arrest ___________________________________________________________________ _ _ GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer gerechtshof : 200.221.844/01 KG zaak- en rolnummer rechtbank Noord-Holland : 6046276 VV EXPL 17-50 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 21 november 2017 inzake de vennootschap onder firma PRANGER BEWINDVOERING in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [X], gevestigd te Wormerveer, appellante in de hoofdzaak, eiseres in het incident, advocaat: mr. F.W. Brugman te Wognum, tegen: WONINGSTICHTING ROCHDALE, gevestigd te Amsterdam, geïntimeerde in de hoofdzaak, verweerster in het incident, advocaat: mr. R.N.E. Visser te Amsterdam. Partijen worden hierna de bewindvoerder (dan wel [X] ) en Rochdale genoemd. 1Het geding in hoger beroep De bewindvoerder is bij dagvaarding van 21 augustus 2017 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Zaanstad (hierna: de kantonrechter) van 27 juli 2017 dat onder bovenstaand zaak- en rolnummer in kort geding is gewezen tussen Rochdale als eiseres en de bewindvoerder als gedaagde. De grieven van de bewindvoerder tegen dit vonnis zijn in de appeldagvaarding opgenomen. Op de dienende dag heeft de bewindvoerder dienovereenkomstig geconcludeerd en producties overgelegd. De bewindvoerder heeft bij de appeldagvaarding tevens een incidentele vordering ingesteld tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis op de voet van artikel 351 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Bij antwoordconclusie in het incident heeft Rochdale verweer gevoerd in het incident. Zij heeft het hof verzocht, uitvoerbaar bij voorraad, de bewindvoerder in het incident niet-ontvankelijk te verklaren, althans de incidentele vordering af te wijzen, met veroordeling van de bewindvoerder in de kosten van het incident te vermeerderen met nakosten. Vervolgens is arrest gevraagd in het incident. 2Beoordeling 2.1 Het gaat hier, samengevat en voor zover voor het incident van belang, om het volgende. Rochdale heeft met ingang van 20 augustus 2014 de woning aan het adres [adres] (verder: de woning) aan [X] verhuurd. Rochdale heeft in de onderhavige procedure ontruiming van de woning gevorderd onder verbeurte van een dwangsom, dan wel als de bewindvoerder daarmee in gebreke blijft, machtiging om de ontruiming zelf te doen uitvoeren, alsmede veroordeling van de bewindvoerder tot betaling van de kosten van ontruiming en de proceskosten. Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter - kort gezegd - de vordering tot ontruiming toegewezen. Voorts is de bewindvoerder veroordeeld in de proceskosten. Deze veroordelingen zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 2.2 Ter onderbouwing van zijn incidentele vordering heeft de bewindvoerder - samengevat - het volgende aangevoerd. De kantonrechter had niet, op basis van de bewijsstukken en de feitelijke omstandigheden, tot de conclusie kunnen komen dat [X] geen hoofdverblijf in de woning had. Nu [X] geen vervangende woonruimte heeft en hij geen andere woonruimte heeft waar hij zijn dochter kan ontvangen, heeft hij groot belang bij schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis. Dit belang van [X] weegt zwaarder dan het belang van Rochdale om de woning weer te kunnen verhuren. 2.3 Rochdale heeft onder meer aangevoerd dat de woning inmiddels is ontruimd. Het hof zal de bewindvoerder in de gelegenheid stellen bij akte op deze stelling te reageren. De zaak zal daartoe naar de rol worden verwezen. Reeds nu wordt opgemerkt dat de bewindvoerder bij de gevorderde schorsing geen belang heeft (en dat die vordering daarom zal worden afgewezen), indien de woning inderdaad inmiddels is ontruimd. 2.4 Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden. 3Beslissing Het hof: in het incident: verwijst de zaak naar de rol van 5 december 2017 voor een akte aan de zijde van de bewindvoerder met het onder 2.3 vermelde doel; houdt iedere verdere beslissing aan. Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.M. Smit, J.C.W. Rang en C.A.H.M. ten Dam en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 21 november 2017.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.