GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.204.594/01 zaaknummer rechtbank Amsterdam : 4918909 CV EXPL 16-9433 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 21 november 2017 (bij vervroeging) inzake [appellant] , wonend te [woonplaats], [gemeente], appellant in principaal appel, geïntimeerde in voorwaardelijk incidenteel appel advocaat: mr. J.J. Maarleveld te Amsterdam, thans mr. D.C.A. van den Dungen te Amsterdam, tegen [geïntimeerde] , wonend te [woonplaats], geïntimeerde in principaal appel, appellant in voorwaardelijk incidenteel appel, advocaat: mr. M.A.J. Jansen te Amsterdam. 1Het geding in hoger beroep Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd. Thijsen is bij dagvaarding van 18 november 2016 in hoger beroep gekomen van de vonnissen van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter), van 17 juni en 21 oktober 2016, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van grieven; - memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel appel; - memorie van antwoord in incidenteel appel, - akte inbreng productie door [appellant], - antwoordakte door [geïntimeerde]. Ten slotte is arrest gevraagd. [appellant] heeft geconcludeerd dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad – de vorderingen van [appellant] alsnog zal toewijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties met nakosten en rente. [geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep met nakosten. Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden. 2Feiten De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis van 21 oktober 2016 onder 1.1 tot en met 1.14 de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep, behoudens het navolgende, niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Ten onrechte heeft de kantonrechter onder 1.1 bepaald dat [geïntimeerde] eigenaar is van Trainingsstal Starnmeer. De op 19 mei 2015 tussen [X] en [appellant] verstuurde berichten hadden een andere inhoud dan door de kantonrechter vastgesteld. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende. 2.1 [geïntimeerde] was eigenaar van het paard Double R Enterprise, ook genaamd Casey (verder: Casey), dat in de manege Starnmeer (hierna: de manege) in training stond. Houder van de manege was [X] (verder: [X]). 2.2 Op 12 mei 2015 zijn partijen, [geïntimeerde] vertegenwoordigd door [X], overeengekomen dat [geïntimeerde] Casey voor een bedrag van € 6.400,- zou verkopen aan [appellant], onder de voorwaarde dat Casey (in ieder geval klinisch en röntgenologisch) goedgekeurd werd. Bij de prijs was inbegrepen de door [geïntimeerde] al vooruitbetaalde stalhuur voor de maand mei 2015. 2.3 Casey is op 13 mei 2015 op verzoek van [appellant] gekeurd door een dierenarts en deze arts heeft klinisch en röntgenologisch geen bezwaren gevonden. In het keuringsverzoek heeft [appellant] vermeld dat het gebruiksdoel ‘sport’ is; het woord ‘fokkerij’ is doorgestreept. 2.4 Op 15 mei 2015 is een aanvraagformulier voor onderzoek naar genetische aandoeningen verzonden aan een bedrijf in Duitsland. 2.5 [appellant] heeft op 18 mei 2015 € 6.400,- overgemaakt aan [geïntimeerde]. 2.6 [geïntimeerde] heeft op 19 mei 2015 de zogenaamde AQHA stamboom en het AQHA transfer report afgeleverd bij [X]. Op het transfer report heeft [geïntimeerde] bij verkoper (‘seller’) zijn eigen naam ingevuld. Bij de ‘Date of Sale’ staat ingevuld: 19 mei 2015, onder de voorgedrukte toevoeging: ‘Important: List month, day and year possession of horse actually changed’. 2.7 [X] heeft op 19 mei 2015 via Facebook om 17.45 uur aan [appellant] geschreven: “Hi, [geïntimeerde] ([geïntimeerde], toevoeging hof) heeft de papieren langs gebracht.”