GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.177.497/01 zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/558183/ HA ZA 14-101 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 14 maart 2017 (bij vervroeging) inzake [appellant] wonend te [woonplaats] , gemeente [gemeente] , appellant, advocaat: mr. R.N.E. Visser te Amsterdam tegen [geïntimeerde] wonend te [woonplaats] , geïntimeerde, advocaat: mr. M. Breur te Den Haag. 1Het geding in hoger beroep Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd. [appellant] is bij dagvaarding van 9 september 2015 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 10 juni 2015, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiser in conventie, tevens verweerder in voorwaardelijke reconventie, en [geïntimeerde] als gedaagde in conventie, tevens eiser in voorwaardelijke reconventie. [appellant] heeft vervolgens een memorie van grieven met producties ingediend. [geïntimeerde] heeft geen memorie van antwoord ingediend. Partijen hebben de zaak ter zitting van 24 januari 2017 doen bepleiten door hun advocaten, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. [appellant] heeft nog producties in het geding gebracht. Ten slotte is arrest gevraagd. [appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog zijn vorderingen zal toewijzen met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties met nakosten, alsmede tot terugbetaling van hetgeen [appellant] reeds op grond van het bestreden vonnis aan [geïntimeerde] heeft voldaan. [appellant] heeft in hoger beroep bewijs van zijn stellingen aangeboden. 2Feiten De rechtbank heeft in het in deze zaak gewezen tussenvonnis van 1 oktober 2014 onder 2.1 tot en met 2.21 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Deze feiten komen - voor zover thans nog van belang - neer op het volgende. 2.1 Op 25 februari 2010 hebben partijen een koopovereenkomst gesloten, waarbij [geïntimeerde] voor een bedrag van € 1.925.000,00 een woonhuis met ondergrond, bedrijfsgebouw, erf, tuin en verdere aanhorigheden aan de [adres] te [gemeente] (hierna: het pand) van [appellant] heeft gekocht (hierna: de koopovereenkomst). [geïntimeerde] had ten tijde van de koop de intentie het pand te exploiteren als swingersclub met horeca. Het destijds geldende bestemmingsplan liet geen gebruik voor horecadoeleinden toe. [geïntimeerde] heeft op 10 juli 2009 een bouwvergunning aangevraagd bij de gemeente Amsterdam (hierna: de gemeente). 2.2 In artikel 7 van de koopovereenkomst is bepaald dat het pand op 1 september 2010 zou worden geleverd of zoveel eerder als [appellant] zou aangeven, met een aanzegtermijn van twee weken. 2.3 In artikel 8 van de koopovereenkomst is bepaald dat [geïntimeerde] uiterlijk op 7 mei 2010 een waarborgsom van 10% van de koopprijs dient te storten op de rekening van de notaris, althans dat hij een bankgarantie stelt voor hetzelfde bedrag. 2.4 In artikel 9 sub d van de koopovereenkomst is bepaald dat de koop geschiedt onder de ontbindende voorwaarde dat de gemeente geen goedkeuring verleent dan wel geen vergunning verleent voor het voorgenomen gebruik, zijnde horeca. In artikel 16 van de koopovereenkomst is bepaald dat [geïntimeerde] gerechtigd is de overeenkomst op grond van artikel 9 sub d van de overeenkomst te ontbinden indien de gemeente niet uiterlijk op 1 juli 2010 schriftelijke goedkeuring heeft verleend ter zake van het gebruik van het pand voor een horecabestemming. In artikel 9 van de koopovereenkomst is verder nog opgenomen dat partijen hun medewerking verlenen tot het tijdig verkrijgen van de bedoelde goedkeuring / vergunning. 