GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerk 16/00472 23 november 2017 uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [X] te [Z] , belanghebbende, gemachtigde: mr. drs. J.M.C. Niederer te Heerlen tegen de uitspraak van 13 september 2016 in de zaak met kenmerk AMS 16/989 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, de heffingsambtenaar. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 24 december 2015 aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van in totaal € 58,90 (€ 4 aan parkeerbelasting en € 54,90 aan kosten). 1.2. Na daartegen gemaakt bewaar heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak van 4 februari 2016 de naheffingsaanslag gehandhaafd. 1.3. De rechtbank heeft bij uitspraak van 13 september 2016 het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard. 1.4. Het tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 1 november 2016. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2017. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden. 2Feiten 2.1. In de gemeente Amsterdam wordt de controle op het betalen van parkeerbelasting (mede) uitgevoerd met behulp van een zogenoemde “scanauto”, die de kentekens van de auto’s die geparkeerd staan registreert en vergelijkt met de in de parkeerapparatuur opgeslagen gegevens van geparkeerde auto’s. 2.2. Op 21 december 2015, tijdstip 21:32 uur, heeft een scanauto geregistreerd dat de auto van belanghebbende, met kenteken [kentekennummer] (hierna: de auto), stil stond in een parkeervak op de locatie [A-straat] ter hoogte van huisnummer [...] (hierna: de locatie), zonder dat er parkeerbelasting was voldaan. Ingevolge de Verordening Parkeerbelastingen 2015-II van de gemeente Amsterdam (Afd. 3A, 2015, nr. 85/293, Gemeenteblad nr. 44447, hierna: de Verordening) is in geval van parkeren op die locatie op dat tijdstip parkeerbelasting verschuldigd. 2.3. Tot de gedingstukken behoort een afschrift uit de digitale systemen van Cition B.V. (hierna: Cition), waarop onder meer de volgende gegevens staan vermeld: “(…) Kenteken [kentekennummer] [foto kentekenplaat met het leesbare kenteken [kentekennummer] ] Gescand : maandag 21-12-2015 21:32:17 (…) Geparkeerd : Ja Processtatus : Gereed (…) Adres : [A-straat] (P) Team : (CADDY05) Caddy 5 Scanapparaat : Caddy05 - cition-caddy05 (…) Wachtrij status Van Status Naar Status 21:32:17 Initieel 21:32:22 Gescand 21:32:22 Gescand 21:37:30 Verdacht 21:37:30 Verdacht 21:37:37 Wacht op handhaver 21:37:37 Wacht op handhaver 21:45:17 Controle door handhaver 21:45:17 Controle door handhaver 21:48:11 Gereed 2.4. In het namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift van 11 januari 2016 heeft de gemachtigde verzocht te worden gehoord op de voet van artikel 7:4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Daarnaast heeft de gemachtigde in het bezwaarschrift het volgende verzoek opgenomen: “Tot slot verzoek ik u mij namens cliënt om, mede in het licht van het beginsel van hoor en wederhoor, alle zaakstukken in dit dossier te doen toekomen zodat deze bestudeerd kunnen worden voordat de hoorzitting plaats heeft.” 2.5. Bij brief van 14 januari 2016 heeft de heffingsambtenaar als volgt op dit verzoek gereageerd: “Wij nodigen u (…) uit uw standpunt mondeling toe te lichten op een hoorzitting op 28 januari 2016. Wij vragen u om 12.00 uur aanwezig te zijn op het bezoekadres (…). (…) Tot drie dagen voor de hoorzitting kunt u de stukken komen inzien. U kunt hiervoor telefonisch een afspraak maken (…).” 2.6. Nadat de gemachtigde had bericht op de voorgestelde datum verhinderd te zijn en had verzocht om telefonisch te worden gehoord, heeft de heffingsambtenaar de gemachtigde bij brief van 22 januari 2016 uitgenodigd voor een hoorzitting op 2 februari 2016. In deze brief is aangegeven dat de gemachtigde tot drie dagen vóór de hoorzitting de stukken kan inzien en dat hij hiervoor een telefonische afspraak kan maken. Vervolgens is de gemachtigde op 2 februari 2016 telefonisch gehoord. 