GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerk 15/00857 10 augustus 2017 uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [X] , belanghebbende,gemachtigde: mr. T. Vink (Taxwise advocaten & belastingadviseurs) te Amsterdam tegen de uitspraak van 12 november 2015 in de zaak met kenmerk HAA 14/3091 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen belanghebbende en de ontvanger van de Belastingdienst, de ontvanger. 1Ontstaan en loop van het geding 1.
(2)[G] B.V. het enquêteverzoek voor de mondelinge behandeling (…) intrekt. (…) Voor het geval de enquête en de publiciteit die daarmee wordt opgeroepen wordt doorgezet, het geschil niet (tijdig) wordt beslecht en/of zich andere schadelijke ontwikkelingen voor de Stichting voordoen, behoudt de Stichting zich het recht voor de dienstverleningsovereenkomst met [ [B] ] (…) te beëindigen.” 2.
- In zijn ‘faillissementsverslag nr. 1’ inzake [B] van 30 september 2008 heeft de curator onder meer het volgende geschreven: “1.2 Winst en verlies Onderstaande cijfers met betrekking tot de winst- en verliesrekening en de balans zijn ontleend aan de conceptjaarrekening 2007 d.d. 13 juni 2008, de jaarrekeningen 2006 d.d. 8 april 2008 en de jaarrekening 2004 d.d. 11 juli
- (…) 1.3 Balanstotaal 31-12-2007 31-12-2006 31-12-2005 (…) (…) Vorderingen op Groepsmaatschappijen (…) [ [D] ] 2.252.125 2.355.086 1.157.364 (…) [ [A] ] 336.250 152.836 942.917 [ [C] BV] 1.077.671 328.638 - (…) Vorderingen op Groepsmaatschappijen 3.671.754 2.839.555 2.100.866 (…) Balanstotaal 4.268.036 3.659.756 2.826.264 (…) Eigen vermogen 2.208.545 1.822.104 1.503.718 (…) Schulden aan Groepsmaatschappijen [ [A] ] - - - (…) [ [C] BV] - - 68.414 [F] BV - - 2.738 (…) Schulden aan Groepsmaatschappijen - - 80.632 (…) Balanstotaal 4.268.036 3.659.756 2.826.264” 2.
- Bij zijn verweerschrift in eerste aanleg heeft de ontvanger gegevens overgelegd uit de auditfile die tijdens het bij [D] ingestelde boekenonderzoek is verstrekt. Daartoe behoort een overzicht van de rekening-courantverhouding tussen [D] en [F] voor de periode 1 januari 2005 tot en met 1 augustus
- Dit rekening-courantoverzicht bevat onder meer de volgende gegevens. 2.20.
- Op 1 januari 2005 heeft [D] een vordering in rekening-courant op [F] van € 41.587,48; op 31 december 2005 bedraagt deze vordering € 348.
- 2.20.
- De rekening-courant tussen [D] en [F] vermeldt per 6 november 2006 een vordering van [D] op [F] van € 748.212,
- Op 29 december 2006 bedraagt de vordering van [D] op [F] € 900.139,
- Per 31 december 2006 zijn de volgende boekingen verricht in deze rekening-courantverhouding: bij af saldo 31-12-2006 Doorber. [broer van X] 2006 € 102.072,72 € 798.066,61 31-12-2006 corr. kosten 2006 € 1.468,06 € 796.598,55 31-12-2006 Corr. autokosten 2006 € 9.827,32 € 806.425,87 31-12-2006 Man. fee [X] 2006 € 395.927,28 € 410.498,59 31-12-2006 Corr. huur [X] 2006 € 44.921,87 € 455.420,46 31-12-2006 Betaling van [xxx] € 25.000,00 € 430.420,46 31-12-2006 Correctie bonushectares € 16.924,89 € 413.495,57 31-12-2006 Doorber. autokosten [X] 200 € 42.000,00 € 371.495,57 31-12-2006 Boeking lening tlv R/C € 29.000,00 € 342.495,57 2.20.
- De vordering in rekening-courant van [D] op [F] is tussen 1 januari 2007 en 2 december 2007 toegenomen van € 342.495,57 tot € 545.079,
- Deze toename betreft het saldo van (aan de debetzijde) een groot aantal opnamen van belanghebbende, waaronder “opnamen [belanghebbende] via [B] ”, voorschotten en maandelijkse visa-afrekeningen ten name van belanghebbende, en een aantal creditboekingen. Onder de creditboekingen zijn voor deze periode onder meer de volgende posten vermeld: 25-4-2007 Vergoeding [X] jan-apr € 128.000,00 25-4-2007 Autokosten [X] jan-apr € 14.000,00 25-4-2007 Kosten [broer van X] jan-apr € 38.000,00 29-5-2017 pensioen termijn 97825 [broer van X] (debet) € 969,00 29-5-2007 pensioen termijn 97825 [broer van X] € 6.171,00 2.20.
- Per 31 december 2007 zijn de volgende boekingen verricht in de rekening-courantverhouding tussen [D] en [F] : bij af saldo 31-12-2007 voorschots. [xxx] via j.j. € 400,00 € 544.679,57 31-12-2007 diverse inhoudingen [xxx] € 1.850,98 € 546.530,55 3 1-12-2007 Autokosten [X] 2007 € 24.500,00 € 522.030,55 31-12-2007 Doorbel. pers.kosten [X] 20 € 65.972,22 € 588.002,77 31-12-2007 [broer van X] vergoeding 2007 € 66.500,00 € 521.502,77 31-12-2007 [X] vergoeding 2007 € 224.000,00 € 297.502,77 31-12-2007 Autokosten [X] € 7.475,64 € 304.978,41 31-12-2007 Autokosten [X] € 2.339,94 € 307.318,35 2.20.
- De rekening-courantverhouding tussen [D] en [F] is in de periode van 1 januari 2008 tot en met 1 augustus 2008 gewijzigd van een vordering van [D] (per 1 januari 2008) van € 307.318,35 in een schuld van [D] aan [F] van € 113.316,
- Deze mutatie is veroorzaakt door het saldo van (aan de debetzijde) opnamen door belanghebbende in de periode van 2 januari tot en met 27 juni 2008 en een aantal boekingen aan de creditzijde, waaronder aan het einde van elke maand een bedrag van € 45.000 van ‘Verschilbedrag’, in de periode 1 januari tot en met 1 juli 2008 in totaal (7 x € 45.000 = ) € 325.
- Voorts zijn in deze periode de volgende boekingen in rekening-courant verricht: bij af saldo 5-3-2008 teveel teruggevraagde btw inza € 351,34 € 321.247,01 6-3-2008 managementvergoeding 2004 € 180.000,00 € 501.247,01 6-3-2008 managementvergoeding 2007 € 495.000,00 € 996.247,01 6-3-2008 managementvergoeding 2005 € 490.000,00 € 1.486.247,01 6-3-2008 managementvergoeding 2006 € 540.000,00 € 2.026.247,01 6-3-2008 Verschilbedrag € 180.000,00 € 1.846.247,01 6-3-2008 Verschilbedrag € 540.000,00 € 1.306.247,01 6-3-2008 Verschilbedrag € 495.000,00 € 811.247,01 6-3-2008 Verschilbedrag € 490.000,00 € 321.247,01 (…) 31-3-2008 Verkoop bonushectares € 543.779,00 [-/-] € 256.662,69 (…) 30-6-2008 [xxx] € 135,00 [-/-] € 72.216,92 (…) 1-8-2008 huur [straatnaam] 08-2008 € 3.738,00 [-/-] € 113.316,31 2.
