GERECHTSHOF AMSTERDAM Afdeling civiel recht en belastingrecht Team III (familie- en jeugdrecht) Uitspraak: 7 maart 2017 Zaaknummer: 200.181.660/01 Zaaknummer eerste aanleg: C/13/471101/FARK 10-8199 en C/13/508921 FA RK 12-351 in de zaak in hoger beroep van: [de man] , wonende te [woonplaats] , appellant in principaal hoger beroep, geïntimeerde in incidenteel hoger beroep, advocaat: mr. J.A.M.P. Keijser te Nijmegen, tegen [de vrouw] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde in principaal hoger beroep, appellante in incidenteel hoger beroep, advocaat: mr. H.J.M. van Arkel-van Gasselt te Nijmegen. 1Het geding en geschil in hoger beroep 1.1.Het hof verwijst naar en neemt over hetgeen hierover is opgenomen in zijn tussenbeschikking van 26 juli 2016. 1.2.Op 30 september 2016 heeft ieder van partijen gegevens in het geding gebracht. 1.3.De man heeft op 30 december 2016 nadere gegevens in het geding gebracht, de vrouw op 10 januari 2017. In haar begeleidende brief geeft de vrouw een reactie op door de man ingebrachte gegevens. 1.4.Het hof gaat ook thans verder uit van de feiten zoals die zijn weergegeven onder 2 van de tussenbeschikking van 26 juli 2016. 2Nadere gegevens 2.1. In de tussenbeschikking heeft het hof vastgesteld behoefte te hebben aan nadere gegevens van zowel de man als de vrouw, teneinde te kunnen beoordelen tot welk bedrag afstorting voor de pensioenaanspraken van de vrouw als redelijk en billijk dient te worden beschouwd, evenals de vragen of het besluit van de man om pas op 70-jarige leeftijd met pensioen te gaan feitelijk mogelijk is en of dit besluit in de verhouding tussen partijen als redelijk en billijk dient te worden beschouwd. Het hof heeft daarom de verdere beoordeling aangehouden teneinde partijen in de gelegenheid te stellen het volgende in het geding te brengen: de man: de samenstelling en de waarde van zijn vermogen (bezittingen en schulden) per [dag] [maand] 2013 en per de datum van indiening van de gegevens, voorzien van bewijsstukken. Onder de bezittingen worden tevens verstaan de aanspraken die de man jegens de vrouw heeft uit hoofde van de bestreden eindbeschikking van de rechtbank en uit hoofde van deze beschikking; zijn huidige inkomsten, uit welke bron dan ook, voorzien van bewijsstukken; zijn aangiften en aanslagen Inkomstenbelasting 2013, 2014 en 2015; de geconsolideerde jaarstukken 2015 van [de B.V.] ; de jaarstukken 2013, 2014 en 2015 van [B.V.2] en [de B.V.] vóór de consolidatie; informatie over het verloop van de verkoop van de beide woningen, afkomstig van de makelaars, ook van de makelaar die de zogenaamde stille verkoop van de woning aan de [adres b] verzorgt; informatie over de mogelijkheden en onmogelijkheden van afstorting met onderliggende stukken, afkomstig van de verzekeraars die de man heeft benaderd; het antwoord van de speciale inspecteur voor de loonbelasting op de brief van de man in verband met het doorwerkvereiste; de vrouw: de samenstelling en de waarde van haar vermogen (bezittingen en schulden) per [dag] [maand] 2013 en per de datum van indiening van de gegevens, voorzien van bewijsstukken. Onder de bezittingen worden tevens verstaan de aanspraken die de vrouw jegens de man heeft uit hoofde van de bestreden eindbeschikking van de rechtbank en uit hoofde van deze beschikking; haar huidige inkomsten, uit welke bron dan ook, voorzien van bewijsstukken; haar aangiften en aanslagen Inkomstenbelasting 2013, 2014 en 2015; informatie over het verloop van de verkoop van de woning aan de [adres a] , afkomstig van de makelaar; informatie over de mogelijkheden en onmogelijkheden van afstorting, met de onderliggende stukken, afkomstig van de verzekeraars die de vrouw heeft benaderd. Voorts heeft het hof de beslissing over de door de vrouw verzochte uitkering tot haar levensonderhoud aangehouden, in afwachting van de hiervoor genoemde gegevens met betrekking tot het inkomen en vermogen van partijen. Tevens dienden partijen inzicht te verschaffen in hun maandelijkse lasten. 