parketnummer: 23-003039-16 datum uitspraak: 8 februari 2017 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 29 juli 2016 in de strafzaak onder de parketnummers 15-820252-16 en 10-661082-14 (TUL) tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994, adres: [adres] , thans gedetineerd in P.I. Veenhuizen, gevangenis Esserheem. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 25 januari 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de beslissingen omtrent de opgelegde straf, het beslag en de vordering tot tenuitvoerlegging – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat de bewijsoverweging van de rechtbank door onderstaande bewijsoverweging wordt vervangen en artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht aan de toepasselijke wettelijke voorschriften wordt toegevoegd. Bewijsoverweging De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep over het hem verweten feit de volgende gang van zaken naar voren gebracht. De verdachte had bij een criminele organisatie schulden die hij – hoewel de organisatie daarop aandrong – niet kon afbetalen. Daarom zou de verdachte voor die organisatie naar de Dominicaanse Republiek reizen en van daar uit (naar hij dacht) drugs naar Nederland brengen. Voor de heenreis naar de Dominicaanse Republiek moest de verdachte met zijn reisbenodigdheden naar een bepaald adres komen. Daar stond voor hem een lege koffer gereed op een bed en zeiden de mannen van voormelde organisatie tegen de verdachte “inpakken, inpakken”. De verdachte moest snel zijn reisbenodigdheden in de koffer stoppen, terwijl de mannen om hem heen stonden. De verdachte ging ervan uit dat deze koffer nodig was voor het transport van de drugs die hij op de terugreis moest vervoeren. Hij heeft de koffer – één à twee dagen voor zijn vertrek naar de Dominicaanse Republiek – mee naar huis genomen en daar verder niet in gekeken. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde niet bewezen kan worden verklaard, nu de verdachte niet wist dat hij al op de heenweg naar de Dominicaanse Republiek drugs in zijn koffer had zitten. Het hof verwerpt dit verweer. Naar het oordeel van het hof blijkt uit de door de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep afgelegde verklaringen dat bij hem sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op het uitvoeren van de bij hem aangetroffen verdovende middelen. Daarbij acht het hof van belang dat de verdachte naar eigen zeggen op reis ging voor een criminele organisatie waarvoor hij – naar hij dacht – drugs zou gaan vervoeren naar Nederland, ten behoeve waarvan hij een koffer van leden van die organisatie kreeg. De omstandigheden waaronder de verdachte die koffer kreeg en moest inpakken, alsmede het feit dat de inhoud van die koffer ruim 5 kg zwaarder woog dan de bagage die de verdachte daarin had gedaan, hadden hem alle aanleiding moeten geven die koffer aan een nauwkeurige inspectie te onderwerpen. Door dit na te laten heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij ook op de heenreis naar de Dominicaanse Republiek verdovende middelen zou vervoeren. Terzijde merkt het hof op dat de verdachte op de hem ter terechtzitting in hoger beroep gestelde vraag wat hij zou hebben gedaan als hij zou hebben gezien dat de drugs in de koffer zat, heeft geantwoord: ‘Dan had ik misschien niets anders gedaan’. Oplegging van straf De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest en onder de algemene en bijzondere voorwaarden in het vonnis vervat. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering en een ambulante behandeling gedurende de proeftijd, zolang de reclassering dat nodig acht. De raadsman heeft het hof verzocht, in geval van een bewezenverklaring, aan de verdachte geen zwaardere straf op te leggen dan in eerste aanleg is opgelegd. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke uitvoer van 5.351,1 gram MDMA. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De uitgevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in MDMA gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 20 januari 2017 is hij weliswaar eerder onherroepelijk veroordeeld, maar ter zake van andersoortige feiten, zodat het hof dit niet in het nadeel van de verdachte meeweegt. Het hof gaat bij de strafmaat uit van het daadwerkelijke gewicht van de pillen. Het hof is zich ervan bewust dat de zogenoemde LOVS-oriëntatiepunten ten aanzien van harddrugs in tabletvorm een omrekenformule inhouden waarbij een aantal van vijf pillen wordt gelijkgesteld aan 1 gram. Nu echter uit het proces-verbaal van onderzoek van de aangetroffen pillen blijkt dat in casu de schatting van het aantal pillen (bij benadering 21.577) van het gemeten gewicht is afgeleid, zal het hof die omrekenformule niet hanteren. Het hof heeft acht geslagen op het omtrent de verdachte opgemaakte reclasseringsrapport van 9 juli
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.