GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerk 16/00529 5 september 2017 uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [X] te [Z] , belanghebbende,gemachtigde: mr. E.E. Troll (Allen & Overy) te Amsterdam tegen de uitspraak van 8 mei 2015 in de zaak met kenmerk UTR 14/3836 van de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van de gemeente Muiden (thans: gemeente Gooise Meren), de heffingsambtenaar. 1Ontstaan en loop van het geding 1.
(2011)per huishouden per jaar heffen. Verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt hoe het tarief is vastgesteld en waarom het tarief in de gemeente Muiden een veelvoud is van de tarieven in andere gemeenten. 6. De rechtbank overweegt dat aan gemeenten, binnen de grenzen van de Gemeentewet, een autonome bevoegdheid is toegekend om de tarieven voor de heffing van precariobelastingen vast te stellen. Gebruik van die bevoegdheid mag echter niet een onredelijke belastingheffing tot gevolg hebben waarop de wetgever niet het oog kan hebben gehad bij het toekennen van deze bevoegdheid aan de gemeenteraad. De rechtbank stelt vast dat het tarief voor de onderhavige precariobelasting in artikel 5 van de door de gemeenteraad van de gemeente Muiden op 17 oktober 2013 vastgestelde Verordening op de heffing en invordering van precariobelasting ter zake van buizen, kabels, draden of leidingen 2013 afhankelijk is gesteld van het aantal meters van de leidingen en kabels, te rekenen met een vast bedrag per meter. Deze maatstaf is niet willekeurig en in beginsel ook niet onredelijk. Naar het oordeel van de rechtbank is het door verweerder gehanteerde tarief van € 0,25 per strekkende meter per maand, mede gelet op de motivering van de bestreden uitspraak en de toelichting van verweerder ter zitting, evenmin willekeurig of onredelijk. Eiseres heeft met de enkele verwijzing naar lagere precariotarieven in enkele andere gemeenten niet aannemelijk gemaakt dat de onderhavige tarieven wel leiden tot een willekeurige of onredelijke belastingheffing. De beroepsgrond slaagt niet. 7. Eiseres voert verder aan dat de bestreden uitspraak in strijd is met algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het vertrouwensbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Ten aanzien van het vertrouwensbeginsel heeft eiseres aangevoerd dat sprake was van een bestendige relatie tussen partijen, die inhield dat geen precariobelasting werd geheven. Hierdoor is het gerechtvaardigde vertrouwen gewekt dat die belasting ook in de toekomst niet zou worden geheven. 8. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat niet eerder precariobelasting van eiseres of van een van haar rechtsvoorgangers werd geheven, niet meebrengt dat die belasting ook in het onderhavige jaar niet kan worden geheven. Wat het vertrouwensbeginsel betreft, heeft eiseres naast haar beroep op (de bepalingen van) de Regeling 1943 geen feiten of omstandigheden aangevoerd die bij haar de indruk gewekt kunnen hebben dat ook in de toekomst door de gemeente geen precariobelasting van haar zou worden geheven. Alleen daarom al slaagt haar beroep op het vertrouwensbeginsel niet. Eiseres heeft haar stelling inzake het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel in feite onderbouwd met de hiervoor besproken inhoudelijke beroepsgronden. Nu die beroepsgronden niet slagen, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de bestreden uitspraak op bezwaar in strijd is met de genoemde beginselen. Hierbij acht de rechtbank van belang dat de bestreden uitspraak uitvoerig is gemotiveerd en aan eiseres de mogelijkheid is geboden te reageren op de concept-uitspraak op bezwaar. 9. Tot slot voert eiseres aan dat verweerder in de bestreden uitspraak op bezwaar ten onrechte heeft geweigerd de door haar in bezwaar gemaakte kosten te vergoeden. 10. Op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht worden de kosten door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover de bestreden uitspraak wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Daarvan is hier geen sprake. Verweerder heeft dan ook terecht geweigerd de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, te vergoeden.” 4.2. Belanghebbende heeft zich in hoger beroep, samengevat en in hoofdzaken weergegeven, beroepen op de volgende gronden. De in 4.2.1 en 4.2.3 vermelde gronden zijn voor het eerst in hoger beroep aangevoerd: 4.2.1. Belanghebbende kan op grond van de Verordening niet als belastingplichtige worden aangemerkt. 