GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerk 16/00566 21 december 2017 uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [X] te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: J.A. Klaver) tegen de uitspraak van 4 november 2016 in de zaak met kenmerk HAA 16/828 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft met dagtekening 27 augustus 2015 aan belanghebbende over het tijdvak 1 april 2015 tot en met 30 juni 2015 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 250, alsmede bij beschikking een verzuimboete van € 65 voor het niet (tijdig) doen van aangifte (hierna: de aangifteverzuimboete) en een verzuimboete van € 50 voor het niet (tijdig) betalen van de verschuldigde belasting (hierna: de betaalverzuimboete). 1.2. Belanghebbende heeft op 31 augustus 2015 alsnog aangifte omzetbelasting gedaan over het tijdvak 1 april 2015 tot en met 30 juni 2015. 1.3. Belanghebbende heeft bij brief van 1 september 2015, ontvangen door de inspecteur op 4 september 2015, bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag en de verzuimboetes en daarbij verzocht om vergoeding van proceskosten. 1.4. De inspecteur heeft bij beschikking van 25 september 2015 met het opschrift “Kennisgeving Omzetbelasting Vermindering” de naheffingsaanslag omzetbelasting en betaalverzuimboete vernietigd. 1.5. Bij beslissing van 26 november 2015 heeft de inspecteur belanghebbende in verband met het bezwaar een proceskostenvergoeding toegekend van € 61. 1.6. De inspecteur heeft bij geschrift van 27 november 2015 met het opschrift “Uitspraak op Bezwaarschrift Omzetbelasting Geen Teruggaaf” belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar. De rechtbank heeft het hiertegen ingestelde beroep in haar uitspraak van 4 november 2016 (kenmerk HAA 16/8) wegens gebrek aan belang niet-ontvankelijk verklaard, de inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 310 en de inspecteur opgedragen het betaalde griffierecht van € 168 aan belanghebbende te vergoeden. 1.7. Belanghebbende heeft de inspecteur bij brief van 3 december 2015, ontvangen op 7 december 2015, in gebreke gesteld wegens het uitblijven van een uitspraak op bezwaar en verzocht om toepassing van de dwangsomregeling. 1.8. Bij beschikking van 24 december 2015 met het opschrift “Uitspraak op bezwaarschrift Omzetbelasting Vermindering” heeft de inspecteur de aangifteverzuimboete vernietigd. 1.9. Belanghebbende heeft bij brief van 2 februari 2016 beroep ingesteld vanwege het niet tijdig beslissen op het bezwaar inzake de naheffingsaanslag en de betaalverzuimboete (fictieve weigering). De rechtbank heeft het beroep in haar uitspraak van 4 november 2016 (HAA 16/828) niet-ontvankelijk verklaard. 1.10. Het tegen die uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het hof ingekomen op 21 december 2016, gecorrigeerd bij brief van 27 december 2016. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.11. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2017. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden. 2Feiten 2.1. Het hof verwijst voor de vaststelling van de feiten primair naar hetgeen is vermeld onder 1: “Ontstaan en loop van het geding”. 2.2. In aanvulling daarop stelt het hof de volgende feiten vast: 2.3. Bij afzonderlijke brief van 26 november 2015 (zie onder 1.5) heeft de inspecteur op het verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding in de bezwaarfase beschikt. In deze brief is onder meer vermeld: “Deze beslissing maakt onderdeel uit van de uitspraak op bezwaarschrift die u inmiddels heeft ontvangen of binnenkort zult ontvangen. (…) indien u het met deze beslissing niet eens bent, kunt u binnen zes weken na dagtekening van de beslissing op het bezwaarschrift een beroepschrift indienen (…). De dagtekening van de beslissing op het bezwaarschift is bepalend voor de beroepstermijn als genoemd in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht”. 2.4. Bij beschikking van 27 november 2015 (zie onder 1.6) heeft de inspecteur blijkens het opschrift alsmede de daarin opgenomen rechtsmiddelverwijzing, uitspraak op het bezwaarschrift gedaan. De motivering van deze uitspraak luidt onder meer: “(…) U heeft bij de Belastingdienst een bezwaarschrift ingediend tegen de naheffingsaanslag met nummer [aanslagnummer A] . U heeft het bezwaarschrift niet binnen de gestelde termijn ingediend. U bent hierdoor niet-ontvankelijk in het bezwaar. (…)” 3Geschil in hoger beroep 3.1. In geschil is of de inspecteur uitspraak op bezwaar aangaande de naheffingsaanslag en de betaalverzuimboete heeft gedaan, welke vraag belanghebbende ontkennend en de inspecteur bevestigend beantwoordt. Bij ontkennende beantwoording van die vraag is in geschil of verweerder een dwangsom verbeurt. Tevens is in geschil of belanghebbende recht heeft op een hogere dan de toegekende proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase. Niet in geschil is dat de naheffingsaanslag en de beide boetebeschikkingen inmiddels volledig zijn vernietigd zodat daarover geen geschil meer bestaat. 3.2. Voor de onderbouwing van de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken alsmede het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting. 4Overwegingen van de rechtbank De rechtbank heeft ten aanzien van het geschil het volgende overwogen. “5. Voor zover het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaar tegen de naheffingsaanslag en de betaalverzuimboete overweegt de rechtbank het volgende. 