2.7. Tijdens de zitting in hoger beroep is door de gemachtigde onder meer het volgende verklaard: “Ik kan mijn stelling dat door scanauto’s verzamelde gegevens op systematische wijze worden bewaard en raadpleegbaar gehouden desgewenst van nader bewijs voorzien; ik doe in dit verband een bewijsaanbod. Waar is mijn stelling concreet op gebaseerd? Ik baseer mijn stelling op de website naheffingsaanslag.amsterdam.nl. Ik heb geconstateerd dat invoering van een kenteken, bijvoorbeeld dat van belanghebbende, op genoemde website een overzicht oplevert van ten aanzien van dat kenteken opgelegde naheffingsaanslagen parkeerbelasting. Doorklikken op een naheffingsaanslag leidt tot een foto van het kenteken en overige detailgegevens die door de scanauto zijn verzameld. Wat verder nog relevant is: ook de naheffingsaanslagen waartegen geen bezwaar is gemaakt of waarbij het bezwaar ongegrond is verklaard, blijven op de website raadpleegbaar. Er worden dus geen gegevens verwijderd. Ook niet-houders van het desbetreffende kenteken kunnen de website blijven raadplegen. Wie beheert deze website? Ik neem aan de gemeente Amsterdam.” 2.8. Tijdens de zitting in hoger beroep is door de heffingsambtenaar onder meer het volgende verklaard: “Ik betwist de stelling van belanghebbende dat geen tweede controlemoment zou hebben plaatsgevonden. De tweede controle blijkt uit het scanoverzicht, dat als bijlage 7 bij het verweerschrift in eerste aanleg is overgelegd. Het scanoverzicht vermeldt de belangrijkste kenmerken van de naheffingsaanslag. ‘CADDY05’ is de aanduiding van de controleur. Rechts is een overzicht opgenomen van een aantal tijdstippen. Het eerste tijdstip betreft het scanmoment; het kenteken is gescand en dan komt er een signalering door het systeem, dat ter controle gegevens opvraagt in het Nationale Parkeerregister, dat niet is betaald. Dan wordt het voertuig aangemerkt als ‘verdacht’. Vervolgens blijkt uit de vermelding van het desbetreffende tijdstip in het scanoverzicht dat om 21:45:17 uur een handhaver ter plekke is geweest. Wat doet de handhaver? De handhaver controleert of betaald is voor het parkeren; dat gaat digitaal. Tussen het sein ‘verdacht’ en de aankomst van de handhaver bij de auto zit in dit geval een tijdsduur van 13 minuten. Er is daarom geen sprake van laden en lossen dan wel in- en uitstappen; als iets daarvan was waargenomen, dan was de naheffingsaanslag niet doorgezet. Het tijdstip ’21:48:11 Gereed’ is het moment dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting definitief door de handhaver is doorgezet (…).” 2.9.1. Op de website van de gemeente Amsterdam (www.Amsterdam.nl/veelgevraagd) is onder het Onderwerp “Bon voor te weinig betaald parkeergeld” – voor zover hier van belang – het volgende vermeld: “Inzage of kopie parkeerbon Met het kenteken van de auto en het bonnummer kunt u via naheffingsaanslag.amsterdam.nl uw bon(nen) inzien. Daar kunt u ook bezwaar maken. Via Mijn Belastingen kunt u met DigiD uw parkeerbonnen van de laatste zes maanden inzien. Foto van de overtreding Als u via naheffingsaanslag.amsterdam.nl bezwaar maakt, kunt u op verzoek de foto zien die de scanauto van uw voertuig heeft gemaakt. U krijgt de foto alleen op verzoek toegestuurd, met het besluit op het bezwaar.” 2.9.2. Op de website www.naheffingsaanslag.amsterdam.nl is onder meer het volgende vermeld: “Gemeente Amsterdam (…) Parkeerbon inzien Met uw kenteken en het nummer van uw naheffingsaanslag kunt u uw parkeerbon inzien. U kunt hier ook meteen bezwaar maken en de status van uw bezwaarschift volgen. Kenteken [in te vullen veld] Aanslagnummer [in te vullen veld] Bekijk uw parkeerbon > Parkeerdiensten B.V., Postbus 2727, 1000 CS Amsterdam” 3Geschil in hoger beroep 3.1. Evenals bij de rechtbank is in hoger beroep in geschil of de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht is opgelegd. Het geschil in hoger beroep is toegespitst op de vraag of de auto niet langer heeft stilgestaan dan nodig was voor het onmiddellijk in- of uitstappen van personen, in welk geval heffing van parkeerbelasting achterwege dient te blijven. Daarnaast is in geschil of de heffingsambtenaar heeft gehandeld in strijd met artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), doordat de naheffingsaanslag (mede) is vastgesteld op basis van door een scanauto vergaarde gegevens. 