2.5 In artikel II, eerste lid, van de algemene bepalingen bij de koopovereenkomst (hierna: de algemene bepalingen) is het volgende opgenomen: “Indien een van de partijen tengevolge van een aan hem niet toerekenbare tekortkoming (overmacht), anders dan binnen afzienbare tijd, zijn verplichtingen in het geheel niet kan nakomen, is de koop na een daartoe strekkende schriftelijke verklaring ontbonden.” 2.6 In artikel VII van de algemene bepalingen is het volgende opgenomen: “De tussen verkoper en koper eventueel overeengekomen ontbindende voorwaarden zullen geen werking meer hebben na het ondertekenen van de leveringsakte.” 2.7 Partijen zijn op of omstreeks 30 augustus 2010 overeengekomen de datum van levering van het pand te verplaatsen. Bij e-mail van 30 augustus 2010 aan [appellant] heeft notaris mr. A.L. Cabenda (hierna: de notaris) hierover het volgende bericht: “Naar aanleiding van het telefoongesprek van hedenmiddag met u en vervolgens met de heer [geïntimeerde] (koper) kan ik u het volgende bevestigen: - de overdracht op 1 september a.s. zal geen doorgang vinden aangezien de vereiste vergunningen door het Stadsdeel nog niet zijn verleend; - de koopovereenkomst zal ongewijzigd in stand blijven met uitzondering van de levering van het verkochte, welke levering op een later tijdstip zal geschieden. De datum van de eigendomsoverdracht zal in onderling overleg tussen verkoper en koper worden vergesteld met een aanzeggingstermijn van minimaal 1 maand. (…)” 2.8 Bij brief van 13 oktober 2011 heeft de toenmalige advocaat van [geïntimeerde] , mr. T. Vink (verder: mr. Vink) – onder meer – een beroep gedaan op de ontbindende voorwaarden uit artikel 9 van de koopovereenkomst. [geïntimeerde] heeft vervolgens aan de gemeente meegedeeld dat hij zijn vergunningsaanvraag wenst in te trekken. 2.9 Op 17 oktober 2011 heeft er tussen partijen een bespreking plaatsgevonden in Café Marktzicht te Amsterdam, waar aanwezig waren [geïntimeerde] , de heer [C.] (boekhouder van [geïntimeerde] ), [appellant] , de heer [B.] (makelaar van [appellant] ) en mr. Vink. [geïntimeerde] en [appellant] zijn tijdens die bespreking overeengekomen dat [geïntimeerde] zijn vergunningsaanvraag zou voortzetten. 2.10 Bij brief van 27 oktober 2011 heeft de toenmalige advocaat van [appellant] , mr. N.A. Luijten (verder: mr. Luijten) medegedeeld dat [geïntimeerde] de ontbindende voorwaarden niet tijdig heeft ingeroepen en dat [appellant] [geïntimeerde] onverkort aan de afnameverplichting in de koopovereenkomst gebonden acht. 2.11 Bij brief van 31 oktober 2011 heeft [geïntimeerde] zich op het standpunt gesteld dat de koopovereenkomst tijdens de bespreking op 17 oktober 2011 met wederzijds goedvinden is beëindigd. [geïntimeerde] heeft een gespreksverslag van de bijeenkomst gemaakt en de afspraak tot beëindiging van de koopovereenkomst in een (concept) vaststellingsovereenkomst opgenomen. [appellant] heeft de afspraak betwist en de (concept) vaststellingsovereenkomst niet getekend. 2.12 De gemeente heeft op 2 december 2011 een reguliere bouwvergunning aan [geïntimeerde] afgegeven en een projectbesluit genomen. 2.13 [geïntimeerde] heeft op 11 september 2012 een aanvraag voor een exploitatievergunning ingediend. De gemeente heeft deze aanvraag op 19 oktober 2012 buiten behandeling gesteld wegens het ontbreken van de benodigde gegevens. 2.14 [appellant] heeft [geïntimeerde] bij brief van 23 november 2012 en bij explootbrief van 27 mei 2013 gesommeerd aan de levering van het pand mee te werken. Bij brief van 5 juni 2013 heeft mr. Vink aan [appellant] te kennen gegeven dat [geïntimeerde] hier niet aan mee zal werken. 