beschikking GERECHTSHOF AMSTERDAM Rekestnummer: 000464-17 / (591a HB) Proces-verbaalnummer: 20130053 Liguster Beschikking op het hoger beroep tegen de beschikking van de rechter in de enkelvoudige raadkamer van de rechtbank te Amsterdam van 25 november 2016 op het verzoekschrift krachtens artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van: [Appellant], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], te dezer zake domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat [advocaat], [adres], appellant. 1Inhoud van het verzoek Het verzoekschrift strekt tot het toekennen van een vergoeding uit ’s Rijks kas ter zake van: de kosten die de appellant stelt te hebben gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van de strafzaak met voormeld proces-verbaalnummer, ten bedrage van € 4.603,18; en de kosten ten behoeve van het opstellen, indienen en in raadkamer toelichten van het onderhavige verzoekschrift ten bedrage van € 280 (zonder mondelinge behandeling) dan wel € 550 (met mondelinge behandeling), zijnde de geldende standaardbedragen. 2Procesverloop De rechter in eerste aanleg heeft het verzoek afgewezen daar de werkgever van de appellant de kosten van rechtsbijstand draagt. De kosten van rechtsbijstand zijn niet ten laste van de appellant gekomen en het door de werkgever voldoen van die kosten kan niet als een voorschot worden beschouwd. Het bepaalde in artikel 591a Sv biedt geen ruimte voor de verzochte vergoeding van de kosten van rechtsbijstand. Derhalve zijn er geen gronden van billijkheid aanwezig om aan de appellant de verzochte vergoeding toe te kennen. Het hoger beroep is ingesteld namens de appellant. Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld proces-verbaalnummer, van het onderhavige verzoekschrift en van de stukken met betrekking tot de behandeling van dit verzoek in eerste aanleg. Het hof heeft op 23 juni 2017 de advocaat-generaal en de advocaat van de appellant ter gelegenheid van de openbare behandeling van het hoger beroep in raadkamer gehoord. De appellant is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet in persoon in raadkamer verschenen. Standpunt appellant De advocaat van de appellant heeft het hoger beroep in raadkamer aan de hand van haar pleitnota toegelicht en – kort gezegd – betoogd dat het gerechtshof Den Bosch bij arrest van 3 november 2014 (ECLI:NL:GHSHE:2014:4602) heeft geoordeeld dat de omstandigheid dat de kosten van rechtsbijstand op grond van artikel 69a, eerste lid, Besluit Algemene Rechtspositie Politie (verder: BARP) ten laste zijn gebracht van de werkgever van de appellant en de appellant in zoverre zelf geen kosten heeft gemaakt, geen beletsel vormt om aan de appellant een vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand toe te kennen. Uit artikel 5, derde lid, Regeling tegemoetkoming rechtskundige hulp politie (verder: de Regeling) vloeit immers voort dat de appellant gehouden is om vergoeding van de kosten op grond van artikel 591/591a Sv te verzoeken en ervoor te zorgen dat bij toewijzing van het verzoek de uitgekeerde tegemoetkoming toekomt aan de werkgever. Voorts heeft de advocaat verwezen naar een aantal uitspraken van de rechtbank Amsterdam, gewezen na eerdergenoemde uitspraak van het gerechtshof Den Bosch, waarbij de gevraagde vergoedingen ook werden toegekend in gevallen waarin de politie-eenheid Amsterdam de kosten van rechtsbijstand had betaald. Tenslotte heeft de advocaat aangevoerd dat uit de bij artikel 591a Sv behorende wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat de beperking dat alleen de door de appellant zelf geleden schade voor vergoeding in aanmerking komt, niet geldt voor de vergoeding van de kosten van een raadsman. Ook overigens zijn er voldoende gronden van billijkheid aanwezig voor toekenning van de verzochte vergoeding. Standpunt advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de