beslissing ___________________________________________________________________ _ _ GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht zaaknummer : 200.209.195/01 NOT nummer eerste aanleg : C/05/298235/KL RK 16/13 beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 5 september 2017 inzake mr. [naam] , notaris te [plaats] , appellant, gemachtigde: mr. M.A. Jansen, advocaat te Heerenveen, tegen Bureau Financieel Toezicht, gevestigd te Utrecht, geïntimeerde, gemachtigde: mr. A.T.A. Tilleman. 1Het geding in hoger beroep 1.1. Appellant (hierna: de notaris) heeft op 13 februari 2017 een beroepschrift - met bijlage - bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de kamer) van 17 januari 2017 (ECLI:NL:TNORARL:2017:20). De kamer heeft in de bestreden beslissing de klacht van geïntimeerde (hierna: het BFT) gegrond verklaard en de notaris de maatregel van schorsing in de uitoefening van zijn ambt voor de duur van twee weken opgelegd. 1.2. Het hof heeft op 27 februari 2017 van de notaris een aanvullend beroepschrift - met bijlagen - ontvangen. 1.3. Het BFT heeft op 24 maart 2017 een verweerschrift - met bijlage - bij het hof ingediend. 1.4. Op 18 mei 2017 heeft het hof van de notaris een brief van diezelfde datum met bijlagen ontvangen. Daartoe door het hof in de gelegenheid gesteld, heeft het BFT bij brief van 8 juni 2017 daarop een reactie ingediend. 1.5. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 22 juni 2017. De notaris, vergezeld van zijn gemachtigde, en de gemachtigde van het BFT zijn verschenen en hebben het woord gevoerd; beide gemachtigden aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnota. 2Stukken van het geding Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken. 3Feiten 3.1. Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat. 3.2. Kort gezegd gaat het in deze zaak om het volgende. 3.2.1. Het notariskantoor [naam] heeft kantoren in [plaats X] en [plaats Y] . De notaris heeft zijn vestigingsplaats te [plaats Y] . Zijn zus, mr. [naam] (hierna: de zus van de notaris), is ook notaris en heeft haar vestigingsplaats te [plaats X] . Er is sprake van een gezamenlijke kantooradministratie en -organisatie. 3.2.2. In 2013 heeft de notarisklerk verbonden aan het kantoor te [plaats Y] (hierna: de notarisklerk) contacten onderhouden met vertegenwoordigers van [naam] (hierna: de BV). De BV is op 26 april 2013 opgericht en presenteerde zich op de website [naam] als een adviesbureau voor minder loonbeslag. 3.2.3. Op 2 december 2013 heeft de notarisklerk het volgende bericht van de BV ontvangen: “Hierbij de gegevens voor de eerste akte: Schuldbekentenis € 75.000 Geen onderpand. Beste man heeft elders 60.000 schuld en wij gaan garant staan voor deze terugbetaling richting derden. (..) Particulier. Ik zal je z.s.m. paspoort scannen en mailen. Heb je nog meer gegevens nodig?” Nadien heeft de BV opdracht gegeven voor het opstellen van akten voor vergelijkbare overeenkomsten met andere particulieren ten laste van wie loonbeslag was gelegd. 3.2.4. De eerste akte, verleden op 29 januari 2014, is door de notarisklerk voorbereid in overleg met een kandidaat-notaris werkzaam bij het notariskantoor. Voor de akte was aanvankelijk een geldleningsovereenkomst opgesteld, maar op verzoek van de BV is deze gewijzigd in een vaststellingsovereenkomst. Deze vaststellingsovereenkomst heeft model gestaan voor alle daarop volgende akten. 3.2.5. In die akten werd een vaststellingsovereenkomst opgenomen waarbij een derde, partij bij die akte, verklaarde aan de BV een bedrag schuldig te zijn. Tevoren had de BV voor dat bedrag een factuur opgemaakt. Op de factuur stond het totaalbedrag vermeld onder de beschrijving ‘conform afspraak i.v.m. betalingsgarantie’. Het bedrag op de factuur was niet nader uitgesplitst. De factuur werd aan de vaststellingsovereenkomst gehecht. 3.2.6. De notaris heeft op 13 februari 2014 een grosse van de hierboven onder 3.2.4. genoemde akte van 29 januari 2014 afgegeven. 