GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.188.649/01 zaaknummer rechtbank (Amsterdam) : 3923971 CV EXPL 15-5579 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 19 december 2017 inzake [appellant] , wonend te [woonplaats] , appellant, advocaat: mr. R.A.A. Duk te ’s-Gravenhage, tegen N.V. NUON ENERGY, gevestigd te Amsterdam, geïntimeerde, advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam. 1Het geding in hoger beroep Partijen worden hierna [appellant] en Nuon genoemd. [appellant] is bij dagvaarding van 1 maart 2016 – hersteld bij exploot van 4 maart 2016 – in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam, hierna ‘de kantonrechter’, van 11 december 2015, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen hem als eiser en Nuon als gedaagde. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van grieven; - memorie van antwoord. [appellant] heeft geconcludeerd, kort gezegd, dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog – uitvoerbaar bij voorraad – zijn vordering zoals in eerste aanleg ingesteld zal toewijzen, met beslissing over de proceskosten. Nuon heeft geconcludeerd, kort gezegd, dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met – uitvoerbaar bij voorraad – beslissing over de proceskosten, met inbegrip van nakosten. Beide partijen hebben bewijs van hun stellingen aangeboden. Ten slotte is arrest gevraagd. 2Feiten De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1, 1.1 tot en met 1.22, de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Over de juistheid van die feiten bestaat geen geschil, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan, met dien verstande dat het mede acht zal slaan op enkele andere, hierna te noemen, feiten die tussen partijen niet in geschil zijn. 3Beoordeling 3.1. [appellant] , geboren op [geboortedatum] 1963, is – volgens hemzelf – van 1 mei 1990 dan wel – volgens Nuon – van 1 maart 1996 tot 1 februari 2015 in loondienst geweest van (een of meer rechtsvoorgangers van) Nuon, laatstelijk in de functie van ‘project manager C’. Als zodanig verrichtte hij werkzaamheden bij energiecentrales van Nuon, laatstelijk in Velsen. [appellant] was werkzaam op grond van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. De arbeidsovereenkomst is geëindigd doordat [appellant] deze per 31 januari 2015 heeft opgezegd. Daaraan voorafgaande heeft hij een betrekking bij een derde aanvaard, die hij na het eindigen van zijn dienstverband bij Nuon ook feitelijk is gaan vervullen. 3.2. De opzegging van de arbeidsovereenkomst tussen partijen en de aanvaarding door [appellant] van een betrekking elders hielden verband met een reorganisatie bij Nuon. In het kader daarvan heeft Nuon bij brief van 30 november 2014 aan [appellant] meegedeeld, voor zover van belang, dat zijn functie met ingang van 1 februari 2015 kwam te vervallen, dat hij per die datum boventallig werd tenzij hij voordien een eventueel aanbod van Nuon van ‘een andere passende functie’ zou accepteren, en dat voor hem een pre-boventalligheidsperiode van twee maanden vanaf 1 december 2014 gold. Tevens is [appellant] meegedeeld dat op hem het destijds bij reorganisaties binnen Nuon geldende sociaal plan, te weten het ‘Nuon Sociaal Plan 1 januari 2014 tot en met 30 juni 2015’, hierna ‘het Sociaal Plan’, van toepassing was. 3.3. Artikel 4.7 van het Sociaal Plan luidt, voor zover van belang: ‘Nadat de werknemer de schriftelijke bevestiging heeft ontvangen van het verval van zijn arbeidsplaats, heeft hij uiterlijk tot de laatste dag van de pre-boventalligheidsperiode de tijd om een keuze te maken tussen de volgende twee mogelijkheden: Optie A Directe beëindiging van de arbeidsovereenkomst (…) of Optie B Werkbegeleiding (…).’ Artikel 5.2 van het Sociaal Plan bepaalt dat de werknemer die kiest voor optie A, ‘een beëindigingsvergoeding op basis van de kantonrechtersformule met factor c=1 [ontvangt], zij het dat de beëindigingsvergoeding nooit hoger zal zijn dan een totaalbedrag van 28 maandsalarissen.’ In het geval van een keuze voor optie A diende de werknemer met Nuon een vaststellingsovereenkomst aan te gaan, eindigde de arbeidsovereenkomst dadelijk na afloop van de pre-boventalligheidsperiode en zou de werknemer geen recht hebben op enigerlei uitkering op grond van de Werkloosheidswet, de Ziektewet of de toepasselijke cao en evenmin op zogenoemde werkbegeleiding. 