Afdeling strafrecht Parketnummer: 23-001446-17 Datum uitspraak: 11 augustus 2017 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 24 april 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13‑669028-17 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1950, zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande, thans uit anderen hoofde gedetineerd in Detentiecentrum Rotterdam te Rotterdam. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 28 juli 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: Op of omstreeks 10 april 2017 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan de [adres 1] , weg te nemen geld en/of goederen van zijn gading geheel of ten dele toebehorende aan [aangever], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen en/of die/dat weg te nemen geld en/of goederen van zijn gading onder zijn bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of een valse sleutel - zich (onbevoegd) toegang tot het complex heeft verschaft (waartoe voornoemde woning behoort) en/of - (vervolgens) hard en/of agressief een of meerdere malen op de deur van die [aangever] heeft gebonkt en/of - ( vervolgens) met een hard stuk plastic tussen de deur en/of het slot van de woning van die [aangever] heeft gewrikt en/of geduwd (de zogenoemde flippermethode) terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, reeds omdat in het vonnis de bewijsmiddelen niet zijn uitgewerkt terwijl de verdachte het feit niet heeft bekend. In hoger beroep gevoerde verweren Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw van de verdachte aan de hand van door haar overgelegde pleitnotities aangevoerd dat de verdachte moet worden vrijgesproken nu er onvoldoende wettig én onvoldoende overtuigend bewijs is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde. De verdenking ten aanzien van de verdachte is uitsluitend gebaseerd op de verklaring van de aangeefster. De aangeefster kan echter vanaf het balkon aan de voorzijde van haar woning niet hebben gezien wie via de centrale toegangsdeur het pand verliet nu de toegangsdeur direct onder de woning is gelegen. Van het aangetroffen stuk plastic onder het bankje is niet vastgesteld dat verdachte het daar heeft neergelegd. De waarnemingen zoals deze zijn gerelateerd in de processen-verbaal van bevindingen zijn onjuist zo blijkt uit de foto’s die zich eveneens in het dossier bevinden. Door de verbalisanten is immers gerelateerd dat er geen andere goederen onder het bankje lagen terwijl uit de foto’s blijkt dat er naast straatvuil ook proppen papier onder het bankje lagen. Bovendien is enkel gesteld dat het aangetroffen stuk plastic kan worden gebruikt als flipper terwijl die stelling geenszins is onderbouwd. Daarbij komt dat de verdachte een alternatief scenario heeft. Het hof verwerpt het verweer en overweegt hieromtrent als volgt. Het hof stelt op grond van het dossier vast dat de aangeefster in haar woning op de tweede verdieping van de [adres 1] aanwezig was toen bij haar buurvrouw meerdere keren werd aangebeld. Vervolgens liep iemand de trap op en hoorde aangeefster gerommel bij de voordeur van haar buurvrouw (woonachtig op nummer [adres 2]). Direct hierna werd er meermalen agressief en hard op de voordeur van de aangeefster gebonkt. Daarna hoorde zij dat die persoon met iets tussen haar deur en deurportaal heen en weer ging. Het klonk alsof de persoon met een stuk plastic tussen de deur zat. Toen haar deur niet openging, is deze persoon naar beneden gelopen. De aangeefster is op haar balkon aan de voorzijde van de woning gaan staan en zag een persoon uit haar portiek (het hof begrijpt uit het portiek waarin de voordeur van het pand waarin de woning van de aangeefster is gelegen) komen. Dat de aangeefster dit niet gezien zou kunnen hebben, zoals door de verdediging gesteld, is niet gebleken en ook niet nader onderbouwd. Terwijl de aangeefster op haar balkon stond, zag zij diezelfde persoon verschillende andere portieken in en uit lopen, terwijl hij constant om zich heen keek. Na enkele minuten arriveerde de politie en heeft de aangeefster de persoon aangewezen die zij eerder uit haar portiek had zien komen Hierop heeft de politie de verdachte staande gehouden en hem plaats laten nemen op een bankje. Verbalisant [verbalisant 1] ziet dat er in de directe omgeving van het bankje als ook onder het bankje geen goederen op de grond lagen, behalve wat graspollen en dorre blaadjes onder de bank (dossierpagina 6). Verbalisanten [verbalisant 2], [verbalisant 3] en [verbalisant 4] maken eveneens melding van het feit dat onder het bankje enkel onkruid en straatvuil lag (dossierpagina 7). Verbalisant [verbalisant 2] zag – toen de verdachte op het bankje zat - een groenkleurig horloge en een stuk hardplastic aan de voorzijde onder het bankje liggen. De verbalisant liep naar de auto om papieren zakken te halen en bij terugkomst zag hij het plastic en het horloge niet meer op de plek liggen waar hij ze in eerste instantie had zien liggen. Hij keek verder onder het bankje en zag dat de goederen aan de achterzijde, tegen het beton van de woning lagen en dat er onkruid en takjes over de goederen lagen (dossierpagina 7 en 8). Verbalisant [verbalisant 3] zag toen zijn collega verbalisant [verbalisant 2] naar de dienstauto liep dat de verdachte plotseling bukte en met zijn hand zand gooide in de richting van het horloge en de flipper (dossierpagina 8). Het enkele feit dat uit de foto’s blijkt dat er mogelijk meer afval lag dan gerelateerd, maakt niet dat de processen-verbaal niet voor het bewijs bruikbaar zouden zijn. Het hof ziet geen reden aan de betrouwbaarheid van de waarnemingen van de verbalisanten te twijfelen, waarbij het hof mede in aanmerking neemt de omstandigheid dat op de foto’s enkel straatvuil en bladeren zichtbaar zijn. Het stuk plastic dat onder het bankje is aangetroffen is een stuk hard plastic van ongeveer 15 centimeter lang