. [appellant] heeft daarop via Facebook om 19.27 uur aan [X] geantwoord: “Ah fijn, ben benieuwd (met emoticon smiley, hof). Ik zag dat je d’r ook op het bord voor de hoefsmid had geschreven voor me, thx (met emoticon smiley, hof).” 2.8 Op 20 mei 2015 kreeg Casey hevige koliek. [X] heeft direct een dierenarts geraadpleegd, waarna Casey naar de Universitaire Kliniek te Utrecht is gebracht. Bij dit bezoek werd [X] vergezeld door [appellant], die door [X] van de gezondheidsproblemen van Casey op de hoogte was gebracht. De dierenarts in de kliniek heeft gesteld dat er twee opties waren: opereren, waarvan de kosten € 4.000,- tot € 6.500,- waren, met een overlevingskans van maximaal 30%, of laten inslapen. Besloten is om Casey te laten inslapen. Autopsie wees nadien uit dat een operatie niet succesvol zou zijn geweest. 2.9 [X] heeft op 22 mei 2015 aan [appellant] de stamboom en het transfer report overhandigd. Ook heeft [appellant] die dag het resultaat van de genetische test voor vier van de vijf onderzochte aandoeningen ontvangen. De uitslag van de laatste test is op 28 mei 2015 ontvangen. Uit de test bleek dat geen genetische problemen aanwezig waren. 2.10 In een door [X] opgesteld, na 20 mei 2015 aan [appellant] overhandigd en door geen der partijen ondertekend verkoopcontract paarden stond bij de artikelen 5.1 en 6.2 het volgende: “5.1 Het bedrag van € 6.400,- zal op 18-05-2015 betaald worden door de koper per bank. De verkoper zal na ontvangst van het geld de stamboek papieren, paspoort en transfer rapport geheel ingevuld overhandigen aan de koper of tussen persoon namens [X].” “6.2 De verkoper zal verantwoordelijk blijven voor het paard tot het paard betaald is en de papieren overhandigd zijn aan de koper.” 2.11 [X] heeft op 11 juni 2015 aan [appellant] bericht: “Ten eerste antwoord op je vraag: ja ik wilde na ontvangst van de papieren even om de tafel zitten om de overdracht van de papieren te doen en je uit te leggen hoe je deze papieren op je naam kan krijgen. Daarnaast vul je dan een huurovereenkomst in voor je stal met al jou gegevens er op. Je had van mij ook een kwitantie gekregen als bewijs dat [geïntimeerde] het geld ontvangen heeft. (…) Ik heb je dinsdag op de hoogte gesteld dat [geïntimeerde] de papieren incl trasfer report ingeleverd had bij mij en ik ben er toen van uitgegaan dat je in de avond even langs zou komen om deze in ontvangst te nemen. We zijn elkaar toen mis gelopen wat normaal helemaal geen probleem zou zijn, toen wilde ik het ook de dag er na, woensdag, doen. (…)”. 3Beoordeling 3.1 [appellant] heeft, na wijziging van eis, in eerste aanleg gevorderd, voor zover in hoger beroep nog relevant, [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van € 6.400,- met rente, een verklaring voor recht dat Casey ten tijde van de medische behandeling op 20 mei 2015 voor risico van [geïntimeerde] kwam, [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van € 841,63 aan medische kosten met rente alsmede in de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten. [appellant] heeft daartoe aangevoerd dat [geïntimeerde] Casey niet geleverd heeft, en daartoe als gevolg van het overlijden van Casey ook niet meer in staat was, zodat, na ontbinding van de koopovereenkomst, de koopsom diende te worden geretourneerd. [geïntimeerde] heeft verweer gevoerd, kort samengevat inhoudend dat Casey wel was geleverd. De kantonrechter heeft de vorderingen afgewezen, en daartoe overwogen dat voldaan was aan de vereisten van artikel 3:115 BW aanhef onder 3, en Casey daarmee geleverd was. 3.2 Tegen dit oordeel komt [appellant] op en hij vordert alsnog toewijzing van zijn vorderingen, zoals na wijziging van eis in eerste aanleg ingesteld. [appellant] voert geen afzonderlijke grieven aan, maar het hof leidt uit zijn stellingen af dat zijn grieven zich richten op het volgende: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.