3.2. Voorts is in geschil of de heffingsambtenaar in strijd heeft gehandeld met het voorschrift van artikel 7:4, vierde lid, Awb doordat deze, ondanks een verzoek daartoe van de gemachtigde, voorafgaand aan de hoorzitting geen afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de gemachtigde heeft toegezonden. 4Oordeel van de rechtbank De rechtbank heeft in haar uitspraak (waarin belanghebbende wordt aangeduid als ‘eiser’ en de heffingsambtenaar als ‘verweerder’) – voor zover hier van belang – als volgt omtrent het geschil overwogen en beslist: “6. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser op een fiscale parkeerplaats geparkeerd stond en dat er geen parkeerbelasting was voldaan. Verder overweegt de rechtbank dat eiser niet heeft onderbouwd dat er sprake was van het onmiddellijk in- of uitstappen van personen, dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen. Uit de door verweerder overgelegde gegevens van de scanauto blijkt dat de auto van eiser ongeveer dertien minuten geparkeerd stond. Dit is zodanig lang dat alleen al op basis daarvan de rechtbank niet aannemelijk acht dat er sprake was van het onmiddellijk in- of uitstappen van personen, dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen. Met verweerder is de rechtbank dan ook van oordeel dat er sprake was van parkeren in de zin van artikel 2, aanhef en onder a, van de Verordening. 7. Ter zitting heeft verweerder verduidelijkt dat er om 21:45 uur wel degelijk een controle door een parkeercontroleur heeft plaatsgevonden. Dit blijkt als zodanig uit de scangegevens. De beroepsgrond van eiser slaagt dan ook niet. 8. Verder is niet gebleken dat er extra informatie door verweerder is ingewonnen bij de parkeercontroleur zoals gesteld door eiser. Verweerder heeft ter zitting ook toegelicht dat dit niet is gebeurd. Nu van feiten en/of omstandigheden die pas ná de telefonische hoorzitting van 2 februari 2016 bekend zijn geworden geen sprake is, is artikel 7:9 van de Awb niet geschonden. Al het overige dat door eiser is aangevoerd, kan niet tot een ander oordeel leiden. 9. Nu is vastgesteld dat sprake is van parkeren in de zin van de Verordening, heeft het belastbaar feit zich voorgedaan en is de naheffingsaanslag terecht opgelegd. (…)” 5Beoordeling van het geschil Parkeren dan wel onmiddellijk in- en uitstappen 5.1.1. Belanghebbende heeft in hoger beroep het standpunt ingenomen dat geen sprake is geweest van parkeren, maar van het onmiddellijk in- en uitstappen van personen in de zin van artikel 2, onderdeel a, van de Verordening, zodat de opgelegde naheffingsaanslag dient te worden vernietigd. Uit de door de heffingsambtenaar overgelegde stukken volgt niet dat de auto gedurende ongeveer dertien minuten op de locatie heeft stilgestaan. Belanghebbende, die taxichauffeur is, stelt dat hij, nadat de scanauto de auto om 21:32 uur op de locatie had geregistreerd, met de auto is weggereden en vervolgens weer is teruggekeerd en de auto opnieuw heeft stilgezet in het parkeervak op de locatie; beide keren is sprake geweest van het onmiddellijk in- en uitstappen van personen. Belanghebbende heeft betwist dat de door de heffingsambtenaar gestelde fysieke controle heeft plaatsgevonden; dit blijkt niet uit het onder 2.3 vermelde afschrift. De heffingsambtenaar heeft geen proces-verbaal met bevindingen van de parkeercontroleur overgelegd, terwijl evenmin de feitelijke situatie met foto’s is vastgelegd, zoals bijvoorbeeld in zogenoemde Mulderzaken gebruikelijk is. Gelet op met name het commerciële belang van de bij Cition werkzame medewerkers kan er niet zonder meer van worden uitgegaan dat de verklaringen van Cition of haar medewerkers juist zijn. Aldus belanghebbende. 