arrest ___________________________________________________________________ _ _ GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.202.118/01 zaak-/nummer rechtbank Amsterdam : C/13/572040 / HA ZA 14-880 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 7 maart 2017 inzake: [appellant] , wonend te [woonplaats] , appellant in de hoofdzaak, eiser in het incident, advocaat: mr. J. Bouter te Amsterdam, tegen [geïntimeerde] , wonend [woonplaats] , geïntimeerde in de hoofdzaak, verweerster in het incident, advocaat: mr. J.H. van der Wouden te Rotterdam. Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd. 1Het geding in hoger beroep [appellant] is bij dagvaarding van 12 juli 2016 in hoger beroep gekomen van de vonnissen van de rechtbank Amsterdam die op 10 december 2014, 1 april 2015 en 13 april 2016 onder bovengenoemd zaak-/rolnummer zijn gewezen tussen [geïntimeerde] als eiseres en [appellant] als gedaagde, met dagvaarding van [geïntimeerde] voor dit hof tegen de roldatum 20 december
- Bij exploot van 20 oktober 2016 heeft [geïntimeerde] de roldatum die is vermeld in het exploot van dagvaarding vervroegd naar 1 november
- [geïntimeerde] heeft de zaak op die dag laten inschrijven. [appellant] is op de vervroegde roldatum niet verschenen. De zaak is naar de rol van 15 november 2016 verwezen om [appellant] in de gelegenheid te stellen alsnog advocaat te stellen. Op deze roldatum heeft mr. Bouter voornoemd zich voor [appellant] gesteld en om een aanhouding van twee weken verzocht voor het nemen van een akte over de ontvankelijkheid. [appellant] heeft vervolgens bij incidentele conclusie, met producties, gevorderd dat het hof het exploot van 20 oktober 2016 nietig zal verklaren, althans [geïntimeerde] niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vorderingen zoals vermeld in dat exploot, de hoofdzaak zal aanhouden tot op dit incident is beslist en [appellant] in de hoofdzaak een termijn zal gunnen voor het dienen van grieven, met veroordeling - uitvoerbaar bij voorraad - van [geïntimeerde] in de kosten van het incident. Bij conclusie van antwoord in het incident heeft [geïntimeerde] verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de incidentele vordering, voor zover die strekt tot nietigverklaring van het anticipatie-exploot, althans tot niet-ontvankelijkverklaring van [geïntimeerde] in haar daarin opgenomen vorderingen, en tot veroordeling van haar in de proceskosten. Voor het overige heeft [geïntimeerde] zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Arrest is nader bepaald op heden. 2Beoordeling 2.
- [appellant] heeft zich op het standpunt gesteld dat het anticipatie-exploot dat [geïntimeerde] heeft doen uitbrengen aan meerdere gebreken leidt. Volgens [appellant] gaat het - samengevat - om de volgende gebreken. Uit het anticipatie-exploot kan niet worden afgeleid welke zaak dit betreft en bij welke instantie die aanhangig is gemaakt, aangezien daarin geen zaaknummer wordt vermeld en de door [appellant] in de appeldagvaarding aangezegde roldatum (10 december 2016) evenmin. Ook zijn er aan het exploot geen stukken gehecht waaruit dit had kunnen blijken. Daarnaast worden er in het anticipatie-exploot tegenstrijdige aanzeggingen gedaan. [geïntimeerde] zegt in punt 2 van dat exploot immers aan dat de zaak bij vervroeging zal worden aangebracht bij het hof, maar in punt 3 wordt [appellant] opgeroepen om “voorafgaand aan de aangezegde datum het exploit van dagvaarding ter griffie in te dienen”. De zaak kan wel door [geïntimeerde] worden aangebracht, maar dat moet dan gebeuren op de roldatum zoals aangezegd in het oorspronkelijke exploot. [geïntimeerde] had “een echt anticipatie-exploot” moeten uitbrengen en zelf voor de aanbrenging daarvan en van het oorspronkelijke exploot van dagvaarding moeten zorgdragen. Voor [appellant] is het onmogelijk om laatstgenoemd exploot aan te brengen tegen een door [geïntimeerde] gewenste - van de in dat exploot genoemde afwijkende - datum aan te brengen, terwijl hij juist daartoe in het gewraakte exploot wordt opgeroepen en [appellant] daaraan het ingrijpende verzoek van ontslag van instantie verbindt. Ten slotte staat in punt 4 van het anticipatie-exploot “dagvaarding” waar “roldatum” bedoeld zal zijn en wordt in punt 5 aangezegd dat peremptoir zal worden gesteld, hetgeen onder het per 1 september 2016 geldende rolreglement niet meer mogelijk is. 2.