2.3. Voor zover van belang stelt het hof aan de hand van de door ieder van partijen verstrekte gegevens het volgende vast. Daarbij zijn bedragen op hele bedragen afgerond. DE MAN Het doorwerkvereiste Op 27 september 2016 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de advocaat van de man en mr. A.E. de Voogd van der Straten, pensioenjurist, namens de man enerzijds en [X] namens de Belastingdienst anderzijds. Het verslag van die bespreking bevat, voor zover van belang, de volgende inhoud: “ [de man] heeft de Belastingdienst verzocht om ontheffing van het doorwerkvereiste. De Belastingdienst, bij monde van de heer [X] , heeft afwijzend gereageerd op dit verzoek. De reden hiervoor is dat aan een dergelijk uitstel de voorwaarde is verbonden dat [de man] in de uitstelperiode doorwerkt. Daarvan is naar het oordeel van de heer [X] onvoldoende gebleken. Gevolg van deze afwijzing zou zijn dat de waarde in het economisch verkeer van de aanspraak tot het progressief belaste (maximaal 52%) inkomen van [de man] gaat behoren. Tevens dient er in die situatie bovenop de verschuldigde belasting nog revisierente ter grootte van 20% van de waarde in het economisch verkeer te worden betaald. Deze waarde ligt aanmerkelijk hoger dan het bedrag dat momenteel op de balans van [de B.V.] aan voorziening is opgenomen (€ 589.552,-). Dit leidt onherroepelijk tot ondergang van de onderneming en tot het illusoir worden van de pensioenaanspraken. Ter voorkoming daarvan is de heer [X] bereid mee te werken aan het volgende compromis. 1. De pensioenuitkeringen gaan in met ingang van 1 januari 2014. Omdat dit een latere datum is dan die waarvan in eerste aanleg is uitgegaan ( [dag] [maand] 2013) dient het uitkeringsbedrag van € 50.442,- te worden herrekend naar de nieuwe ingangsdatum van 1 januari 2014. Deze herrekening leidt tot een uitkering van € 50.844,- op jaarbasis (. . .). De waarde in het economisch verkeer van deze uitkering bedraagt per 27 september 2016 € 1.175.226 (. . .) 2. Voor wat betreft de uitkeringen die moeten worden gedaan na de verkoop van de woning aan de [adres a] is de heer [X] bereid mee te werken aan een van de volgende twee opties. A Her periodiek laten uitkeren van de pensioenrechten door [de B.V.] tot het moment waarop de middelen van de vennootschap uitgeput zijn. (. . .) B Het afstorten van de in [de B.V.] aanwezige middelen naar een professionele verzekeringsmaatschappij op basis van een actuarieel te bepalen verdeelsleutel. Daarbij dient dan zowel het deel van de pensioenaanspraken die toekomen aan [de vrouw] als het deel dat toekomt aan [de man] te worden afgestort. (. . .)” [de B.V.] per 31 december 2015 (geconsolideerd) De pensioenvoorziening bedraagt € 589.552,-. De liquide middelen bedragen € 686,-. Voor het overige bestaan de activa van de B.V. uit de hypothecaire lening voor de woning aan de [adres b] (€ 932.061,-) en de rekening-courantschuld van de man (€ 105.520,-). Het verloop van de verkoop van de woning aan