parketnummer: 23-002140-16 datum uitspraak: 7 februari 2017 TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsvrouw) Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 25 mei 2016 in de strafzaak onder parketnummer 15-050163-16 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989, adres: [adres 1] Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 24 januari 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: 1:hij op of omstreeks 7 maart 2016 te Haarlem op de Azieweg [slachtoffer] heeft mishandeld door hem een of meermalen een vuistslag in het gezicht te geven; 2:hij op of omstreeks 7 maart 2016 te Haarlem met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen bij Albert Heijn op de [adres 2], een of meer flessen wijn, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Albert Heijn, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, om proceseconomische redenen. Bespreking van een bewijsverweer in hoger beroepTer terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van het onder 2 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken op de grond dat in het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is. Zij heeft daartoe aangevoerd dat uit het dossier lijkt te volgen dat de aangifte en het proces-verbaal van bevindingen van 14 maart 2016 uit dezelfde bron afkomstig zijn, namelijk de camerabeelden. Deze camerabeelden zijn niet meer beschikbaar, zodat de daarop gebaseerde waarnemingen niet kunnen worden gecontroleerd. Het hof overweegt als volgt. De aangifte van 7 maart 2016 bevat een omschrijving door de aangever van hetgeen hij die dag omstreeks 17:25 uur heeft gezien. Het proces-verbaal van bevindingen van 14 maart 2016 omvat een beschrijving van hetgeen de verbalisant die dag op de camerabeelden heeft waargenomen, voorzien van een digitale fotobijlage waarin prints van diverse camerabeelden zijn opgenomen. Het hof overweegt dat het verweer van de raadsvrouw dat de aangifte en het proces-verbaal van bevindingen te herleiden zijn tot dezelfde bron faalt, reeds omdat niet uit de aangifte blijkt dat de door de aangever beschreven waarnemingen aan de hand van de camerabeelden zijn gedaan. De aangifte en het proces-verbaal van bevindingen, alsmede de verklaring van een getuige [slachtoffer] dat hij heeft gezien dat de verdachte twee flessen in het water gooide, zijn voldoende om tot een bewezenverklaring te komen van de ten laste gelegde diefstal. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 1:hij op 7 maart 2016 te Haarlem op de Aziëweg [slachtoffer] heeft mishandeld door hem een vuistslag in het gezicht te geven; 2:hij op 7 maart 2016 te Haarlem met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen bij Albert Heijn, op de [adres 2] flessen wijn toebehorende aan Albert Heijn. Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het onder 1 bewezen verklaarde levert op: mishandeling Het onder 2 bewezen verklaarde levert op: diefstal. Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is. Oplegging van straf De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot 40 uren taakstraf, te vervangen door 20 dagen hechtenis. Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft, nadat hij was betrapt op diefstal, een beveiliger in de uitoefening van zijn beroep een klap met gebalde vuist in zijn gezicht gegeven. Dit handelen van de verdachte getuigt van onbeheerst gedrag en een gebrek aan respect voor de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 11 januari 2017 is hij eerder onherroepelijk veroordeeld voor mishandeling, waaronder mishandeling gepleegd tegen een beroepsbeoefenaar, hetgeen in zijn nadeel weegt. Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van na te melden duur passend en geboden. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze vordering bedraagt € 300,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en € 8,93 aan proceskosten. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep in zijn geheel toegewezen. Daarnaast is de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. De benadeelde partij heeft in hoger beroep bij brief, ingekomen op 28 november 2016, te kennen gegeven zijn eerder ingediende vordering tot schadevergoeding te willen handhaven. Bij brief, ingekomen op 19 januari 2017, heeft de benadeelde partij laten weten zijn eerder ingediende vordering tot schadevergoeding te willen aanpassen tot een bedrag van € 310,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.