GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.189.630/01 zaaknummer rechtbank Amsterdam : 16-192 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 5 december 2017 inzake [appellant] , wonend te [woonplaats] , appellant, tevens incidenteel geïntimeerde, advocaat: mr. L. van de Vrugt te Amsterdam, tegen STICHTING ZAAM, Interconfessioneel Voortgezet Onderwijs, gevestigd te Amsterdam, geïntimeerde, tevens incidenteel appellante, advocaat: mr. J.A. Keijser te Den Haag. 1Het geding in hoger beroep Partijen worden hierna [appellant] en Stichting Zaam genoemd. [appellant] is bij dagvaarding van 12 april 2016 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter), van 22 maart 2016, in kort geding gewezen tussen [appellant] als eiser en Stichting Zaam als gedaagde. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van grieven, met producties; - memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, met producties; - memorie van antwoord in incidenteel appel, met producties. [appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog zijn oorspronkelijke vorderingen zal toewijzen, met beslissing over de proceskosten. Stichting Zaam heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis met uitzondering van de veroordeling tot voorwaardelijke betaling van het loon over de periode januari t/m maart 2016 en vernietiging van deze laatste veroordeling, met beslissing over de proceskosten. [appellant] heeft geconcludeerd tot afwijzing van het incidenteel beroep van Stichting Zaam, met beslissing over de proceskosten. Partijen hebben de zaak ter zitting van 12 april 2017 doen bepleiten, ieder door hun advocaat voornoemd en ieder aan de hand van pleitnotities, die zijn overgelegd. [appellant] heeft nog producties in het geding gebracht. Partijen hebben ter zitting overleg gehad en aangegeven (nogmaals) te trachten hun geschil in onderling overleg te beëindigen. Ten slotte heeft [appellant] op 4 juni 2017 bericht dat partijen geen overeenstemming hebben bereikt; Stichting Zaam heeft nog een akte genomen en vervolgens is arrest gevraagd. 2Feiten De kantonrechter heeft in het vonnis onder het kopje ‘Feiten” de feiten opgesomd die hij bij de beoordeling van de zaak tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn deels in geschil. Voor de beoordeling is thans nog slechts het volgende van belang. 2.1 Stichting Zaam is een overkoepelende organisatie van 22 scholengemeenschappen in het voorbereidend middelbaar onderwijs en het voortgezet onderwijs. [appellant] is sedert 1 maart 2011 aangesteld als docent voor onbepaalde tijd met een werktijdfactor van 1,0 fte. Hij was vanaf dat moment werkzaam als LB docent rekenen en wiskunde op het Waterlant Beroepsopleidingen IJdoorn College (hierna: Waterlant College) te Amsterdam. 2.2 Na een conflict met (onder meer) de toenmalige (interim) directeur van het Waterlant College, heeft [appellant] na overleg met Stichting Zaam aangegeven om hangende een bemiddeling met ingang van september 2015 op vrijwillige basis werkzaamheden te gaan verrichten op het Iedersland College. Deze werkzaamheden heeft [appellant] met ingang van 4 januari 2016 beëindigd, nadat op 15 december 2015 de bemiddeling zonder resultaat was geëindigd. Stichting Zaam heeft vervolgens de loonbetaling met onmiddellijke ingang stopgezet. 2.3 Bij brief van 5 januari 2016 heeft [A] , voorzitter van het College van Bestuur van Stichting Zaam (hierna: [A] ), aan [appellant] laten weten dat de aanvaarding van de werkzaamheden op het Iederslandcollege in september 2015 in die zin niet vrijblijvend was dat [appellant] daar wél vrijwillig naar toe is gegaan, maar na aanvang van zijn werkzaamheden aldaar een terugkeer naar het Waterland College niet meer mogelijk was. 2.4 In een gesprek op 15 januari 2016 met [appellant] en zijn gemachtigde hebben [B] , door het College van Bestuur aangewezen om met [appellant] nader gesprekken te voeren, en [C] (adviseur van het College van Bestuur) aan [appellant] doen weten dat er voor hem passend werk is op het Iedersland College, dat hij de werkzaamheden daar niet op basis van vrijwilligheid verricht, dat er een onwerkbare situatie is ontstaan op het Waterlant College, dat [appellant] wordt overgeplaatst naar het Iedersland College met ingang van 18 januari 2016 en dat, indien [appellant] dit weigert, zal worden overgegaan tot staking van de bezoldiging en de Stichting zich zal beraden op de ontbinding van de arbeidsovereenkomst. 