afdeling strafrecht parketnummer: 23-000681-16 datum uitspraak: 14 april 2017 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Amsterdam van 18 februari 2016 in de strafzaak onder parketnummer 13-093270-14 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988, adres: [adres] , thans uit anderen hoofde gedetineerd in [detentie] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 31 maart 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, behalve ten aanzien van de strafoplegging. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd. Oplegging van straf De economische politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 1.000 subsidiair 20 dagen hechtenis waarvan € 500 voorwaardelijk subsidiair 10 dagen hechtenis met een proeftijd van één jaar. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien dagen. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft taxivervoer verricht, terwijl hij daarvoor geen vergunning had. De verdachte heeft zich hiermee onttrokken aan de regelgeving die het taxivervoer reguleert en beschermt. De taxiwetgeving beoogt vakmanschap en daarmee verkeersveiligheid en veiligheid van personen die vervoerd worden in een taxi te waarborgen door hier voorwaarden aan te stellen. Door het verrichten van zogenaamde snorderdiensten heeft de verdachte deze bedoeling van de wetgever gefrustreerd. Bovendien heeft hij hierdoor de concurrentiepositie van de taxivervoerders die wel met een vergunning hun diensten aanbieden onrechtmatig verslechterd, waardoor zij financieel worden benadeeld. Het gaat om een ergerlijk economisch delict en het rijgedrag van snorders wordt veelal als hinderlijk en gevaarzettend ervaren. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 13 maart 2017 is hij eerder ter zake van andersoortige strafbare feiten onherroepelijk veroordeeld. De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep in het kader van de strafmaat aangevoerd dat het een oud feit betreft en dat artikel 63 Sr van toepassing is. De raadsvrouw heeft het hof daarom verzocht artikel 9a Sr toe te passen, dan wel een geheel voorwaardelijke geldboete op te leggen. Het hof is van oordeel dat gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit, in dit geval niet kan worden volstaan met toepassing van artikel 9a Sr of een geheel voorwaardelijke straf. Het hof zal de verdachte een straf opleggen die in lijn is met de straffen die het hof in soortgelijke gevallen heeft opgelegd. Het hof acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte passend en geboden. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en de artikelen 76 en 103 van de Wet personenvervoer 2000. Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht. Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis. Bepaalt dat een gedeelte van de geldboete, groot € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige. Dit arrest is gewezen door de economische kamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.P.M. van Rijn, mr. R.D. van Heffen en mr. S.M.M. Bordenga, in tegenwoordigheid van mr. L.J.M. Klop, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 14 april 2017. Mr. S.M.M. Bordenga is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen. ========================================================================= […]
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.