Parketnummer: 23-000569-16 Datum uitspraak: 13 januari 2017 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 20 november 2014 in de strafzaak onder parketnummer 14-258305-12 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991, adres: [adres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 30 december 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 6 oktober 2012 te Alkmaar opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [benadeelde] ), - ( meermalen) (met kracht) met de (tot vuist gebalde) hand(en) in/op/tegen het gezicht, althans de hals, althans het hoofd, heeft geslagen en/of gestompt en/of - ( met kracht) op/tegen het lichaam heeft geduwd, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter. Bewijsoverweging De verdachte heeft bepleit dat hij uit noodweer heeft gehandeld. Het hof dient de vraag te beantwoorden of de verdachte zich heeft verdedigd tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding en of deze verdediging noodzakelijk is geweest, waarbij naast aan de eis van subsidiariteit, ook aan het proportionaliteitsvereiste moet zijn voldaan. Het hof constateert dat de feitelijke toedracht van het incident onduidelijk is. Geen van de getuigen heeft de aanvang van de schermutseling waargenomen. De aangever heeft verklaard dat hij ineens door de verdachte werd aangevallen en dat hij voelde dat hij op zijn gezicht en hals werd geslagen. De verdachte heeft op 23 november 2012 bij de politie verklaard dat de aangever dreigend op hem af kwam lopen. Op het laatste moment zag de verdachte dat de aangever een glas bier in zijn handen had. De verdachte vertrouwde het niet en heeft de aangever een klap gegeven, omdat hij niet geslagen wilde worden met het bierglas. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat de aangever op hem af kwam lopen met een bierglas in zijn hand, een negatieve blik had en een uitwijkende beweging met diens hand maakte. Zowel bij de politie als ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat de aangever en diens vrienden hem eerder die avond hadden geprovoceerd en hij ook is geduwd door een van aangevers vrienden. Bij de beoordeling van het verweer gaat het hof uit van de door de verdachte gestelde feiten en omstandigheden. Hierbij wordt uitgegaan van de verklaring bij de politie en niet van de verklaring ter terechtzitting. Het hof acht de net na het incident bij de politie afgelegde verklaring betrouwbaarder dan een verklaring die vier jaar na het incident is afgelegd. Voor noodweer is vereist dat de verdediging is gericht tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Van een dergelijke aanranding kan ook sprake zijn bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. De gestelde aanranding moet dan echter een zekere objectieve toetsing kunnen doorstaan: de enkele vrees is onvoldoende. Het hof is van oordeel dat de door de verdachte gestelde aanranding deze objectieve toets niet doorstaat. Dat de verdachte het handelen van de aangever niet vertrouwde is niet van doorslaggevend belang. Diens gedrag, namelijk het richting de verdachte lopen met een glas bier in zijn handen, was in redelijkheid niet dermate bedreigend dat dit aangemerkt kan worden als een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. In dit oordeel heeft het hof de door de verdachte gestelde provocaties en duwen betrokken. Nu de verdediging niet gericht was tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, wordt het beroep op noodweer verworpen. Getuige [getuige] heeft gezien dat de lip van de aangever gescheurd was en flink bloedde nadat verdachte bij hem wegliep. In het geschrift van 7 oktober 2012, opgesteld door AIOS [naam] , staat dat de bovenlip van de aangever verwond is en dat de reden van de komst van de aangever een mishandeling is. Gelet op het voorgaande acht het hof een causaal verband bewezen tussen het handelen van de verdachte en het bij de aangever geconstateerde letsel. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij omstreeks 6 oktober 2012 te Alkmaar opzettelijk mishandelend [benadeelde] meermalen tegen het gezicht en de hals heeft geslagen en tegen het lichaam heeft geduwd, waardoor deze letsel heeft bekomen. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezen verklaarde levert op: mishandeling. Strafbaarheid van de verdachte De raadsman heeft bepleit dat de verdachte uit (putatief) noodweer heeft gehandeld en daarom dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Voor putatief noodweer is vereist dat feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de verdachte redelijkerwijs aanleiding konden geven te veronderstellen dat hij dreigde te worden aangevallen. Reeds gelet op hetgeen hierboven is overwogen onder ‘bewijsoverweging’ zijn die feiten of omstandigheden niet aannemelijk geworden. Het beroep op putatief noodweer wordt daarom verworpen. Er is overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is. Oplegging van straf en maatregel De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van een week. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete ter hoogte van € 300,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.