de [adres a] Deze woning staat sinds 2011 in de verkoop bij [makelaar A] . Bij brief van [Y] van 29 augustus 2016 aan de man heeft dit makelaarskantoor de volgende informatie gegeven. De oorspronkelijke vraagprijs bedroeg € 1.195.000,-. Daarna is de vraagprijs twee maal (in maart 2014 en in januari 2016) verlaagd naar het huidige niveau van € 1.045.000,-. Inmiddels hebben circa 30 bezichtigingen plaats gevonden en is deelgenomen aan diverse open huizen dagen, hetgeen niet tot biedingen heeft geleid. De woning is niet echt een woning voor een groot gezin. Er is dus een kleinere doelgroep, de woning moet een beetje “passen als een handschoen”. Kopers zullen de keuken en de badkamer gaan verbouwen. In zijn brief van 9 september 2016 heeft [Y] voorgesteld de vraagprijs verder te verlagen naar € 1.000.000,-, teneinde de woning binnen de aandacht van een bredere doelgroep te brengen. [Z] , tot in de eerste helft van 2016 werkzaam bij [makelaar B] , heeft in zijn brief van 10 september 2016 aan de man het volgende bericht. [Z] heeft in 2013 een bezoek gebracht aan de woning aan de [adres a] en met de vrouw gesproken om te onderzoeken of een collegiale verkoop met [makelaar A] zinvol was. Beide makelaars hebben geadviseerd de verkooppresentatie te herzien en de vraagprijs te verlagen. Op 5 oktober 2013 heeft [Z] de man bericht de verkoop niet te willen oppakken vanwege de wensen van de vrouw inzake de aanpak en het prijsniveau. In 2014 is opnieuw gesproken over een collegiale verkoop. [Z] heeft daartoe op 4 augustus 2014 een nieuw voorstel met onder meer een vraagprijs van € 980.000,- gedaan, waarop de vrouw negatief heeft gereageerd. Het verloop van de verkoop van de woning aan de [adres b] Deze woning staat sinds 2013 in de verkoop bij [makelaar B] . [Z] heeft in zijn brief van 10 september 2016 over de gang van zaken de volgende informatie gegeven. Indertijd hebben [Z] en de man in overleg besloten de woning alleen in de stille verkoop te zetten, met € 1.250.000,- als richtprijs. De makelaar heeft de woning daarna onder de aandacht gebracht van zoekenden in zijn bestand. Toen dit niet tot serieuze bezichtigingen leidde is in overleg de verkoopprijs verlaagd naar € 1.200.000,-. Ook daarna bleken de verkoopkansen beperkt te zijn, niet alleen door de slechte marktomstandigheden, maar ook doordat omliggende panden in de verkoop kwamen. In 2015 en begin 2016 werden drie panden tegenover de woning verkocht en gesloopt, waarna aanzienlijke bouwprojecten werden gestart met veel overlast voor de straat en de omliggende woningen. Belangstelling en biedingen voor de woning bleven uit. De woning is mooi en klassiek, maar relatief klein en onderhoudsgevoelig. Gezien de ligging met openbare weg aan twee zijden zijn de uitbouwmogelijkheden vanwege de bouwwetgeving beperkt. Sloop voor de bouw van een grotere villa lijkt uitgesloten, gezien de karakteristieke waarde van het huis voor [woonplaats] . De woning wacht op de schaarse liefhebber, die met een klein huishouden de ongemakken van de woning accepteert vanwege van de geboden charme en geborgenheid. Een soortgelijk, groter huis tegenover de woning staat inmiddels twee jaar te koop. Een buurman naast de woning gaat een herbouwproject starten. Tijdens zijn laatste contact met de man heeft [Z] geadviseerd de verkoop op te schorten tot de woonsituatie in de omgeving tot rust is gekomen. Vermogen [dag] [maand] 2013: volgens opgave van de man € 345.514,- De waarde van de bezittingen, samengesteld uit