- Een door belanghebbende in hoger beroep overgelegde schriftelijke verklaring van [naam werkneme r ] , gedagtekend 14 februari 2017, luidt onder andere als volgt: “(…) Ik ben vanaf april 2004 tot en met de laatste dag (sept-2008) werkzaam geweest op de financiële afdeling van [ [D] ] en alle daar onder hangende vennootschappen. (…) Ik deed de dagelijkse administratie (…). (…) In 2004 kwam ik op verzoek van [belanghebbende] in dienst bij [ [A] ], om zo als hij het noemde een koude sanering door te voeren. (…) Er was met partijen Ernst & Young en Holland Van Gijzen in 2003-2004 een earnout regeling getroffen met de oude aandeelhouders en het geheel zou gegoten worden in de nieuwe bovenstaande structuur, waarbij er een earn out regeling tot stand was gekomen van de somma van dik 20 miljoen. Te weten [ [D] ], de holding, [ [A] ], de werkmaatschappij voor facilitaire dienstverlening, [ [B] ] de verkooptak en [ [C] ], welke de marketingactiviteiten ontplooide. In het begin liep alles op rolletjes, en ik begon mijn werk van de koude sanering. Te weten het snijden in de excessen die jarenlang waren opgebouwd door het oude bestuur. Dit werd geleidelijk in gang gezet. Door te snijden in de kosten van bijvoorbeeld het wagenpark. (…) Verder werd de beloning voor het personeel onderhanden genomen, en werd er flink gesneden in excessief bonusbeleid. (…) Daarnaast werden zoveel mogelijk alle excessieve kosten gedrukt naar een minimum. Dit verliep allemaal voorspoedig. Dan komt er op een gegeven moment (2005-2006 uit mijn geheugen) dat [ [D] ] de heer [de financieel directeur] (…) aanstelt om de jaarcijfers te gaan maken en de leiding te gaan nemen over de verschillende mensen op de financiële afdeling (…). (…) Ten tijde van zijn aanstelling kwam ook naar voren dat de riante earnoutregeling die de oud aandeelhouders zich hadden toebedeeld, welke in de steigers was gezet door Ernst & Young en Holland Van Gijzen door Ernst & Young ineens in twijfel werd getrokken (…). Dit resulteerde in het niet verkrijgen van een goedkeurende verklaring voor de jaarcijfers. Waarop er voor [belanghebbende] niets anders op zat dan, de earnout regeling te staken, en naar een nieuwe oplossing te zoeken. De heer [de financieel directeur] had hier een leidende rol in om naar een voor Ernst & Young verdragelijke earnout regeling te komen, enige oud aandeelhouders gingen akkoord met een nieuwe regeling, echter de oude oprichters en hoofdaandeelhouders (de heren (…) [P en Q] ) gingen niet akkoord. Toch werden de excessieve betalingen die voort vloeiden uit deze earnout overeenkomst stopgezet, c.q. terug gebracht naar een minimum van de nieuwe regeling totdat er meer duidelijk zou worden wat er precies met de earnout regeling (…) zou gaan gebeuren. Dit was een doorn in het oog van de oud aandeelhouders en oprichters, omdat zij tientallen miljoenen voor hun neus weg zagen glippen (…). Dit was het begin van de voortslepende ellende binnen de [A] groep, daar partijen het niet met elkaar eens konden worden en het moddergooien in de publieke pers begon van zijde van [P en Q] (…). Aan de ene kant de oud aandeelhouders (…) en aan de andere zijde [belanghebbende], die het bestuurlijk niet langer kon verantwoorden om aan de excessieve earn outregeling verder te voldoen. Hier volgde op dat er beslagen werden gelegd door de oud aandeelhouders, en het heeft er uiteindelijk toe geleid dat [belanghebbende] buiten de deur werd gezet. Betreffende de belastingschulden (…) Op advies van (…) [de financieel directeur] werd betalingsonmacht aangemeld voor alle ondernemingen ten tijde van beslagleggingen. (…) Verder kregen wij vanaf het moment van de betalingsonmacht het advies van (…) [de financieel directeur] , om iedere maand zoveel mogelijk van de overwinst te betalen aan de belastingdienst, en dit altijd op de oudst openstaande belastingaanslag te doen, dan zou de belastingdienst niet gaan piepen waren zijn letterlijke bewoordingen. En inderdaad, de belastingdienst piepte met geen woord. Zo geschiedde dan ook, en er werd iedere maand de oudste aanslagen of meer betaald, waardoor de schuld langzaam maar toch af is genomen. Echter werd er door de oud aandeelhouders in april 2008 beslag gelegd onder alle bankrekeningen, inkomsten van de stichting naar de groep, en verder alles wat maar mogelijk was. Tegelijkertijd startte er een soort afzettingsprocedure door de oud aandeelhouders. Wat resulteerde dat [belanghebbende] op 27 juni werd uitgeschreven door de heren [P en Q] uit het KVK en zijn biezen kon pakken. (…) Doordat de oud aandeelhouders de tent weer onder hun controle hadden genomen, werd de dienstenovereenkomst vanuit de stichting naar de groep toe opgezegd, omdat de stichting geen vertrouwen had in het nieuwe bestuur, een omdat deze geen vergunning had van de AFM, en twee vanwege de lange vingers van de oud aandeelhouders. Dit resulteerde erin dat vanaf juni, geen inkomsten meer werden gegenereerd.(…) Wat er dus uiteindelijk in resulteerde dat [belanghebbende] (…) het faillissement heeft moeten aanvragen gesteund door een crediteur en het personeel. (…) Bij een faillissement was er immers een mogelijkheid om de oud aandeelhouders definitief buiten spel te zetten (…). Ook had [belanghebbende] van de stichting de toezegging dat de dienstenovereenkomst zou worden hersteld zodra hij weer bestuurder zou zijn van de onderneming. (…) Het faillissement had helaas niet het beoogde resultaat van een doorstart. (…) [Belanghebbende] heeft alles in zijn macht gedaan om de onderneming te blijven voortzetten, we hebben keurig betalingsonmachten gemeld bij de belastingdienst en zijn blijven betalen wat we konden, en steeds op de oudste aanslagen. Daarnaast heeft hij vertrouwd op het advies van zijn financiële man, de heer [de financieel directeur] . Verder werd alleen het nodige betaald zoals de telefoon omdat dit het gereedschap was van de onderneming, immers niet kunnen bellen, resulteert in geen verkopen. De belastingdienst en het personeel waren de grootste crediteuren binnen de ondernemingen en deze werden pro rata betaald naar draagkracht iedere maand. Verder was er een convenant met de crediteuren gesloten, van een tijdelijk betalingsstop, en de crediteuren hadden hier alle vertrouwen in. (…) De betalingen zijn pas gestaakt nadat [belanghebbende] het pand moest verlaten, en nadat hij te horen kreeg van de heer [de financieel directeur] , (…) en zijn broer hoe slecht het erin augustus voor stond, heeft hij zijn verantwoordelijkheid genomen en het faillissement als aandeelhouder aangevraagd (…).” 2.