5.1.2. De heffingsambtenaar heeft deze standpunten van belanghebbende betwist. De heffingsambtenaar betoogt dat de auto om 21:32 uur is gescand door een scanauto, waarna vervolgens om 21:45 uur nog een fysieke controle heeft plaatsgevonden door een parkeercontroleur die de onderhavige naheffingsaanslag uiteindelijk om 21:48 uur heeft opgelegd. Reeds vanwege het tijdsverloop van ongeveer dertien minuten tussen het tijdstip van scannen en de fysieke controle door een parkeercontroleur is de rechtbank volgens de heffingsambtenaar terecht tot het oordeel gekomen dat de auto geparkeerd heeft gestaan en dat de auto niet uitsluitend heeft stilgestaan voor het onmiddellijk in- en uitstappen van personen. De parkeercontroleur heeft geen in- of uitstappende personen waargenomen. Volgens de heffingsambtenaar heeft belanghebbende in de bezwaar- en beroepsfase telkens wisselende standpunten ingenomen en heeft hij pas in hoger beroep enkel nog aangevoerd dat sprake was van het onmiddellijk in- en uitstappen, waarbij belanghebbende in hoger beroep voor het eerst stelt met de auto te zijn weggereden en weer te zijn teruggekomen. Het betreft hier louter stellingen, die belanghebbende niet heeft geconcretiseerd met feiten of een relaas waaruit kan worden geconcludeerd dat hetgeen door de gemachtigde naar voren is gebracht, aannemelijk is. Belanghebbende heeft, aldus de heffingsambtenaar, dan ook ten onrechte geen parkeerbelasting op aangifte voldaan. Tijdens de zitting in hoger beroep heeft de heffingsambtenaar zijn standpunten nader toegelicht, zoals weergegeven onder 2.8. 5.1.3. In de Verordening is onder meer het volgende bepaald: “Artikel 1 Parkeerbelastingen Onder de naam van parkeerbelastingen worden de volgende belastingen geheven: a. een belasting ter zake van het parkeren van een voertuig op een bij dan wel krachtens deze verordening in de daarin aangewezen gevallen door het college van burgemeester en wethouders te bepalen plaats, tijdstip en wijze; (…) Artikel 2 Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: a. parkeren: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- en uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op de binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden;” De in artikel 2, onderdeel a, opgenomen definitie is inhoudelijk gelijkluidend aan de definitie van parkeren die in artikel 225, tweede lid, van de Gemeentewet is opgenomen. 5.1.4. Het Hof stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de auto om 21:32 uur stil stond in een parkeervak op de locatie en dat in geval van parkeren op die locatie op dat tijdstip parkeerbelasting is verschuldigd. Het Hof acht aannemelijk, gelet op het onder 2.3 vermelde afschrift en de daarop door de heffingsambtenaar gegeven toelichting (zie 2.8), dat na het scanmoment de auto om 21:37 uur als “verdacht” is gesignaleerd (omdat na de geautomatiseerde controle in de database was gesignaleerd dat geen parkeerbelasting was voldaan) en dat vervolgens om 21:45 uur een fysieke controle heeft plaatsgevonden door een controleur van Cition B.V. (het bedrijf dat in de gemeente Amsterdam betaald parkeren controleert). Voorts acht het Hof aannemelijk dat, zoals de heffingsambtenaar heeft verklaard, deze controleur drie minuten later (om 21:48 uur) heeft bevestigd dat de auto op het desbetreffende tijdstip geparkeerd stond en dat hij deze bevestiging niet zou hebben verzonden indien hij gedurende deze periode in- of uitstappende personen had waargenomen. Het Hof heeft geen reden te twijfelen aan de betrouwbaarheid van deze vastleggingen en de daarop gegeven toelichting. Belanghebbende heeft geen concrete feiten en omstandigheden aangedragen op grond waarvan zou kunnen worden getwijfeld aan de door de controleur in acht genomen objectiviteit en onafhankelijkheid. De enkele omstandigheid dat Cition B.V. een commerciële onderneming exploiteert, is daartoe onvoldoende. Het Hof is derhalve van oordeel dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de auto zowel om 21:32 uur als om 21:45 uur op de locatie heeft stilgestaan, zonder dat daarvoor parkeerbelasting is voldaan. 5.1.5. Bij deze stand van zaken kan van belanghebbende, die heeft gesteld dat op beide tijdstippen (21:32 en 21:45 uur) sprake is geweest van het onmiddellijk in- en uitstappen van personen en dat hij met de auto in de tussentijd is weggereden en weer op dezelfde locatie is teruggekeerd, op zijn minst worden gevergd dat hij nader concretiseert welke de redengevende feiten en omstandigheden waren die tot deze conclusie kunnen leiden. Temeer nu vastgesteld moet worden of het voertuig uitsluitend heeft stilgestaan gedurende de tijd die nodig was voor en gebruikt werd tot het onmiddellijk in- en uitstappen van personen. Hierbij weegt het Hof mee dat om 21.45 uur een controle ter plaatse