parketnummer: 23-002358-15 datum uitspraak: 10 maart 2017 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 13 oktober 2014 in de strafzaak onder parketnummer 15-800819-12 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1971, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 24 februari 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 24 juni 2012, te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, een of meer voorwerp(en), te weten een hoeveelheid geld (99.300 euro en 2.000 US Dollar), heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een of meer voorwerp(en), te weten voornoemde hoeveelheid geld, gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging dient te worden verklaard, omdat sprake is van termijnoverschrijding en omdat de politieagenten een zeer onzorgvuldig onderzoek hebben verricht, omdat de verdachte niet is gehoord in de Bulgaarse taal. Daardoor is niet te controleren of hetgeen in het proces-verbaal is opgenomen ook daadwerkelijk hetgeen is wat de verdachte heeft gezegd of heeft bedoeld te zeggen. Daarnaast is de verdachte slechts één keer uitgebreid gehoord op 25 juni 2012 en heeft de verdachte niet kunnen reageren op de onderzoekshandelingen die nadien door de politie zijn verricht. Het hof zal dit verweer van de raadsvrouw onbesproken laten, nu zij de verdachte zal vrijspreken van het tenlastegelegde feit en de verdachte daarom geen belang meer heeft bij bespreking daarvan. Vordering van het openbaar ministerie De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden met aftrek van de tijd dat de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Vrijspraak De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde witwassen. Hij heeft aangevoerd dat de feiten en omstandigheden in deze zaak van dien aard zijn, dat mag worden vermoed dat de geldbedragen die bij de verdachte zijn aangetroffen uit misdrijf afkomstig zijn. De verklaring die de verdachte over de herkomst van het geld heeft gegeven, dient als onaannemelijk en ongeloofwaardig terzijde te worden geschoven. De illegale herkomst van het geld wordt door de verdachte in onvoldoende mate ontzenuwd. Beoordeling De verdachte wordt - kort gezegd - verweten dat hij een hoeveelheid geld (99.300 euro en 2.000 US Dollar) voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat deze gelden uit misdrijf afkomstig waren. Juridisch kader Het hof stelt vast dat zich in het dossier geen bewijs bevindt op grond waarvan een rechtstreeks verband kan worden gelegd tussen de gelden waarvan door de verdachte aangifte is gedaan en een bepaald misdrijf. Niettemin kan bewezen worden geacht dat het geldbedrag “uit enig misdrijf” afkomstig is, indien de vastgestelde feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat sprake is van een vermoeden van witwassen. Indien zulk een geval zich voordoet, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van de geldbedragen die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van de geldbedragen. Vermoeden van witwassen De verdachte is op 24 juni 2012 op Schiphol de Europese Unie binnen gekomen en heeft vrijwillig aangifte gedaan van een geldbedrag (94.500 euro en 2.700 US Dollar). Deze aangifte is gecontroleerd, in welk kader de verdachte is bevraagd. Na telling is gebleken dat de aangifte onjuist was en werd door de Douane vastgesteld dat de verdachte een bedrag van 99.300 euro en 2.000 US Dollar bij zich had. Uit het proces-verbaal van bevindingen is gebleken dat gelet op deze onjuiste aangifte en op basis van een aantal witwastypologieën (het fysiek vervoeren van grote bedragen, het meegevoerde bedrag staat niet in verhouding tot de inkomsten, de handel in verdovende middelen levert veel geld in kleine coupures
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.