3.4. Nuon heeft aan [appellant] een indicatieve opgave gedaan van de vergoeding waarop deze aanspraak kon maken als hij zou kiezen voor optie A. Die opgave vermeldt, voor zover van belang: ‘Bij uitblijven van passend plaatsingsperspectief of (voorzienbaar) werkperspectief dient u vóór de datum van boventalligverklaring, te weten op 1 februari 2015 (…) uw besluit kenbaar te maken over een van de volgende trajecten conform artikel 4.7 Sociaal Plan Nuon 2014-2015: (…) Ontslag op eigen verzoek waarbij afgezien wordt van aanspraak op werkbegeleiding en uitkering conform de Werkloosheidswet. De ontslagvergoeding op basis [van] kantonrechter[s]formule factor 1 of maximale vergoeding bedraagt (bruto): € 134.770,09.’ Bij e-mail van 31 december 2014 heeft [appellant] , met verwijzing naar de onder 3.2 genoemde brief van 30 november 2014 van Nuon en naar het Sociaal Plan, aan Nuon meegedeeld dat hij koos voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 1 februari 2015 en voor de beëindigingsvergoeding. 3.5. Bij brief van 13 januari 2015 van zijn advocaat aan Nuon heeft [appellant] uitdrukkelijk aanspraak gemaakt op een ontslagvergoeding van € 134.770,09. Voorts heeft [appellant] op 20 januari 2015 een hem eerder door Nuon toegezonden formulier getiteld ‘Keuzeformulier Sociaal Plan 2014-2015’ ondertekend, waarbij hij jegens Nuon heeft verklaard: ‘Naar aanleiding van mijn niet-plaatsing en vanwege het feit dat het Sociaal Plan Nuon 2014-2015 op mij van toepassing is, kies ik voor: afkoop rechten en ontslag op eigen verzoek.’ Nuon heeft geweigerd [appellant] de hierboven genoemde beëindigingsvergoeding van (bruto) € 134.770,09 of enig ander bedrag te betalen. 3.6. Tegen de achtergrond van de hierboven weergegeven, tussen partijen vaststaande feiten vordert [appellant] de veroordeling van Nuon tot betaling aan hem van een hoofdsom van (het hof leest:) € 134.770,09 (bruto), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2015. Hij voert hiertoe aan primair, dat Nuon hem een onvoorwaardelijk aanbod heeft gedaan waarbij zij zich tot betaling van dat bedrag heeft verplicht, welk aanbod hij heeft aanvaard, en subsidiair, dat Nuon op grond van het Sociaal Plan in samenhang met het ontbreken van een (tijdig) aanbod harerzijds aan [appellant] van een (andere) passende functie binnen Nuon, tot betaling van het genoemde bedrag is gehouden. Bij het bestreden vonnis zijn beide grondslagen verworpen en is de vordering afgewezen. Hiertegen komt [appellant] op met vijf grieven. Deze lenen zich voor een gezamenlijke bespreking. 3.7. De eerste vraag die de grieven aan de orde stellen, is of Nuon [appellant] een onvoorwaardelijk aanbod heeft gedaan dat door deze is aanvaard en op grond waarvan zij verplicht is hem een beëindigingsvergoeding te betalen. Bij de beantwoording van deze vraag komt het aan op de verklaringen en gedragingen van Nuon en de zin die [appellant] daaraan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mocht toekennen. Ter onderbouwing van het door hem gestelde aanbod beroept [appellant] zich in hoofdzaak op de onder 3.2 genoemde brief van 30 november 2014 van Nuon en de verwijzing daarin naar de toepasselijkheid van het Sociaal Plan dat, als optie A, de mogelijkheid bood te kiezen voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst onder toekenning van een beëindigingsvergoeding. Dit beroep miskent dat uit de (ondubbelzinnige) verwijzing in de genoemde brief naar de toepasselijkheid van het Sociaal Plan volgt dat [appellant] , naar hij redelijkerwijs behoorde te begrijpen, uitsluitend aanspraak zou kunnen maken op een beëindigingsvergoeding indien en voor zover het Sociaal Plan in een zodanige aanspraak voorzag, dus onder de voorwaarden van het Sociaal Plan. Een ander, onvoorwaardelijk, aanbod is in de brief van 30 november 2014 van Nuon niet gedaan en mocht [appellant] daaruit evenmin redelijkerwijs begrijpen. De onder 3.4 aangehaalde, door Nuon aan [appellant] verstrekte indicatieve opgave van de beëindigingsvergoeding verwijst eveneens naar het Sociaal Plan, is daarop gegrond en sluit aldus bij het voorgaande aan. 3.8. De tweede vraag die ter beantwoording voorligt, is of Nuon gelet op de inhoud en de toepasselijkheid van het Sociaal Plan en de [appellant] bij de brief van 30 november 2014 meegedeelde boventalligheid per 1 februari 2015, tot betaling van de gevorderde beëindigingsvergoeding is gehouden. Ter onderbouwing van zijn stelling dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord, beroept [appellant] zich in hoofdzaak erop (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.