Afdeling strafrecht Parketnummer: 23-002645-16 Datum uitspraak: 3 februari 2017 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 28 juni 2016 in de strafzaak onder parketnummer 13-654145-13 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] (Frankrijk) op [geboortedag] 1980, adres: [adres] (Frankrijk). Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 20 januari 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de strafoplegging -in zoverre zal het vonnis worden vernietigd- en met dien verstande dat het hof de overwegingen van de rechtbank aanvult met de navolgende bespreking van een ter terechtzitting in hoger beroep gevoerd verweer. Bespreking van een ter terechtzitting in hoger beroep gevoerd verweer De raadsvrouw van de verdachte heeft – zakelijk weergegeven – betoogd dat het geldbedrag dat op 4 juli 2013 bij de verdachte is aangetroffen niet uit enig misdrijf afkomstig is. Het aantreffen van het geld rechtvaardigt weliswaar een vermoeden van witwassen, maar dit vermoeden is met de door de verdachte direct na zijn voorgeleiding overgelegde kwitanties concreet en min of meer verifieerbaar weerlegd. Niet is aangetoond dat de getoonde kwitanties zijn gekocht. De bewijslast ligt derhalve bij het openbaar ministerie. Het hierna uitgevoerde onderzoek is niet onafhankelijk gebeurd en is gedaan aan de hand van openbare internetbronnen. Primair heeft de raadsvrouw vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt. Evenals de raadsvrouw is het hof van oordeel dat het aangetroffen geldbedrag een vermoeden van witwassen rechtvaardigt. Van de verdachte mag worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp. De verdachte heeft een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk verklaring gegeven, te weten dat het geldbedrag afkomstig is van het gokken op voetbalwedstrijden. Het openbaar ministerie heeft onderzoek gedaan naar de, volgens de verklaringen van de verdachte, alternatieve herkomst van het geldbedrag. Naar het oordeel van het hof blijkt uit de resultaten van het onderzoek dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het geldbedrag een legale herkomst heeft en dat er geen andere conclusie mogelijk is dan dat het niet anders kan zijn dan dat het ten laste gelegde voorwerp onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is. Het hof acht derhalve bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van een geldbedrag. Oplegging van straf en maatregel De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met aftrek van voorarrest. Voorts is het in beslag genomen geldbedrag met een waarde van € 47.000,00 verbeurd verklaard. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een niet geringe hoeveelheid geld, te weten € 47.000,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.