4.2.2. Op grond van de Regeling 1943 is de gemeente niet bevoegd tot het heffen van precariobelasting ter zake van het elektriciteitsnet. 4.2.3. Op grond van de Koopovereenkomst en de Infrastructuurovereenkomst is de gemeente niet bevoegd tot het heffen van precariobelasting ter zake van het elektriciteitsnet en het gasnet (hierna tezamen ook aangeduid als: de nutsleidingen). 4.2.4. Het tarief van de precariobelasting is onevenredig hoog en naar willekeur vastgesteld. 4.2.5. De aanslag is in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het vertrouwensbeginsel, het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. 4.2.6. Bij de uitspraak op bezwaar is ten onrechte geweigerd de kosten van de bezwaarfase aan belanghebbende te vergoeden. Ter zitting heeft belanghebbende haar beroep op de vrijstelling van het (niet bestaande) artikel 7 lid 7 van de Verordening ingetrokken; deze beroepsgrond berustte op een abuis. 4.3. De heffingsambtenaar heeft de stellingen van belanghebbende gemotiveerd betwist. Het Hof zal deze betwisting, waar nodig, betrekken bij de bespreking van de beroepsgronden. Belanghebbende op grond van de Verordening niet als belastingplichtige aan te merken? 4.4.1. Wat beroepsgrond 4.2.1 betreft volgt het Hof belanghebbende in haar stelling dat zij op grond van lid 1 van artikel 3 van de Verordening niet als belastingplichtige kan worden aangemerkt; zij is immers – naar tussen partijen niet in geschil is – niet een ‘door de minister aangewezen netbeheerder’. Het Hof kan belanghebbende echter niet volgen in haar stelling dat alsdan niet aan lid 2 wordt toegekomen. Uitgaande van de kennelijke bedoeling van de gemeentelijke wetgever, zoals die mede blijkt uit de (toelichting
- op)het door de heffingsambtenaar overgelegde voorstel van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Muiden tot invoering van het heffen van precariobelasting op kabels en leidingen, moet lid 1 redelijkerwijs worden begrepen als een bepaling die heffing mogelijk maakt van de ingevolge de Gaswet of de Elektriciteitswet door de minister aangewezen (landelijke) netbeheerders, en kunnen regionale netbeheerders zoals belanghebbende worden begrepen onder de ‘andere gevallen’ van lid 2, mits zij overigens voldoen aan de in dat artikellid voor belastingplicht gestelde eisen. Dat laatste is bij belanghebbende het geval nu zij als economisch eigenaar van de netwerken – de nutsleidingen ‘heeft’ in de zin van dat artikellid. Staat de Regeling 1943 aan heffing in de weg? 4.4.2. Beroepsgrond 4.2.2 faalt op de door de rechtbank in onderdeel 4.1 van haar uitspraak vermelde gronden, waarmee het Hof zich verenigt onder verwijzing naar zijn uitspraken van 3 maart 2016, nr. 15/00573, ECLI:NL:GHAMS:2016:928, rechtsoverwegingen 4.1.3.1 tot en met 4.1.3.9 (gemeente Haarlemmermeer) en van 21 maart 2017, nr. 16/00289, ECLI:NL:GHAMS:2017:1500, rechtsoverwegingen 5.3.1.1 tot en met 5.3.9 (gemeente Naarden). Er zijn geen feiten gesteld of gebleken die tot gevolg zouden kunnen hebben dat de onderhavige Regeling 1943, anders dan de historische regelingen die aan de orde waren in de procedures tussen belanghebbende en de gemeenten Haarlemmermeer en Naarden, in het onderhavige jaar nog gelding had. Staan de Koopovereenkomst en de Infrastructuurovereenkomst, en/of (een aanspraak
- op)een zakelijk recht aan heffing in de weg? 4.4.3.1. Bij de beoordeling van beroepsgrond 4.2.3 neemt het Hof tot uitgangspunt dat – naar belanghebbende tegenover de onvoldoende gemotiveerde betwisting door de heffingsambtenaar voldoende aannemelijk heeft gemaakt – [bedrijf-2] de rechtsopvolger onder algemene titel is van [bedrijf-6] . 4.4.3.2. Op overeenkomstige gronden als het Hof heeft gebezigd in zijn uitspraken van 2 oktober 2014, nr. 13/00611, ECLI:NL:GHAMS:2016:4182, rechtsoverwegingen 5.3 tot en met 5.8 (gemeente Blaricum) en van 21 maart 2017, nr. 16/00289, ECLI:NL:GHAMS:2017:1500, rechtsoverwegingen 5.2.1.1 tot en met 5.2.6.3 (gemeente Naarden) oordeelt het Hof dat belanghebbende niet de rechtsopvolger is van [bedrijf-6] en dat ook overigens de gemeente niet jegens belanghebbende gebonden is aan de bepalingen van de Koopovereenkomst en de Infrastructuurovereenkomst. Beroepsgrond 4.2.3 faalt in zoverre. 4.4.3.3. Voor zover belanghebbende zich beroept op een uit de Infrastructuurovereenkomst voortvloeiende (aanspraak