- Tijdens de nadere zitting van 8 maart 2017 heeft belanghebbende – voor zover hier van belang – het volgende verklaard: “Over de hoogte van de door [D] B.V. aan [F] B.V. te betalen management fee is discussie geweest. Dat klopt. U houdt productie 39 van de op 3 oktober 2016 ingediende nadere stukken voor. Deze productie betreft de antwoorden op door [naam journalist] , een journalist van De Telegraaf, schriftelijk gestelde vragen. Ik heb de vragen zelf beantwoord. (…) Uiteindelijk ben ik gevraagd om bestuurder te worden van [D] B.V. Reden daarvoor was dat ik over de juiste papieren beschikte; de wetgeving ging veranderen en ik beschikte over een vergunning van de Autoriteit Financiële Markten (hierna: AFM-vergunning), die [A] nodig had. Ik had ervaring in de aandelen- en effectenbranche. Ik beschikte over de juiste diploma’s. (…) De management fee en de hoogte daarvan is gebaseerd op die van [Q] . Die fee bestond uit € 25.000 plus autokosten- en onkostenvergoeding. EY heeft toen voorgesteld om het in de vorm van een lump sum te doen, plus nog een vergoeding voor mijn broer [broer van X] . U wijst mij erop dat de ontvanger de stelling heeft ingenomen dat de vergoeding van [Q] niet maatgevend hoeft te zijn. Ik heb de fee destijds niet uitonderhandeld. (…) Achteraf gezien is het risico erg groot geweest. De management fee is gebaseerd op die van [Q] ; niets meer en niet minder. (…) Waarom schreef ik in antwoord op vraag 10 dat de organisatie wat betreft cash flow in zwaar weer zat? De organisatie an sich was gezond. De verwachting was dat in het geval [A] over een AFM-vergunning ging beschikken, de verkopen zouden toenemen. [A] B.V. is de enige vennootschap die de vergunning kreeg. De earn-out regeling heeft een zware wissel getrokken op de financiën. EY had op zich een punt. De hoogte van de earn-out was gebaseerd op een prognose van de te behalen winst. Naar mijn weten is in het prospectus ook de management fee vermeld. Het prospectus behoort niet tot de gedingstukken. Maar ik weet zeker dat mijn fee en de hoogte daarvan bekend was bij de AFM toen ze de AFM-vergunning afgaven. Voordat ik ben gevraagd om bestuurder te worden in de [A] groep, was ik bestuurder van een vennootschap die in de telecombranche actief was. (…) Bij [A] is in wezen gebruik gemaakt van dezelfde managementovereenkomst met een aantal aanpassingen. Een gemiddelde bestuurder factureerde voor zijn werkzaamheden in die tijd rond de € 35.000 per maand; een bedrag van bijvoorbeeld € 10.000 zou gek zijn geweest. Het klopt dat EY alleen de bepalingen van de managementovereenkomst heeft opgesteld en dat EY het bedrag van de vergoeding had opengelaten, zoals de ontvanger stelt. (…) Ik ben bij [naam werkneme r ] geweest om mijn managementovereenkomst te bespreken. [naam werkneme r ] heeft ook de overeenkomst voor [Q] opgesteld. EY verzorgde daarbij ook nog de jaarrekening. Alles bij elkaar genomen kan de hoogte van de management fee geen verrassing zijn geweest. (…) U vraagt of de algemene vergadering van aandeelhouders van [D] B.V. de managementovereenkomst heeft goedgekeurd. Ik begrijp de vraag. Maar ik kan toch niet vier jaar lang bestuurder zijn geweest terwijl de aandeelhouders niet wisten van mijn salaris? Ik was gevolmachtigd door [P] . Er heeft een informele algemene vergadering van aandeelhouders plaatsgevonden. (…) U houdt mij voor dat de ontvanger ter onderbouwing van zijn standpunt dat sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur onder meer heeft verwezen naar de opgelopen rekening-courantschuld tot € 350.000 in 2007 van [F] B.V., en uiteindelijk dus van mij in privé, via [D] B.V. aan [B] B.V. De vraag is waarom ik dat als bestuurder zo hoog heb laten oplopen. Klopt het dat dit te maken heeft met privéopnamen? Ik weet niet precies waarvoor de rekening-courantschuld is ontstaan. [B] B.V. betaalde niet altijd de management fee. En dan ontstaat er een rekening-courantschuld. U wijst mij erop dat dit niet blijkt uit het controlerapport van de Belastingdienst van 25 augustus
- Anders dan u kennelijk veronderstelt, werd de management fee niet altijd betaald. Dat zou moeten blijken uit afschriften. Het geld stond niet altijd op de bankrekening. Elke maand moest beslist worden welke rekeningen wel of niet betaald moesten worden. Ik reisde ook naar [naam land] en [naam land] ; ik had een creditcard van de onderneming. Ik denk dat al dit soort kosten op de rekening-courant zijn geboekt. Ik weet het ook niet meer. Er zullen wel dingen betaald zijn. Het is een momentopname. De management fee moest in ieder geval betaald worden; er is van alles in rekening-courant verrekend. Er moest ook van alles geleverd worden; op een bepaald moment moesten bijvoorbeeld bomen worden gepland. Dat bracht kosten met zich. Het kan zijn dat een rekening-courantschuld ontstaat maar dat deze later weer wordt opgevuld. Ik weet zeker dat ik geen bedragen heb opgenomen die buiten de managementovereenkomst vallen. Ik had ook recht op bonushectares.” 3Geschil in hoger beroep 3.
- Primair is in geschil of belanghebbende ontvankelijk is in zijn hoger beroep. 3.
- Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, is - evenals in eerste aanleg - in hoger beroep in geschil of belanghebbende terecht aansprakelijk is gesteld voor de onbetaald gebleven naheffingsaanslagen loonheffingen en omzetbelasting ten name van de BV’s.Daarbij is in de eerste plaats in geschil of de BV’s tijdig en rechtsgeldig mededeling hebben gedaan van hun betalingsonmacht. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, is in geschil of de ontvanger aannemelijk heeft gemaakt dat het onbetaald blijven van de belastingschulden waarvoor belanghebbende aansprakelijk is gesteld, is te wijten aan diens kennelijk onbehoorlijk bestuur. 3.
- Tijdens de zitting van 5 oktober 2016 heeft de gemachtigde verklaard dat de andere (formeelrechtelijke) geschilpunten die in eerste aanleg nog in geding waren, in hoger beroep niet meer aan de orde zijn. 4Beoordeling van het geschil Ontvankelijkheid hoger beroep 4.
- Het Hof acht – zoals ter zitting van 5 oktober 2016 aan partijen is medegedeeld – belanghebbende ontvankelijk in zijn hoger beroep. Belanghebbende heeft binnen de wettelijke termijn pro forma hoger beroep ingesteld, met het verzoek om uitstel voor de motivering van het hoger beroep. Nadat de termijn voor het indienen van de gronden van het hoger beroep aanvankelijk was verlengd tot 22 februari 2016, heeft het Hof na een verzoek daartoe van belanghebbende bij brief van 10 februari 2016 een laatste termijnverlenging verleend tot uiterlijk 4 maart
- Aangezien de gronden van het hoger beroep zijn ingediend op 4 maart 2016, heeft belanghebbende het aan zijn pro forma hoger beroep klevende verzuim tijdig hersteld. Het standpunt van de ontvanger dat het hoger beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens het niet-tijdig indienen van de gronden ervan wordt derhalve reeds hierom verworpen. Aansprakelijkstelling invorderingsrente 4.2.