met beschadigingen aan één zijde. De afmetingen, hardheid en de beschadigingen komen blijkens het proces-verbaal van bevindingen overeen met een zogenoemde ‘flipper’, een voorwerp dat gebruikt kan worden om niet afgesloten deuren mee open te maken. Uit het voorgaande leidt het hof af dat het de verdachte is geweest die zich de toegang tot het portiek van de woningen op de [adres 2] en [adres 1] heeft verschaft en dat het de verdachte is geweest die vervolgens op de voordeur van de woning van de aangeefster heeft gebonkt en met iets tussen de deur en deurportaal heen en weer is gegaan. Dat “iets” is naar het oordeel van het hof een stuk hard plastic zoals dat later onder het bankje waarop de verdachte zat, is aangetroffen. Gelet op het feit dat het stuk plastic in eerste instantie niet onder de bank is gezien, later onder de bank aan de voorzijde werd gezien en vervolgens naar achter was geschoven terwijl er takjes en (straat)vuil overheen lag, in combinatie met het gooien van zand door de verdachte onder de bank in de richting van dat stuk hard plastic rechtvaardigt de conclusie dat het verdachte is geweest die het stuk plastic daar heeft achtergelaten. Nu de aangeefster heeft verklaard dat het heen en weer bewegen van “iets” tussen haar deur en deurportaal haar deed denken aan een stuk plastic in combinatie met de plek waar en wijze waarop vervolgens een stuk hard plastic is aangetroffen, is het hof van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat het de verdachte is geweest die met het hard stuk plastic heeft getracht de deur van de aangeefster te openen (de zogenoemde flippermethode). De verklaring van de aangeefster is daarbij niet de enige kennisbron nu haar verklaring wordt ondersteund door zelfstandige bevindingen van de verbalisanten. Het alternatief scenario dat de verdachte naar voren heeft gebracht, namelijk dat hij tot omstreeks 18.00 uur in een bar heeft gezeten en vervolgens enkel door de Govert Flinckstraat is gelopen op weg naar tram 3, is, gelet op de hiervoor vermelde waarnemingen van aangeefster en de verbalisanten, niet aannemelijk geworden. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: op 10 april 2017 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan de [adres 1] , weg te nemen geld en/of goederen van zijn gading toebehorende aan [aangever], en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen door middel van een valse sleutel - zich toegang tot het complex heeft verschaft (waartoe voornoemde woning behoort) en - vervolgens hard en agressief meerdere malen op de deur van die [aangever] heeft gebonkt en - vervolgens met een hard stuk plastic tussen de deur en/of het slot van de woning van die [aangever] heeft gewrikt en/of geduwd (de zogenoemde flippermethode) terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Bewijsmiddelen 1. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep op 28 juli 2017. Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven: Op 10 april 2017 liep ik door de [straat] te Amsterdam. 2. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2017075837-18 van 11 april 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 5] [doorgenummerde pagina’s 3-4]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de tegenover verbalisant afgelegde verklaring van aangeefster [aangever]: Op 10 april 2017 omstreeks 18.10 uur bevond ik mij in mijn woning, aan de [adres 1] te Amsterdam. Dit betreft een flat met een centrale ingang. In totaal zijn zes woningen aangesloten op mijn portiek. Omstreeks 18.10 hoorde ik dat de deurbel van mijn buurvrouw op huisnummer [adres 2] af ging. Vervolgens hoorde ik een persoon in het trapportaal lopen. Ik hoorde dat de persoon door liep tot mijn verdieping. Ik hoorde dat de deur van de buurvrouw niet werk geopend. Vervolgens hoorde ik gerommel aan de deur van de buurvrouw. Vervolgens stopte het gerommel en werd er ongeveer vier keer op mijn voordeur, hard en agressief, gebonkt. Vervolgens hoorde ik dat de persoon met iets tussen mijn deur en deurportaal heen en weer ging. Het klonk alsof de persoon met een stuk plastic tussen de deur zat. De persoon kreeg mijn deur niet open en hij liep weg naar beneden. Op het moment dat ik mijn balkon op liep zag ik een man uit mijn portiek naar buiten lopen. Ik kan deze man als volgt omschrijven: - Donkere huidskleur - Slank - Snorretje - Zwarte leren jas - Pet met ruitjes motief - Ouder dan 40 jaar - Netjes gekleed Vervolgens zag ik dat de man naar het portiek van huisnummer [adres 3] liep. Daar verloor ik de man uit het zicht. Vervolgens zag ik dat de man weer bij het portiek vandaan kwam en zag ik dat hij naar het volgende portiek liep. Hier verdween hij weer even uit mijn zicht. Na ongeveer vijf minuten zag ik een politie auto door de straat rijden. De motoragent sprak mij aan. Ik zei tegen de motoragent dat dit de man was die ik bedoelde. Ik zag dat de man door twee agenten werd aangesproken en met de man op een bankje gingen zitten. 3. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2017075837-3 van 10 april 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 6] en [verbalisant 1] [genummerde pagina 6]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisanten: Op 10 april 2017 omstreeks 18.10 begaven wij ons ten spoedigste naar het adres [adres 1] waar een inbraak zou plaatsvinden. Ik, verbalisant [verbalisant 1], ben vervolgens in de richting van perceel [adres 4] gelopen alwaar de eenheid 3126 (het hof begrijpt: verbalisant [verbalisant 7]) een persoon staande hield. Ik zag dat de persoon op een bankje zat. Ik zag dat de persoon precies voldeed aan het signalement als opgegeven door de melder. Ik zag namelijk dat het een donker getinte man was. Ik zag dat hij een zwart leren jas aan had en ik zag dat hij een geruite pet op zijn hoofd droeg. Ik zag dat er in een omtrek van een
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.