- op)een zakelijk recht op de netwerken, verwerpt het Hof dat beroep op overeenkomstige gronden als vermeld in de rechtsoverwegingen 5.4.1 tot en met 5.4.8 van haar hoger vermelde uitspraak in de zaak van de gemeente Naarden. Niet valt in te zien dat de in 2.5 vermelde brief van 30 augustus 2016 daar nog aan toe- of afdoet. Beroepsgrond 4.2.3 faalt ook in zoverre. 4.4.3.4. Bij het voorgaande is in aanmerking te nemen dat de gemeenten Muiden, Naarden en Blaricum behoorden tot de ondertekenaars van de Koopovereenkomst en dat de door deze gemeenten met [bedrijf-6] gesloten Infrastructuurovereenkomsten op de relevante punten gelijkluidend zijn. 4.4.3.5. Voorts is daarbij in aanmerking te nemen dat belanghebbende in de onderhavige procedure ter onderbouwing van de onderhavige beroepsgrond geen argumenten heeft gebezigd die zij niet reeds in haar procedure tegen de gemeente Naarden had aangevoerd. Voor de duidelijkheid merkt het Hof daarbij op dat de onderhavige Verordening niet een vrijstelling bevat als de in artikel 4, onderdeel c, van de relevante verordening van de gemeente Naarden opgenomen vrijstelling voor door de gemeente – kort gezegd – ‘te gedogen’ voorwerpen, op welke vrijstelling belanghebbende zich tegenover de gemeente Naarden naast en ter versterking van haar beroep op de Koopovereenkomst en de Infrastructuurovereenkomst – doch overigens ook in zoverre tevergeefs – heeft beroepen. Is het tarief onevenredig hoog? 4.4.4. Aan hetgeen de rechtbank in onderdeel 6 van haar uitspraak over de hoogte van het tarief per strekkende meter heeft overwogen – waarmee het Hof zich verenigt – doet niet af dat op basis van dit tarief door belanghebbende berekende ‘kosten per huishouding’ in de gemeente Muiden aanzienlijk hoger uitkomen dan bij enkele andere door belanghebbende genoemde gemeenten. Het Hof acht deze vergelijking – wat daarvan overigens zij – irrelevant omdat zij is gebaseerd op het uitgangspunt dat belanghebbende de door een bepaalde gemeente van haar geheven precariobelasting één op één doorbelast of zou moeten doorbelasten aan (uitsluitend) haar afnemers in de desbetreffende gemeente. Dat uitgangspunt is arbitrair en kan niet aan de gemeente worden tegengeworpen. Overigens heeft de heffingsambtenaar gemotiveerd gesteld dat op grond van landelijke regelgeving de kosten van precarioheffing dienen te worden omgeslagen over alle aansluitingen in het (totale) verzorgingsgebied van een regionale netbeheerder (als belanghebbende). Ook de omstandigheid dat het tarief voor twee maanden in 2013, omgerekend naar een jaartarief, hoger is dan het jaartarief voor 2014, acht het Hof, mede gelet op het geringe verschil, onvoldoende om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank. Beroepsgrond 4.2.4 faalt. Overige beroepsgronden 4.4.5. De beroepsgronden 4.2.5 (algemene beginselen van behoorlijk bestuur) en 4.2.6 (geen kostenvergoeding bezwaarfase) falen op de door de rechtbank in respectievelijk de onderdelen 7 en 8 van haar uitspraak vermelde gronden, waarmee het Hof zich verenigt. 4.4.6. Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende zich nog beroepen op het rechtszekerheidsbeginsel. Voor zover de klacht is gebaseerd op hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd in het kader van haar stelling dat zij niet belastingplichtig is, wijst het Hof deze stelling af op grond van hetgeen onder 4.4.1 is overwogen. Voorts wijst het Hof erop dat in art. 228 in samenhang met art. 216 van de Gemeentewet aan de raad de bevoegdheid is verleend om ter zake van het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond precariobelasting te heffen. Deze bevoegdheid is op basis van een voorstel aan de raad bij brief van burgemeester en wethouders van 17 september 2013 uitgeoefend door middel van de onder 2.4.1 vermelde Verordening. Bij deze gang van zaken acht het Hof de heffing van precariobelasting van belanghebbende niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Slotsom 4.5. Al hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de slotsom dat het hoger beroep ongegrond is. 5Kosten Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. 6Beslissing Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De uitspraak is gedaan door mrs. J. den Boer, voorzitter, E.A.G. van der Ouderaa en H.E. Kostense, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. G.H.G. Otten als griffier. De beslissing is op 5 september 2017 in het openbaar uitgesproken. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen: 1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. 2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.