- Tijdens de zitting van 5 oktober 2016 hebben partijen desgevraagd verklaard dat het geschil in hoger beroep betrekking heeft op de aansprakelijkstelling zoals deze bij uitspraak op bezwaar is verminderd tot € 731.952 (welk bedrag uitsluitend bestaat uit onbetaald gebleven belasting) en op de invorderingsrente die wordt belopen over het bedrag van de aansprakelijkstelling na de uiterste betalingsdatum daarvan. 4.2.
- In zijn arrest van 31 maart 2017, nr. 15/02939, ECLI:NL:HR:2017:530 (r.o. 4.2.2-4.2.3) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat aansprakelijkstelling voor verschuldigde invorderingsrente pas kan geschieden nadat bij voor bezwaar vatbare beschikking invorderingsrente in rekening is gebracht. Aangezien een dergelijke beschikking in het onderhavige geval (nog) niet is genomen, is hetgeen in de beschikking is vermeld inzake invorderingsrente niet meer dan een mededeling van (mogelijk) te belopen invorderingsrente. De onderhavige beschikking aansprakelijkstelling heeft derhalve uitsluitend betrekking op de daarin vermelde bedragen aan enkelvoudige belasting. Diverse uitstelverzoeken en verzoeken tardiefverklaring 4.3.
- Het Hof heeft het door belanghebbende voorafgaand aan de zitting van 5 oktober 2016 ingediende uitstelverzoek afgewezen op de in zijn brief van 26 september 2016 medegedeelde gronden, welke als hier herhaald en ingelast worden beschouwd. Vervolgens heeft het Hof ter zitting het verzoek van de ontvanger om de door de gemachtigde bij zijn nader stuk van 3 oktober 2016 ingediende
(56)producties tardief te verklaren afgewezen. Weliswaar zijn de desbetreffende stukken in een laat stadium ingediend, maar de met de zaak gemoeide (zeer grote) financiële belangen voor belanghebbende, alsmede de door hem aangevoerde redenen voor de laattijdige indiening (gezondheidsproblemen, problemen en tijd gemoeid met het verkrijgen van relevante documenten van de curator en wisseling van gemachtigde) dienen naar het oordeel van het Hof zwaarder te wegen dan het algemeen belang van een doelmatige procesgang. Het onderzoek is vervolgens aan het slot van de zitting van 5 oktober 2016 geschorst en de ontvanger is in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op de door belanghebbende ingediende stukken. Hierna zijn partijen tijdens de nadere zitting van 8 maart 2017 in de gelegenheid gesteld op de over en weer ingediende stukken te reageren. Aldus zijn de procesbelangen van beide partijen naar ’s Hofs oordeel gewaarborgd. 4.3.2. Het door belanghebbende gedane verzoek tot verplaatsing van de zitting van 8 maart 2017 is door het Hof afgewezen op de in zijn brief van 13 januari 2017 medegedeelde (hier als ingelast te beschouwen) gronden. Ter zitting van 8 maart 2017 heeft het Hof het verzoek van de ontvanger om de door belanghebbende bij zijn pleitnota van 27 februari 2017 ingediende stukken tardief te verklaren (op productie 70 na, zoals hieronder in 4.4.9 wordt toegelicht) afgewezen, op de tijdens deze zitting medegedeelde (in het proces-verbaal vastgelegde) gronden. Mededelingen betalingsonmacht 4.4.1. De rechtbank heeft over dit geschilpunt als volgt geoordeeld: “17. Bestuurders van rechtspersonen zijn op de voet van het bepaalde in artikel 36, eerste tot en met derde lid, van de Iw, onder de daarin vermelde omstandigheden, hoofdelijk aansprakelijk voor door de rechtspersoon verschuldigde maar niet betaalde belastingen. Voldoet het lichaam aan de in artikel 36, tweede lid, van de Iw vermelde meldingsplicht, dan moet de Ontvanger, wil hij de bestuurder aansprakelijk stellen, aannemelijk maken dat het niet betalen van de belastingschuld het gevolg is van aan de bestuurder te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur in de periode van drie jaar voorafgaande aan de melding. Voldoet het lichaam niet aan de meldingsplicht, dan is een bestuurder ingevolge artikel 36, vierde lid, van de Iw aansprakelijk, met dien verstande dat wordt vermoed dat de niet betaling aan hem is te wijten en dat de periode van drie jaar wordt geacht in te gaan op het tijdstip waarop het lichaam in gebreke is. Tot de weerlegging van het vermoeden wordt slechts toegelaten de bestuurder die aannemelijk maakt dat het niet aan hem is te wijten dat het lichaam niet aan zijn in het tweede lid bedoelde verplichting heeft voldaan. Ingevolge artikel 36, vijfde lid, onderdeel a, van de Iw wordt voor de toepassing van dit artikel onder bestuurder ook verstaan de gewezen bestuurder. In artikel 36, zesde lid, van de Iw, is echter bepaald dat de tweede volzin van het vierde lid (“Tot de weerlegging van het vermoeden wordt slechts toegelaten …”), niet van toepassing is op de gewezen bestuurder. 18. In artikel 7, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Invorderingswet 1990 is bepaald dat de melding betalingsonmacht kan worden gedaan uiterlijk binnen twee weken na de dag waarop de verschuldigde belasting behoorde te zijn afgedragen of voldaan. 19. Als eenmaal de betalingsonmacht rechtsgeldig is gemeld, dan geldt deze melding totdat er weer belasting/premie betaald wordt. Blijft de betalingsachterstand na de rechtsgeldige melding voortduren dan hoeft dus voor de na de melding op aangifte verschuldigde belasting/premie dan wel de na de melding opgelegde naheffingsaanslagen de betalingsonmacht niet opnieuw gemeld te worden. De toestand van betalingsonmacht eindigt in beginsel eerst vanaf het tijdstip waarop de naheffingsaanslagen ter zake waarvan de melding heeft plaatsgevonden, zijn betaald (vgl. Hoge Raad 16 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6635 en Hoge Raad 21 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7943). 20. De rechtbank stelt vast dat namens [B] B.V. en [C] B.V. geen (rechtsgeldige) melding betalingsonmacht is gedaan. Voor [A] B.V. is wel een rechtsgeldige betalingsonmacht gedaan. In de meldingen van 6 november 2006 namens [A] B.V. en [B] B.V. heeft eiser verwezen naar betalingsonmacht als gevolg van conservatoire beslagen die onder de belangrijkste debiteur van desbetreffende vennootschappen zijn gelegd. In maart 2007 zijn de in de meldingen genoemde belastingaanslagen betaald en daarna hebben de BV’s nog een aantal maanden aan hun verplichtingen jegens de Belastingdienst voldaan. Naar het oordeel van de rechtbank is er dan geen sprake meer van een toestand van betalingsonmacht bij de BV’s. Voor de belastingaanslagen van de BV’s waarvoor eiser aansprakelijk is gesteld had een nieuwe melding betalingsonmacht moeten worden gedaan. Dat verweerder naar aanleiding van de melding op naam van [B] B.V. niet heeft medegedeeld of de melding al dan niet als rechtsgeldig wordt aangemerkt, maakt het voorgaande niet anders. Indien deze melding als rechtsgeldig was aangemerkt, had zij na de betaling van de daarin opgenomen naheffingsaanslag op 16 maart 2007 haar geldigheid verloren. 