13/728049-17 GERECHTSHOF AMSTERDAM, MEERVOUDIGE STRAFKAMER, RAADKAMER BESCHIKKING in raadkamer op het hoger beroep in de zaak van [appellant] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum] 1979, zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande, thans verblijvende in het huis van bewaring [detentieplaats] , tegen de beslissing van de rechtbank Amsterdam van 8 augustus 2017, voor zover houdende afwijzing van het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis van de verdachte. De feiten en de rechtsgang Het hof heeft kennis genomen van de akte van de griffier van de rechtbank Amsterdam van 8 augustus 2017, waarbij namens de verdachte hoger beroep is ingesteld van voormelde beslissing van die rechtbank. Het hof heeft gezien de beslissing waarvan beroep en heeft kennis genomen van de stukken betrekking hebbend op de voorlopige hechtenis van de verdachte en heeft gehoord de advocaat-generaal en de verdachte, bijgestaan door diens raadsman, mr. E.G.S. Roethof. De beoordeling Het hof verenigt zich met de beslissing waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en de gronden waarop deze berust. Het hof acht voldoende ernstige bezwaren aanwezig voor alle op de vordering inbewaringstelling vermelde feiten. Het hof wijst daartoe op de bevindingen en observaties met betrekking tot de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op 4 april 2017, het aantreffen van gelijksoortig verpakte blokken cocaïne in verborgen ruimten in de betrokken auto’s, terwijl één van de auto’s zich op het parkeerterrein behorend bij de woning [adres 3] bevond, de bij de doorzoeking in de [adres 3] aangetroffen goederen, waaronder verpakkingsmaterialen, een weegschaal en ook een bol cocaïne, de verklaring van de getuige [getuige] , de aanhouding van de verdachte samen met de medeverdachte [medeverdachte 1] in de woning [adres 2] , en op de onduidelijkheden over de datum en de wijze waarop de verdachte naar Nederland is teruggekeerd in april 2017. Met betrekking tot het door de verdachte mondeling gedane verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis geldt dat dit verzoek moet worden afgewezen. Het hof overweegt dat het vluchtgevaar onvoldoende kan worden ingeperkt door het stellen van schorsingsvoorwaarden. Nu de verdenking betrekking heeft op georganiseerde internationale drugshandel biedt het opleggen van een borgsom in beginsel onvoldoende garantie voor het nakomen van schorsingsvoorwaarden. Het hof ziet daarom in deze zaak geen aanleiding op dat aanbod in te gaan. 13/728049-17 De beslissing Het hof: WIJST AF het beroep tegen de bestreden beslissing, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen. WIJST AF het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis. Deze beschikking is gegeven op 30 augustus 2017 in raadkamer van dit hof door mr. M.J.G.B. Heutink, voorzitter, mrs. J.L. Bruinsma en N.R.A. Meerbeek, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. S.A.M. Borg als griffier. De advocaat-generaal bij dit gerechtshof brengt vorenstaande beschikking ter kennis van de verdachte. Amsterdam, 30 augustus 2017, de advocaat-generaal
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.