afdeling strafrecht parketnummer: 23-002862-16 datum uitspraak: 14 september 2017 TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman) Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 13 juli 2016 in de strafzaak onder parketnummer 13-665084-16 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985, thans zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats hier te lande. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 31 augustus 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder feit 1 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 141 dagen, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, en dat hij van het onder 2 ten laste gelegde zal worden vrijgesproken. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat het hof het oordeel van de rechtbank onder 4.3 in het vonnis vervangt door de navolgende bewijsoverweging. Overweging ten aanzien van het bewijs Standpunt verdediging De raadsman heeft primair bepleit dat de verdachte van het onder de feiten 1 en 2 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe – kort gezegd – aangevoerd dat het enkel aantreffen van een DNA-spoor van de verdachte op de buitenkant van de deur van de woning aan de [adres 1] onvoldoende is om tot een bewezenverklaring te komen van de ten laste gelegde feiten. Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte met zijn verklaring, die in een e-mailbericht van 20 maart 2017 aan de raadsman is toegestuurd en door laatstgenoemde ter terechtzitting van 31 augustus 2017 is voorgelezen en overgelegd, een aannemelijke verklaring heeft gegeven voor het aangetroffen DNA-spoor. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat de verdachte in ieder geval van het onder feit 2 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe – kort gezegd – aangevoerd dat aan de hoogte van de oorafdrukken en de modus operandi onvoldoende onderscheidend vermogen toekomt om als schakelbewijs te dienen. Bij gebrek aan enig ander bewijsmiddel dient de verdachte derhalve te worden vrijgesproken, aldus de raadsman. Overwegingen van het hof Feiten en omstandigheden Het hof gaat op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting uit van de volgende feiten en omstandigheden. Op woensdag 20 januari 2016 tussen 08:45 uur en 13:36 uur is ingebroken in de woning aan de [adres 1] . Op diezelfde dag is tussen 10:30 uur en 13:37 uur ingebroken in de woning aan de [adres 2] . Deze woningen zijn naast elkaar gelegen op de eerste verdieping van een appartementencomplex, welk complex toegankelijk is via een centrale toegangsdeur. De profielcilinders van de voordeuren van beide woningen zijn geforceerd en uit beide woningen zijn goederen weggenomen. Op de voordeur van de woning aan de [adres 1] zijn twee oorafdrukken aangetroffen op 1.65 meter hoogte, te weten één afdruk van een linkeroor links naast het raam en één afdruk van een rechteroor rechts naast het raam. Van deze oorafdrukken zijn sporen veilig gesteld. Van het spoor aangetroffen op de voordeur, rechts naast het raam, is het DNA-profiel AAIY2530NL verkregen. Blijkens het rapport “Resultaten DNA-onderzoek” van het NFI van 7 maart 2016 matcht dit DNA-profiel met DNA-profielcluster nummer
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.