6. Behalve de in artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) besloten liggende eis dat een uitspraak op bezwaar schriftelijk moet worden vastgelegd, bevat de wet geen vormvoorschriften voor een uitspraak op bezwaar. De rechtbank is van oordeel dat de verminderingsbeschikking van 25 september 2015 moet worden opgevat als uitspraak op bezwaar. De verminderingsbeschikking is een reactie van verweerder op het inhoudelijke bezwaar van eiser tegen de naheffingsaanslag en de betaalverzuimboete, waarbij aan het bezwaar van eiser geheel is tegemoet gekomen. Het moet eiser dan ook duidelijk zijn geweest dat verweerder met deze beschikking een uitspraak op bezwaar heeft willen doen. Dat het team ingebrekestelling van verweerder zich op het standpunt stelt dat een beschikking ambtshalve vermindering niet als (formele) uitspraak op bezwaar kan worden aangemerkt, doet daar niet aan af. 7. Voor zover het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar tegen de naheffingsaanslag en de betaalverzuimboete, dient het op grond van het vorenoverwogene niet-ontvankelijk te worden verklaard (vgl. Hoge Raad 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1797). 8. Op grond van artikel 4:17, eerste lid, van de Awb verbeurt het bestuursorgaan, indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. Op grond van het derde lid van dit artikel is de eerste dag waarover de dwangsom is verschuldigd, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen. 9. Aangezien ten tijde van de op 7 december 2015 door verweerder ontvangen ingebrekestelling reeds op het bezwaar tegen de naheffingsaanslag en de betaalverzuimboete was beslist, heeft eiser geen recht op een dwangsom. Op het bezwaar tegen de aangifteverzuimboete is op 27 november 2015 en dus ook voorafgaand aan de ingebrekestelling beslist. Dat de uitspraak op bezwaar van 27 november 2015 onjuist was en dat verweerder op 24 december 2015 een tweede uitspraak op bezwaar heeft genomen, doet daar niet aan af. Eiser heeft derhalve geen recht op een dwangsom. 10. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep tegen de beslissing van 26 november 2015 op het verzoek om een proceskostenvergoeding, overweegt de rechtbank als volgt. 11. Ingevolge artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in samenhang met artikel 6:8 van de Awb vangt de termijn voor het instellen van beroep aan met ingang van de dag na die van dagtekening van een uitspraak op bezwaar tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking. Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken. 12. Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft niet-ontvankelijkverklaring van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. 13. Verweerder heeft bij beslissing van 26 november 2015 eiser een proceskostenvergoeding voor bezwaar toegekend. De beroepstermijn is aangevangen op 27 november 2015. De laatste dag van de termijn was 7 januari 2016. Het beroepschrift is gedagtekend 2 februari 2016 en bij de griffie van de rechtbank ontvangen op 4 februari 2016. Het beroepschrift is derhalve niet binnen de daarvoor geldende termijn ingediend. Dat op 24 december 2015 een tweede uitspraak op bezwaar is genomen waarbij de aangifteverzuimboete op nihil is gesteld, betekent niet dat die datum bepalend is voor de aanvang van de termijn voor het instellen van beroep tegen de beslissing op het verzoek om proceskostenvergoeding. Nog daargelaten dat tegen een tweede uitspraak op bezwaar geen rechtsmiddel kan worden ingesteld (vgl. Hoge Raad 20 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT1516), geldt dat ook als de beslissing op het bezwaar niet in één uitspraak is vervat, maar uit verschillende deelbeslissingen bestaat, elke deelbeslissing zijn eigen beroepstermijn heeft die onafhankelijk van de beroepstermijn tegen de andere deelbeslissingen aanvangt en eindigt. Omdat eiser niet heeft gesteld dat er sprake was van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht, is de rechtbank van oordeel dat eiser niet in zijn beroep tegen de beslissing op het verzoek om een proceskostenvergoeding kan worden ontvangen.” 5Beoordeling van het geschil 5.1 Het hof stelt vast dat op 31 augustus 2015 - derhalve na het opleggen van de bestreden naheffingsaanslag en boetes - door belanghebbende alsnog de btw-aangifte over het 2e kwartaal 2015 is ingediend (zie 1.2). Door de gemachtigde van belanghebbende is bij brief van 1 september 2015 een bezwaarschrift ingediend dat, voor zover voor de beoordeling van het hoger beroep van belang, als volgt luidt: “Hierbij tekent ondergetekende, <gemachtigde>, namens zijn cliënt, <belanghebbende> bezwaar aan tegen de hem opgelegde naheffingsaanslag omzetbelasting over het 2e kwartaal 2015, cliënt opgelegd onder bovengenoemd aanslagnummer (Hof: [aanslagnummer A]). (…) Dat cliënt, én geen boetes is verschuldigd (….). Ondergetekende verzoekt om een tegemoetkoming in de kosten beroepsmatig verleende bijstand (…)” 5.2. Het hof is van oordeel dat onder de gegeven omstandigheden de aangifte van 31 augustus 2015 door de inspecteur terecht is aangemerkt als een bezwaarschrift tegen: a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.