- [geïntimeerde] heeft verweer gevoerd op gronden waarop hierna, voor zover van belang, zal worden ingegaan. 2.
- In artikel 126 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is bepaald dat gedaagde (in hoger beroep: geïntimeerde) de roldatum, vermeld in het exploot van dagvaarding, kan vervroegen door aan de eiser (in hoger beroep: appellant) bij exploot een vroegere roldatum te doen aanzeggen. Het hof stelt vast dat [geïntimeerde] met het exploot van 20 oktober 2016 van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt en dat zij conform het bepaalde in lid 2 van dat artikel een termijn in acht heeft genomen van meer dan een week tussen de dag van de aanzegging en de aangezegde vroegere datum - hetgeen op straffe van nietigheid is vereist - en het exploot tijdig ter griffie heeft ingediend. De door [appellant] gestelde gebreken zijn geen gebreken die in artikel 126 Rv of elders in de wet met nietigheid worden bedreigd, zodat nietigverklaring in ieder geval niet aan de orde is. 2.
- Aan [appellant] kan worden toegegeven dat het anticipatie-exploot, zoals ook door [geïntimeerde] wordt erkend, geen schoonheidsprijs verdient en bepaald duidelijker had gekund. Het exploot is evenwel niet zó onduidelijk dat [appellant] zich op 15 november 2016 niet alsnog in deze appelprocedure heeft kunnen stellen. Anders dan [appellant] lijkt te betogen, staat in het exploot wel dat het om een zaak gaat die door [appellant] tegen [geïntimeerde] aanhangig is gemaakt en dat het een zaak bij dit hof betreft. [appellant] heeft ook niet gesteld dat er tussen partijen meer dan één zaak loopt, laat staan dat hij nog een andere appelzaak dan de onderhavige tegen [geïntimeerde] bij dit hof aanhangig heeft gemaakt. Doordat [appellant] zich tijdig heeft gesteld, doet zich de situatie van artikel 123 lid 2 Rv niet voor en is ontslag van instantie - de sanctie waarvoor [appellant] kennelijk vreest - niet mogelijk. Voor niet-ontvankelijkverklaring is naar het oordeel van het hof, nog daargelaten of de wet daartoe in dit geval de mogelijkheid biedt, dan ook geen plaats. 2.
- Wat er verder ook zij van het anticipatie-exploot, de volgende stap is in ieder geval, ook indien het hof [appellant] zou volgen in zijn betoog dat aan dit exploot gebreken kleven en dat dat gevolgen moet hebben, dat in deze zaak - waarin [appellant] zelf de inmiddels verstreken datum van 10 december 2016 als eerst dienende dag had aangezegd - door hem van grieven moet worden gediend binnen de termijn die het hof hem zal verlenen. [appellant] heeft dus geen belang meer bij de door hem gevorderde verklaringen, zodat eveneens om die reden zijn vordering (in zoverre) moet worden afgewezen. 2.
- Het hof zal [appellant] , als de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij, bij het eindarrest in de hoofdzaak veroordelen in de kosten van dit incident. 2.
- In de hoofdzaak zal het hof de zaak naar de rol verwijzen voor het nemen van een memorie van grieven door [appellant] . 3Beslissing Het hof: in het incident: wijst de vordering tot nietigverklaring van het anticipatie-exploot, althans tot niet-ontvankelijkverklaring van [geïntimeerde] in de daarin geformuleerde vorderingen, af; houdt de beslissing met betrekking tot de proceskosten aan tot het eindarrest in de hoofdzaak; in de hoofdzaak: verwijst de zaak naar de rol van 18 april 2017 voor het nemen van een memorie van grieven door [appellant] ; houdt iedere verdere beslissing aan. Dit arrest is gewezen door mrs. C.C. Meijer, J.C.W. Rang en J.W. Hoekzema en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 7 maart 2017.