21. Nu geen tijdige melding betalingsonmacht heeft plaatsgevonden en eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat verweerder op andere wijze voor de uiterste datum waarop dit kon worden gemeld op de hoogte was van de betalingsonmacht van de BV’s, wordt vermoed dat de niet-betaling het gevolg is van aan eiser te wijten onbehoorlijk bestuur. Tot weerlegging van dit vermoeden wordt slechts toegelaten de bestuurder die aannemelijk maakt dat het niet melden niet aan hem te wijten is. Voor de tijdvakken september 2007 tot en met april 2008 zijn door eiser geen omstandigheden gesteld die maken dat het niet melden niet aan hem te wijten is, zodat hij niet wordt toegelaten tot weerlegging van dat vermoeden. 22. Eiser is aansprakelijk gesteld voor de naheffingsaanslag loonheffingen van [B] B.V. voor het tijdvak mei 2008. De uiterste datum waarop de betalingsonmacht voor dit tijdvak kon worden gemeld, is 14 juli 2008. Omdat eiser vóór deze datum is ontslagen als bestuurder van [B] B.V., wordt eiser voor dit tijdvak aangemerkt als gewezen bestuurder. Eiser wordt in zoverre direct toegelaten tot het leveren van tegenbewijs ten aanzien van het standpunt van verweerder dat sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur. Dit is tussen partijen niet langer in geschil.” 4.4.2. Het Hof komt op dit punt tot een ander oordeel dan de rechtbank. Het Hof acht het, gelet op de in eerste aanleg door belanghebbende overgelegde (onder 2.12 en 2.13 vermelde) bewijsstukken, aannemelijk dat [B] en [A] bij brieven van 6 november 2006 een tijdige en correcte melding van hun betalingsonmacht hebben gedaan ter zake van de in die brieven genoemde belastingschulden over het tijdvak september 2006, en dat beide vennootschappen na 6 november 2006 voortdurend een achterstand hebben gehad met de betaling van de verschuldigde belasting. De ontvanger heeft tijdens de zitting van 5 oktober 2016 erkend dat sinds 6 november 2006 voortdurend sprake is geweest van een betalingsachterstand bij [B] en [A] , maar heeft zich op het standpunt gesteld dat in de brieven van 6 november 2006 niet de indruk is gewekt van een blijvende situatie van betalingsonmacht en dat na de betaling van de naheffingsaanslagen over het tijdvak september 2006 waarvoor de betalingsonmacht is gemeld – op 16 maart 2007 respectievelijk 23 maart 2007 – de toestand van betalingsonmacht is geëindigd, waarna [B] en [A] volgens de ontvanger uiterlijk op 14 november 2007 opnieuw hun betalingsonmacht hadden moeten melden. 4.4.3. Het Hof verwerpt deze standpunten van de ontvanger. In beide schriftelijke mededelingen van 6 november 2006 (zie 2.13.1 en 2.13.2) wordt expliciet gesteld dat het “op dit moment (…) voor [de vennootschap] niet mogelijk [is] aan te geven op welke termijn weer aan de betalingsverplichting kan worden voldaan.” Na deze datum is voortdurend sprake geweest van betalingsachterstanden bij beide BV’s, en dit was (ter zake van andere tijdvakken) ook nog het geval ten tijde van de betaling van de naheffingsaanslagen over het tijdvak september 2006. Over een dergelijke situatie heeft de Hoge Raad in onder meer zijn arrest van 28 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:419, BNB 2014/100 (r.o. 3.3.1) als volgt geoordeeld: “3.3.1. Met betrekking tot een belasting waarvoor een tijdige en correcte melding van betalingsonmacht is gedaan, behoeft niet opnieuw een melding van betalingsonmacht te worden gedaan zolang nog sprake is van een betalingsachterstand, tenzij de ontvanger de belastingschuldige na ontvangst van een betaling schriftelijk doet weten de betalingsonmacht niet langer aanwezig te achten. Deze regel geldt niet alleen voor de belasting waarvoor de melding is gedaan, maar tevens voor andere over dezelfde of latere tijdvakken verschuldigde belasting(
- en)(zie HR 21 september 2012, nr. 11/04755, ECLI:NL:HR:2012:BX7943, BNB 2012/296). (…)” 4.4.4. Tussen partijen staat vast dat de ontvanger na ontvangst van de hiervoor genoemde betalingen, op 16 en 23 maart 2007, geen bericht aan [B] of [A] heeft verzonden waarin hij heeft medegedeeld de betalingsonmacht niet langer aanwezig te achten. Een redelijke wetsuitleg brengt dan mee dat [B] en [A] niet opnieuw een melding betalingsonmacht behoefden te doen voor de tijdvakken waarvoor belanghebbende aansprakelijk is gesteld. Gelet op het bepaalde in artikel 36, derde lid, van de Wet is belanghebbende uitsluitend aansprakelijk indien het niet-betalen van de belastingschulden van [B] en [A] het gevolg is van aan hem te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur. Hieronder (in 4.5.1 e.v.) zal het Hof beoordelen of de ontvanger tegenover de betwisting door belanghebbende feiten en omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt die tot deze conclusie leiden. 4.4.5. Het Hof acht op grond van de stukken van het geding aannemelijk dat [C] (na 6 november 2006 en ook) op het tijdstip waarop zij de over het eerste kwartaal van 2008 volgens haar aangifte verschuldigde omzetbelasting uiterlijk diende te voldoen (op 30 april 2008) in een situatie van betalingsonmacht verkeerde; zij heeft deze belastingschuld volledig onbetaald gelaten en is in oktober 2008 in staat van faillissement komen te verkeren. [C] had derhalve – gelet op het voorschrift van artikel 7, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Invorderingswet 1990 (hierna: UBIW) – uiterlijk op 15 mei 2008 haar betalingsonmacht dienen te melden ter zake de over het eerste kwartaal van 2008 verschuldigde belasting. Naar ’s Hofs oordeel heeft belanghebbende tegenover de betwisting door de ontvanger niet aannemelijk gemaakt dat namens [C] een tijdige melding is gedaan van haar betalingsonmacht. Belanghebbende heeft brieven alsmede een schermprint overgelegd waarin meldingen van betalingsonmacht worden gedaan namens [B] , [A] en [D] , maar geen bewijsstuk waarmee aannemelijk wordt gemaakt dat namens [C] op of rond 6 november 2006, dan wel op enig later tijdstip (uiterlijk 30 april 2008) een dergelijke melding is gedaan. De enkele mededeling in de getuigenverklaring van [naam werkneme r ] dat ten tijde van de beslagleggingen in november 2006 “op advies van [de financieel directeur] (…) betalingsonmacht [werd] gemeld voor alle ondernemingen” (zie 2.21) is hiervan onvoldoende bewijs. 4.4.6. