kennelijk geen morele bezwaren. Tot slot wijst niets in de gedragingen van de verdachte er naar de uiterlijke verschijningsvorm op hij op enig moment voornemens is geweest de tas met pillen naar een politiebureau te brengen in plaats van naar zijn eigen woning aan de [adres 1] te Amsterdam. Het verweer wordt mitsdien bij gebrek aan feitelijke grondslag verworpen. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.