is uitgevoerd en dat het Hof aannemelijk acht, zoals hiervoor overwogen, dat de controleur drie minuten later (om 21:48 uur) heeft bevestigd dat de auto op het desbetreffende tijdstip geparkeerd stond en dat hij deze bevestiging niet zou hebben verzonden indien hij gedurende deze periode in- of uitstappende personen had waargenomen, zodat reeds om die reden niet aannemelijk is dat de auto op het tweede tijdstip uitsluitend heeft stilgestaan gedurende de tijd die nodig was voor het onmiddellijk in- en uitstappen van personen. Overigens acht het Hof de door belanghebbende voor het eerst in hoger beroep ingenomen, op geen enkele wijze nader geconcretiseerde stelling dat hij in de tussentijd is weggereden en om 21:45 uur weer op dezelfde locatie is teruggekeerd (met blijkbaar andere passagiers) ongeloofwaardig, zodat het er veeleer voor moet worden gehouden dat de auto (ook) in de periode tussen 21:32 en 21:45 uur onafgebroken geparkeerd heeft gestaan. Op dit punt is het gelijk derhalve aan de heffingsambtenaar. Artikel 8 EVRM 5.2.1. Belanghebbende heeft voorts gesteld dat de heffingsambtenaar in strijd met artikel 8 EVRM heeft gehandeld doordat de naheffingsaanslag (mede) is vastgesteld op basis van door scanauto’s vergaarde gegevens. De wijze waarop de heffingsambtenaar de voor de naheffingsaanslag benodigde gegeven heeft vergaard ontbeert, aldus belanghebbende, een wettelijke basis. Evenmin bestaat een wettelijke basis waaraan de heffingsambtenaar systematische controlebevoegdheden kan ontlenen. Bovendien heeft de heffingsambtenaar niet de bevoegdheid tot het opslaan en systematisch vaststellen en bewaren van de op hem betrekking hebbende gegevens. Dit alles maakt, aldus nog steeds belanghebbende, dat de scangegevens die zich in het dossier bevinden niet ten grondslag mogen worden gelegd aan de naheffingsaanslag. Ter ondersteuning van zijn standpunt verwijst belanghebbende naar het arrest van de Hoge Raad van 24 februari 2017, nr. 15/02068, ECLI:NL:HR:2017:286, BNB 2017/79. Tijdens de zitting in hoger beroep heeft belanghebbende hierover nader verklaard, als weergegeven onder 2.7. 5.2.2. De heffingsambtenaar heeft het standpunt ingenomen dat geen sprake is van handelen in strijd met artikel 8 EVRM en heeft in dit verband verwezen naar een uitspraak van dit Hof van 20 juni 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:2604. Van het in strijd met de waarborg van artikel 8 EVRM voor lange tijd op systematische wijze vastleggen en raadpleegbaar houden van gegevens is volgens de heffingsambtenaar geen sprake. De scangegevens worden, nadat de naheffingsaanslag parkeerbelasting is betaald, binnen 48 uur verwijderd; bij niet-betaling worden de gegevens bewaard totdat de desbetreffende naheffingsaanslag onherroepelijk is komen vast te staan, zo stelt de heffingsambtenaar. Voorts heeft de heffingsambtenaar verzocht de voor het eerst ter zitting in hoger beroep door belanghebbende ingenomen stellingen over de website naheffingsaanslag. amsterdam .nl tardief te verklaren, aangezien de heffingsambtenaar, naar hij ter zitting heeft gesteld, niet bekend is met deze website en geen onderzoek heeft kunnen doen naar de voor het eerst ter zitting hierover door belanghebbende ingenomen stellingen. 5.2.3. Het Hof stelt voorop dat de gemeenteraad bevoegd was de Verordening vast te stellen. Naar het oordeel van het Hof is daarmee tevens een controlebevoegdheid gegeven op de naleving van de Verordening: de gemeente mag controleren of de verschuldigde parkeerbelasting is voldaan. De controlebevoegdheid kent echter grenzen, gesteld door wet, verdrag en algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Belanghebbende stelt dat de grens getrokken door artikel 8 EVRM is overschreden. 5.2.4. Artikel 8, eerste lid, EVRM, bepaalt – voor zover hier van belang – dat “een ieder (…) recht [heeft] op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven”. In het tweede lid van artikel 8 wordt vervolgens bepaald dat “geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid [Hof: en enige andere opgesomde belangen]”. 5.2.5. Een schending van artikel 8 EVRM vindt dus plaats indien sprake is van (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.