2.5 Nadat [appellant] bij wege van voorlopige voorziening had gevorderd om teruggeplaatst te worden naar het Waterlant College, heeft de voorzieningenrechter bepaald dat [appellant] aanspraak kon maken op doorbetaling van loon vanaf januari 2016, indien hij bereid was om het werk op het Iedersland College te hervatten binnen twee dagen na datum vonnis. [appellant] heeft zijn werkzaamheden aldaar vervolgens hervat, maar tevens beroep ingesteld tegen voornoemde beslissing van de voorzieningenrechter. 2.6 Bij brief van 4 augustus 2016 heeft [appellant] beroep ingesteld bij de Commissie voor Beroep voor het Christelijk Voortgezet Onderwijs en Hoger Beroepsonderwijs tegen het besluit van 27 juni 2016 van de Stichting Zaam tot het handhaven van de plaatsing op het Iedersland College ook na het einde van het (lopende) schooljaar. 2.7 Bij beslissing van 21 september 2016 heeft voornoemde commissie het beroep van [appellant] gegrond verklaard, kort gezegd omdat Stichting Zaam in onvoldoende mate inzichtelijk heeft gemaakt op welke wijze de belangen van haar bij overplaatsing en die van [appellant] bij (handhaving van) plaatsing op het Waterlant College zijn gewogen. 2.8 Op 18 januari 2017 heeft [A] [appellant] uitgenodigd zijn zienswijze te geven over de condities van een overplaatsing. [appellant] heeft bij ongedateerd schrijven doen weten dat hij zich zou verzetten tegen welke overplaatsing dan ook. 2.9 [appellant] heeft thans geen lesbevoegdheid meer – ook niet door middel van een ontheffing - om in zijn oorspronkelijke vak rekenen en wiskunde op enige vestiging van Stichting Zaam werkzaam te zijn. Hij volgt inmiddels de opleiding Nederlands met instemming van Stichting Zaam. 3Beoordeling 3.1 Bij dagvaarding van 11 februari 2016 heeft [appellant] een voorziening gevorderd om hem binnen twee dagen na betekening van het vonnis weer toe te laten tot het Waterlant College en hem de gebruikelijke werkzaamheden te laten verrichten alsmede doorbetaling van loon. De Stichting heeft tegen deze vorderingen verweer gevoerd, kort samengevat stellende dat de ernst van het arbeidsconflict een terugkeer van [appellant] naar het Waterlant College onmogelijk maakt, terwijl voorts zijn werkzaamheden aldaar inmiddels door anderen zijn overgenomen. 3.2 De kantonrechter heeft in kort geding de vordering van [appellant] tot terugplaatsing naar het Waterlant College afgewezen en voorts bepaald dat de Stichting Zaam gehouden is om de loonbetalingen vanaf januari 2016 te hervatten, indien [appellant] zich bereid verklaart de werkzaamheden aan het Iedersland College, zoals hij die heeft verricht tot en met december 2015, te hervatten. Deze veroordeling is geldig tot 1 september 2016 dan wel de datum waarop de dienstbetrekking eerder rechtsgeldig zal zijn beëindigd. Tegen deze beslissing komen zowel [appellant] als Stichting Zaam op. 3.3 Bij behandeling van grief I in het principaal appel, gericht op de feitenvaststelling door de voorzieningenrechter, heeft [appellant] thans geen belang meer nu het hof zelfstandig de in deze relevant te achten feiten heeft vastgesteld. 3.4 Voorts overweegt het hof het volgende. Bij gelegenheid van de pleidooien in hoger beroep is de vraag aan de orde gekomen of Stichting Zaam, die een terugkeer van [appellant] naar het Waterlant College onwenselijk acht, inmiddels een (nieuw) overplaatsingsbesluit had genomen of dat overwoog. Een en ander als bedoeld in artikel 18.4 tweede lid, van de CAO-VO 2016-2017 (onvrijwillige overplaatsing). Stichting Zaam heeft ter zitting aangegeven een dergelijk besluit ten aanzien van [appellant] te zullen nemen vóór 1 juli
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.