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de ontvanger op andere wijze vóór de uiterste datum waarop dit kon worden gemeld (30 april 2008) op de hoogte was van de betalingsonmacht van [C] . De omstandigheden dat namens andere vennootschappen van de [A] Groep op 6 november 2006 betalingsonmacht is gemeld en dat [B] en [A] na 6 november 2006 voortdurend betalingsachterstanden hadden bij de betaling van de door hen verschuldigde belasting, zijn hiervoor onvoldoende; belanghebbende heeft geen feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt waaruit volgt dat de ontvanger er vóór 1 mei 2008 van op de hoogte was of diende te zijn dat de financiële omstandigheden waarin de [A] Groep als geheel verkeerde (gelet op de onderlinge organisatorische en financiële verbondenheid van de verschillende vennootschappen) ook voor [C] een situatie van betalingsonmacht tot gevolg had. 4.4.7. Belanghebbende heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat de niet-tijdige melding van de betalingsonmacht namens [C] niet aan hem is te wijten. Belanghebbende heeft gesteld dat hij mocht vertrouwen op de kennis en kunde van de door hem ingehuurde financiële experts, met name van financieel directeur [de financieel directeur] , die in de loop van 2006 door hem was aangesteld voor het verrichten van administratieve, financiële en fiscale werkzaamheden. Belanghebbende heeft gesteld dat [de financieel directeur] hem heeft geadviseerd dat het één keer melden van betalingsonmacht aan de Belastingdienst volstond, waarna het beste telkens de oudste nog openstaande belastingaanslagen betaald konden worden. Ook indien er vanuit wordt gegaan dat [de financieel directeur] hem een dergelijk advies heeft gegeven, laat dit onverlet dat het de verantwoordelijkheid van belanghebbende was, als middellijk bestuurder van [C] , om te bewerkstelligen en zich ervan te vergewissen dat een dergelijke melding betalingsonmacht ook daadwerkelijk (en tijdig) voor [C] werd gedaan, zoals deze melding, door hem persoonlijk, ook is geschied ter zake van [B] en [A] . Belanghebbende heeft geen feiten of omstandigheden aannemelijk gemaakt waaruit volgt dat hij ervan uit mocht gaan dat ter zake van [C] eveneens tijdig een dergelijke melding is gedaan. Gelet op het bepaalde in artikel 36, vierde lid, van de Wet wordt belanghebbende derhalve niet toegelaten tot de weerlegging van het vermoeden dat de niet-betaling van de belastingschuld van [C] aan zijn kennelijk onbehoorlijk bestuur is te wijten. 4.4.8. Het Hof verwerpt het standpunt van belanghebbende dat niet duidelijk is waarop de aansprakelijkstelling ter zake van de onbetaald gebleven omzetbelastingschuld van [C] betrekking heeft. Belanghebbende is aansprakelijk gesteld voor de conform aangifte opgelegde naheffingsaanslag omzetbelasting over het eerste kwartaal 2008 (naar een verschuldigd bedrag van € 31.334), voor het gedeelte van deze aanslag dat onbetaald is gebleven (€ 30.734). De klachten van belanghebbende dat hij in zijn verdedigingsbelangen is geschaad omdat hij binnen de bezwaartermijn van de met dagtekening 27 mei 2008 vastgestelde naheffingsaanslag als bestuurder is geschorst, en het dwangbevel ter zake van deze naheffingsaanslag pas is betekend nadat hij als bestuurder was afgezet, treffen evenmin doel. Belanghebbende miskent hiermee dat, zoals onder 4.4.5 tot en met 4.4.7 is overwogen, reeds (uiterlijk) op 15 mei 2008 betalingsonmacht gemeld had moeten worden, op welk tijdstip belanghebbende bestuurder van [C] was, en dat het voorschrift van artikel 36, vierde lid, van de Wet vervolgens bewerkstelligt dat belanghebbende niet wordt toegelaten tot weerlegging van het bewijsvermoeden van kennelijk onbehoorlijk bestuur. 4.4.9. Belanghebbende heeft in zijn pleitnota van 27 februari 2017 en zijn nader stuk van 3 maart 2017 met betrekking tot [C] nieuwe stellingen ingenomen en bijlagen bijgevoegd (productie 70 bij de pleitnota van 27 februari 2017 en producties 74 en 75 bij het nader stuk van 3 maart 2017). Het betreft de stellingen dat – kort samengevat – de Belastingdienst bij [C] het in rechte te honoreren vertrouwen heeft gewekt dat zij voor de omzetbelasting onderdeel is van een fiscale eenheid met de andere groepsvennootschappen van [A] , en dat [C] daarom achteraf bezien ten onrechte over het eerste kwartaal van 2008 zelfstandig een aangifte OB heeft ingediend naar een te betalen bedrag van € 31.334 terwijl deze aangifte bovendien inhoudelijk onjuist is, hetgeen volgens belanghebbende zou moeten leiden tot vermindering van de aansprakelijkstelling ter zake van [C] tot nihil. De ontvanger heeft deze stellingen van belanghebbende betwist en heeft verzocht deze stellingen en de daarop betrekking hebbende bewijsstukken tardief te verklaren. Het Hof laat de nieuwe stellingen en bewijsstukken als tardief buiten beschouwing. Bij deze beslissing heeft het Hof een afweging gemaakt tussen enerzijds het belang dat belanghebbende heeft bij het alsnog inbrengen van deze stellingen en bewijsstukken en anderzijds het algemeen belang van een doelmatige procesgang. De beoordeling van de stellingen van belanghebbende zou een nader onderzoek van feitelijke aard vergen, terwijl belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt waarom hij deze stellingen niet in een eerdere fase van de procedure heeft kunnen innemen. Reeds tijdens de procedure in eerste aanleg waren immers de rechtmatigheid van de aansprakelijkstelling voor deze belastingschuld van [C] en de vraag of deze vennootschap tijdig haar betalingsonmacht had gemeld, in geschil. In hoger beroep heeft belanghebbende voldoende gelegenheid gehad zijn standpunt te motiveren en te onderbouwen. Na de zitting van 5 oktober 2016 heeft het Hof het onderzoek voortgezet teneinde de ontvanger de gelegenheid te geven om schriftelijk te reageren op de door belanghebbende bij brief van 3 oktober 2016 ingediende nadere stukken. Belanghebbende heeft geen (gegronde) redenen aangevoerd waarom hij kort voor de nadere zitting van 8 maart 2017 nog met nieuwe stellingen is gekomen. Kennelijk onbehoorlijk bestuur (aansprakelijkstelling belastingschulden [B] en [A] ) 4.5.1. Zoals hiervoor onder 4.4.4 is overwogen, brengt een redelijke wetsuitleg in het onderhavige geval mee dat [B] en [D] na 6 november 2006 niet opnieuw een mededeling betalingsonmacht behoefden te doen. In zijn arrest van 4 februari 2011, nr. 09/03451, ECLI:NL:HR:2011:BP2982, BNB 2011/109 heeft de Hoge Raad omtrent de in een dergelijk geval ingevolge artikel 36, derde lid, van de Wet in aanmerking te nemen periode van drie jaar als volgt overwogen: “Als een mededeling van betalingsonmacht aldus haar geldigheid behoudt [Hof: doordat na de mededeling sprake is geweest van een betalingsachterstand], dient voor de toepassing van artikel 36, lid 3, IW 1990 als tijdstip van de mededeling van betalingsonmacht in aanmerking te worden genomen de dag waarop een mededeling van betalingsonmacht uiterlijk had moeten worden gedaan, indien de eerstbedoelde mededeling niet haar geldigheid had behouden.” 