een aantal bankrekeningen, de polis Nationale Nederlanden 7891182, zijn aandeel in de woning aan de [adres a] , de woning aan de [adres b] , en de aandelen in de B.V., bedraagt € 1.768.405,-. Daarvan bestaat uit € 62.100,- uit liquide middelen. De schulden, bestaande uit zijn aandeel in de hypothecaire lening voor de [adres a] , de twee hypothecaire leningen voor de [adres b] , de rekening-courant schuld aan [de B.V.] , alsmede facturen van zijn accountant, advocaat, belastingadviseur en notaris, bedragen € 1.422.891,-. Vermogen 31 augustus 2016: volgens opgave van de man € 261.429,- De waarde van de bezittingen, waarvan de samenstelling niet is gewijzigd, bedraagt € 1.722.192,-. Daarvan bestaat € 4.887,- uit liquide middelen. De schulden, bestaande uit de drie hypothecaire leningen, de rekening-courant schuld aan [de B.V.] , alsmede facturen van zijn advocaat en belastingadviseur, en belasting- en OZB-aanslagen van totaal € 40.383,-, bedragen € 1.460.763,-. Uit hoofde van de bestreden beschikking van 9 september 2015 en de tussenbeschikking van het hof is de man volgens de opgave van de vrouw aan de vrouw verschuldigd een bedrag van € 57.400,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 86.625,- vanaf 1 januari 2012. Inkomen 2014: € 58.960,- Volgens de aangifte IB 2014 heeft de man zich in dat jaar door [B.V.2] € 4.716,- aan salaris doen uitkeren. Daarnaast had hij het volgende inkomen: ABP Heerlen € 568,- Philips Pensioenfonds 1.261,- PME 4.653,- AOW 13.547,- S PF GITP 7.462,- [de B.V.] stamrecht 26.753,- totaal € 54.244,- Inkomen 2015: € 73.115,- Volgens de – in afwachting van de beslissing van de inspecteur van de Belastingdienst over het “doorwerkvereiste” – opgestelde concept-aangifte IB 2015 bestond dit inkomen uit: [B.V.2] (het hof begrijpt: stamrechtuitkering) € 30.716,- Legal & General 16.000,- GITP 1.574,- Pensioenfonds PGB 4.723,- PME 4.647,- Philips pensioenfonds 1.262,- AOW 14.193,- totaal € 73.115,- Inkomen 2016 Vanaf [maand] 2016 ontvangt de man naar zijn zeggen uit hoofde van pensioenverevening een deel van het pensioen van de vrouw bij ABP, te weten € 1.764,- per jaar. Voor het overige is gesteld noch gebleken dat het inkomen van de man in 2016 is gewijzigd ten opzichte van dat in 2016. Lasten Voor het bepalen van de draagkracht van de man zijn – naast de op hem toepasselijke bijstandsnorm – de volgende door de man opgegeven maandelijkse lasten van belang: kosten woning [adres a] (hypotheekrente, OZB, rioolrecht, brandverzekering; aftrekbaar als partneralimentatie) € 999,- kosten woning [adres b] (hypotheekrente B.V. en Rabobank (beide aftrekbaar) 2.000,- forfaitaire lasten 95,- premie zorgverzekering 215,- De overige door de man opgevoerde lasten heeft hij niet aangetoond respectievelijk zijn verdisconteerd in de bijstandsnorm of de forfaitaire lasten, dan wel dient de man uit zijn vrije ruimte te voldoen. DE VROUW Het verloop van de verkoop aan de [adres a] De brief van 5 augustus 2016 aan de vrouw, afkomstig van [Y] van [makelaar A] , is gelijkluidend aan de brief van 29 augustus 2016 aan de man. Bij e-mail van 13 september 2016 heeft de vrouw aan [Y] meegedeeld akkoord te gaan met aanpassing van de vraagprijs van € 1.045.000,- naar € 1.022.500,-. Vermogen [dag] [maand] 2013: € 451.716,- De waarde van de bezittingen, samengesteld bestaan uit een aantal bank(spaar)rekeningen en twee beleggingsportefeuilles, bedraagt € 551.716,-. De beleggingsportefeuilles maken voor € 106.495,- deel uit van het