appellant in het verzoek nu de appellant geen belang (meer) heeft bij behandeling van het verzoekschrift, omdat de kosten van rechtsbijstand niet ten laste van de appellant zijn gekomen en daadwerkelijk door de werkgever van de appellant zijn voldaan, wat, gelet op alle van toepassing zijnde bepalingen, niet als een voorschot kan worden aangemerkt, maar als een onvoorwaardelijke tegemoetkoming dient te worden aangemerkt. Subsidiair heeft de advocaat-generaal geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het hoger beroep en bevestiging van de beschikking waarvan beroep. 3Beoordeling van het hoger beroep Het hoger beroep is tijdig ingesteld. Ontvankelijkheid appellant Met betrekking tot het primaire standpunt van de advocaat-generaal dat de appellant niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn verzoek, omdat hij geen belang (meer) heeft bij behandeling van het verzoekschrift overweegt het hof dat de appellant wel degelijk een belang bij behandeling van het verzoekschrift heeft, nu uit het bepaalde in artikel 5, derde lid, van de Regeling blijkt dat de ambtenaar in een strafrechtelijke procedure zorg draagt voor (het doen van) een verzoek tot vergoeding van kosten op grond van de artikelen 591 en 591a Sv en er bij toewijzing van dit verzoek zorg voor draagt dat deze vergoeding aan het bevoegd gezag toekomt. Inhoudelijke beoordeling De appellant, brigadier van politie, is naar aanleiding van een incident tijdens diensttijd op 11 juni 2013 als verdachte aangemerkt ter zake van zware mishandeling de dood ten gevolge hebbende, dan wel doodslag, dan wel dood door schuld. De strafzaak tegen de appellant werd bij brief van 15 mei 2014 van het arrondissementsparket Amsterdam, Team Specialistische Maatwerkzaken, geseponeerd. Nadat op grond van artikel 12 Sv een klacht tegen het sepot werd ingediend, wees het gerechtshof Amsterdam de klacht bij beschikking van 19 januari 2016 af, waarmee de strafzaak tegen de appellant is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a Wetboek van Strafrecht (Sr). Ten aanzien van de vraag of de hiervoor bedoelde kosten van rechtsbijstand ten laste van de appellant zijn gekomen overweegt het hof het volgende. Bij de in de artikel 591a Sv geregelde vergoeding gaat het, blijkens de wetsgeschiedenis en jurisprudentie, om die kosten die daadwerkelijk ten laste van de gewezen verdachte komen. Vaststaat dat ten behoeve van de verdediging van de appellant, [advocaat] (en diverse van haar kantoorgenoten vanwege de verbondenheid van de zaken tegen de politieambtenaren [Appellant], [politieambtenaar 1], [politieambtenaar 2], [politieambtenaar 3] en [politieambtenaar 4]) werkzaamheden heeft verricht. Genoemde advocaat heeft ter zake van de door haar (en haar kantoorgenoten) verrichte werkzaamheden declaraties op naam gesteld van en ingediend bij de politie Amsterdam-Amstelland. De politie Amsterdam-Amstelland heeft de declaraties voldaan. In beginsel betekent dit dat de bedoelde kosten niet ten laste van de appellant zijn gekomen. Dat kan anders zijn indien moet worden geoordeeld dat de kosten, hoewel feitelijk niet door de appellant gemaakt, toch als door hem gemaakte kosten zouden moeten worden gezien. In onderhavige zaak betekent dit dat moet worden beoordeeld of de kosten alsnog ten laste van de appellant komen, omdat sprake zou zijn van een door de werkgever aan de appellant verstrekte voorwaardelijke tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp. Dat sprake is van een dergelijke voorwaardelijke tegemoetkoming kan volgen uit de bewoordingen van de daarop van toepassing wet- en regelgeving of uit anderszins door de appellant gestelde en gebleken feiten en omstandigheden. De voor het onderhavige verzoekschrift relevante artikelen uit het BARP en de eerdergenoemde Regeling luiden (thans) als volgt: Artikel 69a BARP:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.