2.15 Bij brief van 28 november 2013 heeft [appellant] een beroep gedaan op ontbinding van de koopovereenkomst en aanspraak gemaakt op betaling door [geïntimeerde] van een contractuele boete van 10% van de koopsom, ten bedrage van € 192.500,-. Ook heeft [appellant] [geïntimeerde] aansprakelijk gesteld voor de door hem te lijden schade als gevolg van een tekortkoming van [geïntimeerde] . 2.16 De hypotheekhouder van [appellant] heeft executoriaal beslag gelegd op het pand en de executoriale verkoop aangezegd tegen 19 december 2013. Op 18 december 2013 heeft [appellant] met instemming van de hypotheekhouder het pand onderhands aan een derde verkocht tegen betaling van een bedrag van € 750.000,- k.k. 3Beoordeling 3.1 In eerste aanleg heeft [appellant] gevorderd voor recht te verklaren dat de koopovereenkomst op 28 november 2013 rechtsgeldig is ontbonden, althans zal worden ontbonden. Tevens heeft [appellant] gevorderd dat [geïntimeerde] zal worden veroordeeld tot betaling van de contractuele boete van € 192.500,- en tot betaling van door [appellant] geleden schade van € 1.175.000,-, beide bedragen vermeerderd met rente, alsook tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. [geïntimeerde] heeft een vordering in voorwaardelijke reconventie ingediend inhoudende veroordeling van [appellant] tot betaling van de kosten die zijn gemaakt om de vergunning aan te vragen, vermeerderd met rente. 3.2 De rechtbank heeft in tussenvonnis van 1 oktober 2014 overwogen dat [geïntimeerde] op 13 oktober 2011 niet rechtsgeldig een beroep kon doen op de ontbindende voorwaarde van artikel 9 van de koopovereenkomst, voorts het beroep van [geïntimeerde] op artikel 6:23 eerste lid BW verworpen, evenals zijn beroep op overmacht, dwaling en de beperkende dan wel aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid. Vervolgens heeft de rechtbank [geïntimeerde] toegelaten tot bewijs van zijn (meer subsidiaire) stelling dat partijen op 17 oktober 2011 afspraken hebben gemaakt over een (minnelijke) ontbinding van de koopovereenkomst en over de kosten van de vergunningaanvraag. In het bestreden eindvonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat [geïntimeerde] erin is geslaagd het bewijs te leveren van zijn stelling dat partijen op 17 oktober 2011 hebben afgesproken dat de koopovereenkomst was ontbonden. De vorderingen van [appellant] in conventie zijn daarom afgewezen en [appellant] is in de proceskosten veroordeeld. Tevens heeft de rechtbank geoordeeld dat [geïntimeerde] niet is geslaagd in het bewijs ten aanzien van de afspraken over de kosten van de vergunningsaanvraag. De reconventionele vordering is daarom eveneens afgewezen en [geïntimeerde] is veroordeeld in de proceskosten. 3.3 Tegen deze beslissing, voor zover in conventie gewezen, en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] met één grief op. Deze grief richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat [geïntimeerde] in de bewijsopdracht is geslaagd. 3.4 Indien het hof tot het oordeel mocht komen dat de grief slaagt, en aldus moet worden aangenomen dat op 17 oktober 2011 geen nadere overeenkomst tot stand is gekomen inhoudende dat de koopovereenkomst is ontbonden, brengt de devolutieve werking van het hoger beroep mee dat het hof toekomt aan de bespreking van alle niet prijsgegeven weren die [geïntimeerde] in eerste aanleg heeft aangevoerd en die de rechtbank heeft verworpen of onbesproken gelaten. Anders dan [appellant] betoogt, is daarvoor niet vereist dat [geïntimeerde] incidenteel appelleert. Aldus komt dan opnieuw aan de orde of [geïntimeerde] op 13 oktober 2011 de koopovereenkomst rechtsgeldig heeft ontbonden. Het hof ziet aanleiding om eerst dit punt te bespreken. 3.5 Partijen hebben in de koopovereenkomst (in artikel 9 sub
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.