totaalbedrag. De vrouw heeft een aandeel in de hypothecaire schuld voor de woning aan de [adres a] van € 100.000,-. Vermogen 31 augustus 2016: € 406.542,- De waarde van de bezittingen, samengesteld uit een aantal bank(spaar)rekeningen en een beleggingsportefeuille, bedraagt € 506.542,-. De beleggingsportefeuille maakt voor € 108.106,- deel uit van het totaalbedrag. De vrouw heeft een aandeel in de hypothecaire schuld voor de woning aan de [adres a] van € 100.000,-. Uit hoofde van de bestreden beschikking van 9 september 2015 en de tussenbeschikking van het hof heeft de vrouw volgens haar opgave een vordering op de man van € 57.400,- te vermeerderen met de wettelijke rente over € 86.625,- vanaf 1 januari 2012. Inkomen 2014: € 16.493,- Volgens de IB-aangifte 2014 bestond dit inkomen uit € 15.579,- aan salaris en € 914,- aan pensioen. Dit pensioen betreft het uit hoofde van pensioenverevening aan de vrouw toekomende deel van het pensioen van de man bij GITP. Inkomen 2015: € 11.821,- Volgens de IB-aangifte 2015 bestond dit inkomen uit € 10.917,- aan salaris en € 904,- aan pensioen. Dit pensioen betreft het uit hoofde van pensioenverevening aan de vrouw toekomende deel van het pensioen van de man bij GITP/PGB. Inkomen 2016 Volgens de opgave van de vrouw heeft zij geen inkomen uit arbeid meer. Zij ontvangt € 904,- per jaar aan pensioen van GITP. In november 2016 is zij 65 jaar geworden. Zij ontvangt naar zeggen van de man sindsdien een pensioen van ABP. Vanaf augustus 2017 zal zij AOW ontvangen. Lasten De door de vrouw opgevoerde lasten bestaan uit de maandelijks door haar aan de man te betalen gebruiksvergoeding voor de woning aan de [adres a] van € 1.741,- en de premie zorgverzekering van € 114,- per maand. 3Beoordeling 3.1. Het hof heeft in de tussenbeschikking partijen geen gelegenheid geboden te reageren op de door de andere partij ingediende gegevens. Tot het naar voren brengen van wel nieuwe/nadere standpunten is evenmin gelegenheid geboden. Om die reden laat het hof het door de vrouw in haar op 10 januari 2017 ingekomen brief aangevoerde buiten beschouwing voor zover zij ingaat op de door de man ingediende gegevens en nieuwe/nadere standpunten inneemt. 3.2. Aan het hof liggen nog ter beoordeling voor de volgende verzoeken van de vrouw: in het kader van pensioenverevening: veroordeling van de man in zijn hoedanigheid van directeur van [de B.V.] (de B.V.) zorg te dragen voor afstorting van de koopsom die nodig is voor haar pensioenaanspraken, met dwangsom; in het kader van pensioenverevening: veroordeling van de man tot het betalen van een bedrag van € 2.101,75 per maand met ingang van 1 november 2013 totdat volledige afstorting heeft plaatsgevonden; veroordeling van de man tot het betalen van partneralimentatie van € 2.730,- per maand met ingang van 1 januari 2014. 3.3. De belastingdienst heeft, zo blijkt uit het verslag van de bespreking op 27 september 2016, zich bereid verklaard te voorkomen dat de gehele voorziening in de B.V. van € 589.552,- moet worden aangewend voor door de man verschuldigde belasting en revisierente. Daartoe heeft de belastingdienst een compromis voorgesteld. Dit compromis houdt in dat het pensioen van de man ingaat per 1 januari 2014 en dat – zodra de woning aan de [adres a] is verkocht – de belastingdienst bereid is mee te werken aan hetzij (A) uitkering door de B.V. van het jaarlijkse pensioen van € 50.422,- (waartoe de vrouw voor de helft gerechtigd
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.