← Nederland

ECLI:NL:GHAMS:2017:4558

afdeling strafrecht parketnummer: 23-001928-16 datum uitspraak: 29 mei 2017 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 24 mei 2016 in de strafzaak onder parketnummer 13-194687-15 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1979, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 15 mei

  1. Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: zij op of omstreeks 26 september 2015 te Amsterdam [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] een of meermalen met kracht in het gezicht, althans tegen het hoofd, te stompen en/of te slaan. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, reeds omdat daarvan slechts aantekening is gedaan als bedoeld in artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering. Vordering van het openbaar ministerie De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd, te weten een geheel voorwaardelijke geldboete van € 400,00, subsidiair acht dagen hechtenis. Vrijspraak Uit het dossier volgt dat de verdachte en de aangeefster elkaar op 26 september 2015 in het station Amsterdam Amstel hebben ontmoet en dat daarbij onenigheid is ontstaan over spullen die de aangeefster onder zich had, maar die aan de verdachte dan wel aan de dochter van de verdachte toe zouden behoren. Over hetgeen daarbij is voorgevallen staan in deze zaak twee lezingen tegenover elkaar. De verdachte stelt dat zij een discussie heeft gehad met de aangeefster en dat daarbij wellicht sprake was van duwen of trekken, maar dat er niet is geslagen. Haar lezing wordt ondersteund door de verklaring van de getuige Boumans. De aangeefster stelt daarentegen dat zij met gebalde vuist is geslagen door de verdachte. Haar lezing wordt ondersteund door de verklaring van getuige Akka, die inhoudt dat hij heeft gezien dat de verdachte de aangeefster met vlakke hand tegen haar gezicht sloeg. Gelet op het tegenover elkaar staan van deze lezingen en in aanmerking genomen dat de verklaring van getuige Akka op belangrijke onderdelen afwijkt van die van de aangeefster, acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte aangeefster in het gezicht heeft geslagen of gestompt, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.N. Dalebout, mr. M.J.A. Duker en mr. B.A.A. Postma, in tegenwoordigheid van mr. A.N. Biersteker, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 29 mei
  2. Mr. B.A.A. Postma is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen. […]

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.