parketnummer: 23-003628-15 datum uitspraak: 18 januari 2017 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 2 september 2015 in de strafzaak onder parketnummer 96-066393-15 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 4 januari 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 14 januari 2014, te Amsterdam, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de Rijnstraat, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter. Ontvankelijkheid openbaar ministerie in de vervolging De raadsvrouw heeft in hoger beroep aan de hand van door haar overgelegde pleitnotities bepleit dat het openbaar ministerie niet in de vervolging van de verdachte kan worden ontvangen, vanwege een schending van het beginsel “ne bis in idem”, het verbod van dubbele vervolging. De verdachte is namelijk eerder ten aanzien van exact hetzelfde feitencomplex vervolgd en vrijgesproken. Aangezien sprake is van hetzelfde feitencomplex en bescherming van dezelfde rechtsbelangen, gaat het om hetzelfde feit als bedoeld in artikel 68 Wetboek van Strafrecht, aldus de raadsvrouw. De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot verwerping van het beroep op de schending van het beginsel “ne bis in idem” en acht het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging van de verdachte. De strekking van het verwijt is bij het tweede lid van artikel 9 van de Wegenverkeerswet 1994, waarvoor hij thans wordt vervolgd, anders dan bij het achtste lid, dat in de eerdere strafzaak aan de orde was, en het gaat dan ook om een ander feit, aldus de advocaat-generaal. Het hof overweegt als volgt. In de zaak met parketnummer 13-701121-14 (in hoger beroep: 23-001925-14) werd de verdachte verweten dat hij op 14 januari 2014 een personenauto had bestuurd terwijl het rijbewijs was ingevorderd dan wel ingeleverd, in strijd met artikel 9, lid 8 van de Wegenverkeerswet
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.