4.5.2. Belanghebbende is (uiteindelijk) aansprakelijk gesteld voor conform de ingediende maandaangiften verschuldigde, maar onbetaald gebleven loonheffingen van [A] over de tijdvakken september 2007 tot en met december 2007 en van [B] over de tijdvakken september 2007 tot en met mei 2008. De relevante driejaarsperiode heeft derhalve – gelet op de voorschriften van artikel 19, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en artikel 7, eerste lid, UBIW – voor [A] betrekking op driejaarsperioden, aanvangend met de periode van 15 november 2004 tot 15 november 2007 ( tijdvak september 2007) tot aan de periode van 15 februari 2005 tot 15 februari 2008 (tijdvak december 2007) en voor [B] op driejaarsperioden (per tijdvak) aanvangend op 1 januari 2005 (datum aantreden belanghebbende als (middellijk) bestuurder) (loonheffingen tijdvak september 2007) en eindigend op 1 juli 2008 (datum schorsing belanghebbende als bestuurder). Het standpunt van belanghebbende dat uitsluitend een periode van drie jaar vóór de melding van betalingsonmacht op 6 november 2006 in aanmerking mag worden genomen, berust op een onjuiste rechtsopvatting. 4.5.3. Het Hof neemt bij zijn beoordeling tot uitgangspunt dat van kennelijk onbehoorlijk bestuur slechts kan worden gesproken als geen redelijk denkend bestuurder - onder dezelfde omstandigheden - aldus gehandeld zou hebben (zie onder meer HR 8 juni 2001, nr. C99/298HR, ECLI:NL:HR:2001:AB2053, NJ 2001/454). Dit is onder meer het geval indien de aansprakelijk gestelde bestuurder van een lichaam heeft bewerkstelligd dat belastingschulden van dat lichaam onbetaald zijn gebleven terwijl hij wist of redelijkerwijze had moeten begrijpen dat zijn handelwijze (of nalaten) tot gevolg zou hebben dat die belastingschulden onbetaald zouden blijven en hem te dezer zake persoonlijk een ernstig verwijt treft (zie HR 4 februari 2011, nr. 09/03451, ECLI:NL:HR:2011:BP2982, BNB 2011/109 en HR 31 maart 2017, nr. 15/02939, ECLI:NL:HR:2017:530, BNB 2017/124). De relevante handelingen (of het relevante nalaten) moeten worden beoordeeld aan de hand van hetgeen destijds voorzienbaar was. In de relevante periode niet voorzienbare gebeurtenissen of omstandigheden komen niet voor rekening van de bestuurder. 4.5.4. De ontvanger heeft zich op het standpunt gesteld dat het onbetaald blijven van de belastingschulden van [A] en [B] waarvoor belanghebbende aansprakelijk is gesteld, is te wijten aan kennelijk onbehoorlijk bestuur van belanghebbende, bestaande uit het volgende, ernstig verwijtbare, handelen c.q. nalaten van belanghebbende: belanghebbende heeft aan zichzelf een excessief hoge managementvergoeding toegekend van € 45.000 per maand. Belanghebbende heeft de desbetreffende overeenkomst zowel namens [D] als namens zijn management-BV ( [F] ) ondertekend, zonder dat daaraan een rechtsgeldig besluit van de aandeelhoudersvergadering van [D] ten grondslag ligt. Ook indien wél sprake zou zijn geweest van een rechtsgeldig tot stand gekomen managementovereenkomst, blijft de conclusie dat een maandelijkse vergoeding van € 45.000 exorbitant is, gelet op de slechte financiële positie van de BV’s ten tijde van het aantreden van belanghebbende als bestuurder; belanghebbende heeft toegelaten dat de rekening-courantschulden van de overige vennootschappen van de [A] Groep aan [B] steeds verder opliepen, terwijl hij wist dat deze vennootschappen deze schulden niet zouden kunnen aflossen. Bovendien heeft [B] ter zake van haar rekening-courantvorderingen geen rentevergoeding of aflossingsverplichtingen bedongen. Door dit onzakelijk handelen heeft [B] aanzienlijke bedragen misgelopen; belanghebbende heeft gelden opgenomen bij en privéuitgaven laten voldoen door [B] . [B] heeft deze uitgaven als vordering in rekening gebracht in haar rekening-courantverhouding met [D] . Deze vennootschap heeft deze bedragen vervolgens als vordering geboekt in haar rekening-courant met [F] . Aan deze privé-opnamen ligt gee n rechtsgeldige overeenkomst ten grondslag. Deze indirecte privé-opnamen moeten worden gekwalificeerd als persoonlijke verrijking, aangezien belanghebbende wist dan wel behoorde te weten dat [F] de aldus veroorzaakte rekening-courantschuld niet aan [D] zou kunnen voldoen, en [D] evenmin aan [B] . Belanghebbende beroept zich ter zake van deze rekening-courantschuld van zijn management-BV aan [D] ten onrechte op compensatie met vergoedingen voor bonushectares, aangezien de daarvoor ingevolge de managementovereenkomst (zo deze al geldig
- is)jaarlijks vereiste vaststellingsovereenkomsten ontbreken; ter zake van een bedrag aan ten laste van de BV’s gebrachte kosten van circa € 4.500.000 is de zakelijkheid grotendeels niet vast komen te staan. Zelfs indien een deel van deze uitgaven als zakelijk zou kunnen worden aangemerkt, zijn deze bedragen dermate exorbitant dat geen redelijk denkend bestuurder uitgaven van een dergelijke omvang zou hebben gedaan, terwijl tegelijkertijd belastingschulden structureel onbetaald zijn gebleven. Ter onderbouwing van zijn standpunten heeft de ontvanger onder meer verwezen naar het controlerapport van 25 augustus 2009, zoals vermeld in onderdeel 4 van de uitspraak van de rechtbank (hierna: het controlerapport) en naar het faillissementsverslag. 4.5.5. Belanghebbende heeft deze standpunten van de ontvanger betwist. Belanghebbende stelt medio 2004 te zijn benaderd door de toenmalige aandeelhouders (onder wie [Q] en [P] , hierna aan te duiden als [Q] en [P] en gezamenlijk als [P en Q] ) om als bestuurder werkzaamheden te gaan verrichten voor vennootschappen van de [A] -groep. Toen hij medio 2004 zijn werkzaamheden als bestuurder aanving, was al sprake van betalingsachterstanden en van een penibele financiële situatie bij deze vennootschappen, met name door privé-onttrekkingen en exorbitante uitgaven van [P] . Belanghebbende stelt zich bij de aanvang van zijn werkzaamheden zeer goed bewust te zijn geweest van de zware wissel die deze onttrekkingen op de kaspositie van de BV’s hadden getrokken en van het hoge afbreukrisico dat hij liep door deze bestuurderswerkzaamheden op zich te nemen. De door hem met [P] overeengekomen vergoeding voor de door [F] te verrichten managementwerkzaamheden moet tegen die achtergrond worden bezien. Van een excessieve vergoeding is geen sprake geweest: de vergoeding van € 45.000 per maand (exclusief reis- en verblijfkosten, die separaat in rekening werden gebracht) bestaat uit verschillende componenten, namelijk een basisvergoeding van € 25.000, vergoedingen voor diverse kostenposten (pensioen/WAO, school kinderen, vergoeding autokosten à € 3.500 per maand) en een maandelijkse vergoeding van € 7.800 voor door zijn broer ( [broer van X] ) ten behoeve van [D] verrichte managementwerkzaamheden. De basisvergoeding van € 25.000 komt overeen met de maandelijkse managementvergoeding die zijn voorganger, [Q] , als bestuurder ontving en kan reeds daarom niet als excessief worden aangemerkt. In de telecombranche, waarin belanghebbende tevoren werkzaam was geweest, waren managementvergoedingen rond € 35.000 per maand gebruikelijk. Ook moet volgens belanghebbende worden meegewogen dat belanghebbende c.q. Ric.a Teaka niet ongeclausuleerd is doorgegaan met het in rekening brengen van de maandelijkse managementvergoeding. Vanaf het moment dat de belastingverplichtingen niet meer voldaan konden worden, zijn de managementvergoedingen volgens belanghebbende schuldig gebleven. Belanghebbende heeft ter onderbouwing van zijn standpunten onder meer verwezen naar zijn onder 2.17 weergegeven antwoorden op een conceptpublicatie en heeft hierover tijdens de zitting van 8 maart 2017 nader verklaard, zoals weergegeven onder 2.22. 