GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.175.086/01 zaaknummer rechtbank (Noord-Holland) : 3216629 \ CV EXPL 14-5035 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 7 februari 2017 inzake [appellant] , wonend te [woonplaats 1] , appellant, advocaat: mr. B.J. den Hartog te Amsterdam, tegen 1V.O.F. [naam VOF] , gevestigd te [vestigingsplaats] , gemeente [gemeente] , 2. [vennoot X], wonend te [woonplaats 2] , gemeente [gemeente] , 3. [vennoot Y], wonend te [woonplaats 2] , gemeente [gemeente] , en 4. [vennoot Z], wonend te [woonplaats 2] , gemeente [gemeente] , geïntimeerde, advocaat: mr. J.R.L. van Gasteren te Leusden. 1Het geding in hoger beroep Partijen worden hierna [appellant] , v.o.f. [naam VOF] (geïntimeerde sub 1) en [geïntimeerden] (geïntimeerden gezamenlijk) genoemd. [appellant] is bij dagvaarding van 21 april 2015 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Zaanstad, hierna ‘de kantonrechter’, van 22 januari 2015, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen hem als eiser in conventie, verweerder in reconventie, en [geïntimeerden] als gedaagden in conventie, eisers in reconventie. Het hof heeft vervolgens bij arrest van 25 augustus 2015 een comparitie van partijen bevolen. Deze heeft plaatsgevonden op 4 november 2015, met dien verstande dat [appellant] – anders dan zijn in de aanhef van dit arrest genoemde advocaat – niet ter zitting is verschenen. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van grieven, met producties; - memorie van antwoord. [appellant] heeft zijn oorspronkelijke eis in conventie verminderd zoals in de memorie van grieven op bladzijde 12 vermeld en geconcludeerd, kort gezegd en naar het hof begrijpt, dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog – uitvoerbaar bij voorraad – de verminderde eis van [appellant] zal toewijzen en de eis van [geïntimeerden] in reconventie zal afwijzen, met beslissing over de proceskosten, met inbegrip van nakosten en wettelijke rente. [geïntimeerden] hebben geconcludeerd, kort gezegd en naar het hof begrijpt, dat het hof het bestreden vonnis zowel in conventie als in reconventie zal bekrachtigen, met – uitvoerbaar bij voorraad – beslissing over de proceskosten. Beide partijen hebben bewijs van hun stellingen aangeboden. Ten slotte is arrest gevraagd. 2Feiten 2.1. De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder het kopje ‘De feiten’, a tot en met q, de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Met de grieven I en III komt [appellant] tegen die feitenvaststelling op. 2.2. Voor zover [appellant] wil betogen dat de door de kantonrechter vastgestelde feiten onvolledig zijn, miskent hij dat een rechterlijk vonnis niet een naar volledigheid strevende opgave behoeft te bevatten van al hetgeen tussen partijen in enig opzicht is voorgevallen, maar uitsluitend de feiten waarop de beslissing rust. In de vaststelling daarvan is de rechter in beginsel vrij. In zoverre falen de grieven. 2.3. Voor het overige ziet het hof in de genoemde grieven aanleiding om de feiten die, als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of niet voldoende betwist tussen partijen vaststaan, hierna opnieuw vast te stellen, voor zover die feiten voor de beslissing van de zaak in hoger beroep van belang zijn. 2.4. [appellant] is eigenaar van een kajuitzeiljacht van het merk en type [merk en type] , met een lengte van ruim 11,8 meter en een breedte van ruim 3,8 meter, en met de naam ‘ [naam jacht] ’, hierna ‘ [naam jacht] ’. V.o.f. [naam VOF] exploiteert te Zaandam een jachthaven met toebehoren, waaronder een stallingsfaciliteit voor pleziervaartuigen op de wal. Geïntimeerden sub 2, 3 en 4 zijn vennoten van v.o.f. [naam VOF] . 2.5. In 2008 zijn [appellant] en v.o.f. [naam VOF] een overeenkomst aangegaan die eerstgenoemde het recht gaf om, tegen betaling, gebruik te maken van een ligplaats in de jachthaven en van een plaats in de stallingsfaciliteit van v.o.f. [naam VOF] , beide in verband met [naam jacht] . Deze overeenkomst heeft, al of niet na verlenging na haar oorspronkelijke looptijd, in ieder geval tot het voorjaar van 2013 bestaan. 2.6. Op een datum in het laatste kwartaal van 2011 heeft v.o.f. [naam VOF] met behulp van een rijdende kraan [naam jacht] uit het water van de jachthaven op de wal getakeld en deze in de stallingsfaciliteit op het terrein van de jachthaven geplaatst. Die faciliteit werd gebruikt voor de winterstalling van vaartuigen. [appellant] was bij de plaatsing in de stallingsfaciliteit aanwezig. 