3.2.7. Binnen twee maanden nadien zijn er veertien akten met een dergelijke vaststellingsovereenkomst in het protocol van de notaris en van de zus van de notaris gepasseerd. De wederpartij/schuldenaar was altijd aanwezig bij het passeren. De BV had een volmacht afgegeven aan het notariskantoor. In nagenoeg alle gevallen was er tijdens het passeren van de akten een accountmanager van de BV aanwezig. 3.2.8. Drie van deze akten zijn gepasseerd door kandidaat-notarissen als waarnemers van de zus van de notaris. Twee kandidaat-notarissen hebben als waarnemers van de notaris tien van deze akten gepasseerd. 3.2.9. Op 28 maart 2014 heeft de notaris de laatste (veertiende) akte verleden en daarvan een grosse afgegeven. De wederpartij van de BV kon toen geen duidelijkheid verstrekken over de hoogte van de vordering. Naar aanleiding hiervan heeft de notaris op 3 april 2014 besloten dat geen akten met dergelijke vaststellingsovereenkomsten voor de BV meer zouden worden gepasseerd. 3.2.10. In april 2014 heeft een gerechtsdeurwaarder op de voet van artikel 438 lid 4 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering in een zogeheten deurwaarderskortgeding aan de voorzieningenrechter te Amsterdam voorgelegd of hij, nadat hij op basis van een akte met een dergelijke vaststellingsovereenkomst van 10 maart 2014 executoriaal loonbeslag had gelegd ten laste van de schuldenaar onder diens werkgever, tot verdeling van de netto-opbrengst van het loonbeslag tussen de BV en de eerste beslaglegger moest overgaan. Volgens de gerechtsdeurwaarder had het er alle schijn van dat niet werkelijk sprake was van een opeisbare vordering van de BV op de schuldenaar, maar dat van een (schijn)constructie om via de werking van artikel 3:277 Burgerlijk Wetboek een deel van de inhoudingen ingevolge het beslag terug te sluizen naar de schuldenaar, waarbij de BV een niet onaanzienlijke maandelijkse fee incasseerde. 3.2.11. Bij uitspraak van 2 mei 2014 (ECLI:NL:RBAMS:2014:2409) heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat de gerechtsdeurwaarder verplicht was zijn ministerie aan de BV als beslaglegger te weigeren en wel zo dat hij er niet toe over zou gaan de BV te laten meedelen in de netto-opbrengst van het ten laste van de schuldenaar gelegde loonbeslag. De voorzieningenrechter achtte - kort samengevat - de gekozen constructie tussen de tweede beslaglegger en beslagene niet toelaatbaar, enerzijds omdat de notariële akte op grond waarvan beslag was gelegd vals was en de daarin vastgelegde vaststellingsovereenkomst nietig was en anderzijds omdat deze ook de belangen van derden (derde en opvolgende beslagleggers) kon schaden. 3.2.12. Naar aanleiding van bovenvermelde uitspraak van de voorzieningenrechter heeft het BFT ingevolge artikel 110 van de Wet op het notarisambt (Wna) een onderzoek ingesteld op het kantoor van de notaris. 3.2.13. Op 26 februari 2015 heeft het BFT rapport uitgebracht. Hierin wordt geconcludeerd dat twee kandidaat-notarissen werkzaam bij het kantoor in verband met de hier in het geding zijnde akten niet hebben voldaan aan de op hen rustende onderzoeksplicht (artikel 17 Wna) en ministerieplicht (artikel 21 lid 2 Wna). De handelingen van deze kandidaat-notarissen zijn volgens het BFT tevens toerekenbaar aan (de zus van) de notaris. 3.2.14. Het BFT heeft tegen voornoemde kandidaat-notarissen tuchtklachten ingediend. Bij beslissingen van 13 juli 2016 en 14 juli 2016 (ECLI:NL:TNORDHA:2016:26 respectievelijk ECLI:NL:TNORAMS:2016:21) zijn de tuchtklachten tegen deze kandidaat-notarissen gegrond verklaard. Aan de ene kandidaat-notaris is de maatregel van berisping opgelegd en aan de andere kandidaat-notaris de maatregel van waarschuwing. Hiertegen is geen hoger beroep ingesteld. 3.2.15. Bij beslissing van dit hof van 31 januari 2017 (ECLI:NL:GHAMS:2017:226) is de tuchtklacht die het BFT in verband met de in het geding zijnde akten tegen de zus van de notaris heeft ingediend en die overeenkomt met de hier behandelde klacht tegen de notaris gegrond verklaard en is aan haar de maatregel van waarschuwing opgelegd. 4Standpunt van het BFT 4.1. Het BFT verwijt de notaris dat hij niet heeft voldaan aan (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.