4.5.6. De onder 2.5 vermelde managementovereenkomst is volgens belanghebbende rechtsgeldig tot stand gekomen. Belanghebbende heeft in dit verband gewezen op de aan hem door [P] verleende, onder 2.4 vermelde volmacht en heeft tijdens de zitting van 8 maart 2017 verklaard dat de vereiste goedkeuring is verleend tijdens een informele aandeelhoudersbijeenkomst en dat het bovendien ondenkbaar is dat hij gedurende vier jaar bestuurder zou zijn geweest zonder dat de aandeelhouders op de hoogte zouden zijn geweest van de daarvoor toegekende managementvergoeding. 4.5.7. Belanghebbende heeft benadrukt dat [D] , de dochtervennootschappen en hijzelf geen economische en/of juridische zeggenschap hebben gehad over de investeringen van de beleggers. De hectares grond waarin de beleggers investeerden, werden aangekocht en aan beleggers verkocht door de Stichting; ten behoeve van de beleggers werd de grond ondergebracht in (per plantage) een afzonderlijk trustfonds. De BV’s verzorgden slechts de verkoopbemiddeling. [D] en (nadien) [B] ontvingen van de Stichting een commissie per aangebrachte belegger respectievelijk per verkochte hectare. Wel is van de aanvang af sprake geweest van een sterke organisatorische, financiële en juridische verbondenheid tussen de Stichting en de BV’s, aangezien de Stichting vrijwel haar gehele verkooporganisatie exclusief had uitbesteed aan (aanvankelijk) [D] en (na oktober 2006) [B] , en waren de BV’s voor hun inkomsten volledig afhankelijk van de van de Stichting te ontvangen commissies. Belanghebbende heeft op dit punt onder meer verwezen naar de onder 2.10, 2.11 en 2.18 vermelde brieven van en aan de Stichting, waarin ook namens de Stichting wordt gewezen op de aan deze verwevenheid verbonden kwetsbaarheden. Uiteindelijk was het dan ook de opzegging door de Stichting van de dienstenovereenkomst met [B] , in augustus 2008, die heeft geleid tot het faillissement van de BV’s, aldus belanghebbende. 4.5.8. Dit faillissement is voor belanghebbende ten tijde van zijn werkzaamheden als bestuurder niet voorzienbaar geweest; het is het gevolg geweest van verschillende omstandigheden, die uiteindelijk zijn toe te rekenen aan het slepende conflict tussen de (oud)aandeelhouders, [P en Q] , en belanghebbende. Al vóór het aantreden van belanghebbende als bestuurder was tussen [P en Q] een hoogoplopend conflict ontstaan, dat heeft geleid tot het vertrek van [Q] , die bij deze gelegenheid (in juni 2004) zijn aandelen in [A] heeft verkocht aan [D] voor een bedrag van € 9.500.000. De hieraan verbonden earn out-regeling legde een groot beslag op de betalingscapaciteit van de onderneming. Dit werd nog verergerd toen [P] kort daarna zijn aandelen in [A] aan [D] verkocht voor eveneens € 9.500.000. Tevens verkocht [P] zijn aandelen in [B] voor € 1.500.000 aan [D] , welke koopschuld door [D] werd voldaan door verrekening met de ongeveer even grote schuld in rekening-courant van (de management-BV van) [P] aan [D] wegens privébestedingen. De problemen begonnen volgens belanghebbende pas goed nadat de accountant van EY bij brief van 9 september 2005 had aangegeven de relatie met de [A] -groep en de Stichting te willen beëindigen, met name vanwege de hoogte van de overeengekomen earn out-regelingen, het gebrek aan transparantie hierover en het geringe aandeel van het investeringsbedrag van de beleggers dat werd aangewend voor aankoop en exploitatie/onderhoud van het teakhout. Dit terwijl EY volgens belanghebbende zelf betrokken was geweest bij het opstellen en uitwerken van de bedoelde earn out-regeling. Vanaf dat moment zijn onderhandelingen gevoerd met [P en Q] over een aanvaardbare aanpassing van de eerder overeengekomen earn out-regelingen, hetgeen voortdurend heeft geleid tot nieuwe conflicten, en in oktober 2006 tot de beslagleggingen (namens [Q] ) door [J] BV, welke beslagleggingen aanleiding zijn geweest voor de meldingen van betalingsonmacht op 6 november 2006. Belanghebbende heeft in dit verband onder meer verwezen naar de onder 2.7 tot en met 2.12.2 vermelde correspondentie. De door de betrokken partijen op 12 december 2006 gesloten vaststellingsovereenkomst (zie 2.14) was nadien een bron voor nieuwe conflicten tussen de aandeelhouders, hetgeen in april 2008 heeft geleid tot het indienen van een enquêteverzoek door [G] BV, het genereren van veel negatieve publiciteit door [P en Q] , en vervolgens – nadat het enquêteverzoek was ingetrokken – tot een volgens belanghebbende onrechtmatige machtsgreep van [P en Q] in de aandeelhoudersvergadering, waardoor belanghebbende met ingang van 1 juli 2008 als bestuurder is geschorst. Nadat de Stichting in reactie op deze laatste ontwikkeling de dienstenovereenkomst met [B] had opgezegd, was het aanvragen van het faillissement van de BV’s onvermijdelijk, aldus belanghebbende. 4.5.9. Belanghebbende stelt vanaf de aanvang van zijn bestuurswerkzaamheden fors te hebben gesneden in de marketingkosten en in het bonusbeleid, maar ook in de exorbitante kosten die voorafgaand aan zijn aantreden werden gemaakt voor personeelsuitjes en privébestedingen van [P en Q] . Op dit punt heeft belanghebbende onder meer verwezen naar de onder 2.21 vermelde schriftelijke getuigenverklaring van [naam werkneme r ] , die in dit verband schrijft over een ‘koude sanering’. Door de aldus bereikte aanzienlijke kostenbesparingen kon in 2007 (anders dan in 2005 en 2006) een positief groepsresultaat voor belastingen worden gerealiseerd en is een groot deel van de bestaande betalingsachterstanden ingelopen. De kosten die wél zijn gemaakt, zijn alle als zakelijk aan te merken en waren voor verkooporganisaties als [D] en [B] noodzakelijk om potentiële klanten te werven en aan zich te binden. De hoogte van deze zakelijke kosten staat ook in een normale verhouding tot de in deze jaren gerealiseerde omzet, zo stelt belanghebbende. Indien zich niet de onder 4.5.8 beschreven onvoorziene ontwikkelingen hadden voorgedaan, had belanghebbende als bestuurder de financiële omstandigheden v