2.7. Nadat [naam jacht] aldus in de stallingsfaciliteit van v.o.f. [naam VOF] was geplaatst, heeft [appellant] gedurende, althans op tijdstippen in, een reeks van maanden renovatie- en reparatiewerkzaamheden aan [naam jacht] verricht. Hierbij is hij geholpen door twee broers en een vriend. Vanaf een datum in mei 2012 tot een datum in september of oktober 2012 heeft hij de jachthaven niet bezocht, met achterlating van [naam jacht] op de plaats waar deze zich in mei 2012 bevond. 2.8. In de hierboven genoemde periode waarin [appellant] de jachthaven niet heeft bezocht, heeft v.o.f. [naam VOF] [naam jacht] binnen haar stallingsfaciliteit over een afstand van verschillende meters verplaatst. Zij heeft [appellant] hierover vooraf niet ingelicht. Toen deze de jachthaven na verloop van tijd voor het eerst weer bezocht, heeft hij waargenomen dat aan de voorzijde van de kiel van [naam jacht] een dwarsspant was gescheurd. Die scheur is ook vermeld in een rapport van Esma Expertise B.V. van 11 maart 2013 alsmede in een rapport van Dextton Nautisch Schadeonderzoeks- & Adviesbureau van 23 mei 2014, die respectievelijk door de verzekeraar van v.o.f. [naam VOF] en door [appellant] zijn ingeschakeld. 2.9. Bij de onder 2.7 genoemde werkzaamheden heeft [appellant] de kielbouten die de kiel aan de romp van [naam jacht] bevestigden losgemaakt. Als gevolg hiervan zat de kiel op het tijdstip van de hierboven genoemde verplaatsing door v.o.f. [naam VOF] niet meer vast aan de romp. [appellant] heeft v.o.f. [naam VOF] ervan beticht door [naam jacht] in die toestand te verplaatsen, zonder zijn toestemming, de genoemde scheur in de dwarsspant te hebben veroorzaakt. Hij heeft haar hiervoor aansprakelijk gesteld. 2.10. V.o.f. [naam VOF] heeft het desbetreffende verwijt van de hand gewezen en, op haar beurt, bij brief van 19 maart 2013 aan [appellant] meegedeeld hem ‘niet langer als klant aanwezig [te] willen zien op de jachthaven’. De brief vervolgt dat [appellant] na het eindigen van de winterstalling op 15 april 2013, tot 29 april 2013 de gelegenheid werd gegeven zijn zaken te regelen, dat hij geen ligplaats kreeg voor de zomer en dat hij ‘op zeer korte termijn’ diende te vertrekken. Op 21 mei 2014 heeft [appellant] [naam jacht] van het terrein van de jachthaven doen verwijderen. 3Beoordeling 3.1. Onder verwijzing naar de onder 2.4 tot en met 2.10 genoemde feiten vordert [appellant] , na in hoger beroep zijn oorspronkelijke eis op een enkel punt te hebben verminderd, de hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerden] tot betaling aan hem van bedragen van respectievelijk € 2.290,- en € 745,-, te vermeerderen met wettelijke rente. Het eerste bedrag heeft betrekking op de schade als gevolg van de onder 2.8 en 2.9 genoemde scheur in de dwarsspant aan de voorzijde van [naam jacht] . Het tweede bedrag betreft de schade die [appellant] stelt te hebben geleden als gevolg van het onder 2.10 genoemde beëindigen van de overeenkomst tussen partijen door v.o.f. [naam VOF] . 3.2. [geïntimeerden] vorderen op hun beurt de veroordeling van [appellant] tot betaling aan hen van bedragen van respectievelijk € 226,75 en € 803,25, te vermeerderen met wettelijke rente. Het eerste bedrag heeft betrekking op stallingsgeld dat [appellant] , volgens [geïntimeerden] , op grond van de overeenkomst tussen partijen vóór 15 april 2013 verschuldigd is geworden en niet heeft betaald. Het tweede bedrag betreft een vergoeding voor de stalling van [naam jacht] op het terrein van de jachthaven gedurende de periode van 15 april 2013 tot en met 15 oktober 2013, toen [appellant] ondanks de beëindiging van die overeenkomst van de stallingsfaciliteit aldaar gebruik is blijven maken. 3.3. Bij het bestreden vonnis zijn – in conventie – de vorderingen van [appellant] afgewezen. De vorderingen van [geïntimeerden] zijn – in reconventie – toegewezen. In dit hoger beroep komt [appellant] op tegen beide beslissingen en de overwegingen waarop zij berusten. Daarbij stelt hij zowel de grondslagen van zijn onder 3.1 samengevatte vorderingen als zijn verweren tegen de hierboven weergegeven vorderingen van [geïntimeerden] opnieuw aan de orde. Het hof overweegt daaromtrent als volgt. 3.4. De vordering van [appellant] tot schadevergoeding wegens, kort gezegd, de scheur in de dwarsspant aan de voorzijde van [naam jacht] veronderstelt (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.