afdeling strafrecht parketnummer: 23/003444-16 datum uitspraak: 12 juli 2017 TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsvrouw) Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 9 september 2016 in de strafzaak onder parketnummer 13/703552-15 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] , adres: [adres] Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 28 juni 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is – na eerdere afsplitsing in eerste aanleg van het onder 2 en 3 ten laste gelegde – ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 24 december 2015 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een tas met daarin een notebook en een iPad mini, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de Nationale Politie, eenheid Amsterdam, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het hof vernietigt het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen. Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie Door de raadsvrouw is betoogd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging. De raadsvrouw heeft hiertoe – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat het zogenoemde Tallon-criterium is geschonden, omdat de verdachte door het plaatsen van een zogenoemde loktas door de politie op het idee is gebracht de tas te stelen zonder dat zijn opzet daar vooraf op was gericht. Het betrof een laptoptas die op een onlogische plek was geplaatst. Bovendien was sprake van een gerichte actie tegen de verdachte, aldus de raadsvrouw. Het hof overweegt als volgt. Op grond van het procesdossier, waaronder in het bijzonder verklaringen die ten overstaan van de rechter-commissaris zijn afgelegd, en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is het volgende vast komen te staan. Naar aanleiding van een toename van het aantal gevallen van zakken- en tassenrollerij jegens zakelijke reizigers en toeristen op – onder andere – het Centraal Station te Amsterdam, is door de officier van justitie toestemming gegeven om daar van 26 augustus 2015 tot en met 1 januari 2016 gebruik te maken van een zogenaamde loktas, te weten een tas met laptop of iPad, portemonnee of telefoon. Op 24 december 2015 is overgegaan tot de inzet van een loktas op het Centraal Station. Agent van politie [verbalisant 1] positioneerde zich om 15.05 uur bij de bagageruimte in de Oosttunnel van het Centraal Station in Amsterdam, alwaar hij zich voordeed als toerist. Op een afstand van ongeveer een meter had hij in een nis een koffer en, daarachter, een zwarte laptoptas (de ‘loktas’) geplaatst. Uit zijn beroepsmatige ervaring wist [verbalisant 1] dat een dergelijke situatie zich bij de bagageruimte veelvuldig pleegt voor te doen; toeristen laten hun tassen daar vaak (nagenoeg) onbeheerd achter. [verbalisant 1] stond met zijn rug naar de loktas toe en keek elke tien minuten om naar de loktas. Bij aanvang van deze actie bevond de verdachte zich nog niet in de onmiddellijke nabijheid van het Centraal Station. Op een gegeven moment zag brigadier [verbalisant 2] de verdachte, hem ambtshalve bekend als tassendief, op de Geldersekade fietsen in de richting van het Centraal Station. [verbalisant 2] wist ambtshalve ook dat de verdachte meestal in en rond het Centraal Station opereert en heeft hem meerdere malen aangehouden in verband met tassendiefstal. [verbalisant 2] gaf zijn bevindingen door aan zijn collega’s. Op enig moment stalde de verdachte zijn fiets vlak bij het Centraal Station. Hij heeft vervolgens het station betreden en is weer naar buiten gelopen. Dit is aan [verbalisant 1] doorgegeven door zijn collega’s. [verbalisant 1] is op dat moment en om die reden een gesprek aangegaan met een Aziatische toerist, kennelijk met de bedoeling om de situatie waarin een reiziger zijn tas (nagenoeg) onbeheerd in de nis laat staan nog beter na te bootsen. De verdachte is vervolgens het Centraal Station aan de Oostzijde binnengegaan, heeft bij de bagageruimte de loktas meegenomen en is het station met versnelde pas weer uitgelopen. Hierop is hij te 15.15 uur aangehouden. Het hof is van oordeel dat dat het plaatsen door de politie van een zogenoemde loktas teneinde aldus bagagedieven op heterdaad te kunnen betrappen op zichzelf niet ongeoorloofd is. Door de verdediging is zulks in hoger beroep ook niet betwist. Gelet op hetgeen het hof heeft vastgesteld is het hof, anders dan de raadsvrouw, van oordeel dat niet gezegd kan worden dat de politie de verdachte heeft gebracht tot andere handelingen dan die waarop zijn opzet reeds tevoren was gericht. De politie heeft immers niet meer gedaan dan het plaatsen van een laptoptas op een plek waar regelmatig bagage in meerdere of mindere mate onbeheerd wordt gestald in een stationsgebouw waar veel bagage gestolen pleegt te worden. Dat [verbalisant 1] naar aanleiding van het ten tonele verschijnen van de verdachte het gesprek met een Aziatische toerist aanging en dat collega’s van hem die bij de actie waren betrokken op enige afstand zijn gaan staan, omdat de verdachte veel politieambtenaren kent, doet daaraan niet af. Dat [verbalisant 1] , zo blijkt uit zijn tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring, bij de aanvang van de inzet van de loktas ervan op de hoogte was dat [verbalisant 2] ‘achter de verdachte aanzat’ maakt het evenmin anders. [verbalisant 1] heeft ten overstaan van de rechter-commissaris immers ook verklaard dat de inzet van dit middel op voorhand niet in het bijzonder op de verdachte was gericht en heeft daarbij toegelicht dat de verdachte zich de laatste tijd niet meer op het Centraal Station vertoonde. Het hof ziet geen solide aanknopingspunten om aan de juistheid van deze verklaring te twijfelen, temeer nu [verbalisant 1] ook heeft verklaard dat de loktas [naar het hof begrijpt: in die tijd] één tot twee keer per week werd ingezet. Ook overigens is geen sprake van enige ongeoorloofde uitlokking van de verdachte. Het verweer wordt dan ook verworpen. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 24 december 2015 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een tas met daarin een notebook en een iPad mini, toebehorende aan de Nationale Politie, eenheid Amsterdam. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Bewijsmiddelen
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.