parketnummer: 23-003537-16 datum uitspraak: 14 maart 2017 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 14 september 2016 in de strafzaak onder parketnummer 13-654007-16 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 28 februari 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: 1primairzij op of omstreeks 3 januari 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet voornoemde [slachtoffer] (met kracht) met een mes, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp, in de wang, in elk geval het hoofd en/of het gezicht, heeft gestoken en/of geprikt en/of gesneden; 1subsidiairzij op of omstreeks 3 januari 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (blijvend ontsierend litteken in het gezicht/de wang), heeft toegebracht, door voornoemde [slachtoffer] met dat opzet (met kracht) met een mes, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp, in de wang, in elk geval het hoofd en/of het gezicht te steken en/of te prikken en/of te snijden; 1meer subsidiairzij op of omstreeks 3 januari 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet naar voornoemde [slachtoffer] is toegegaan, waarna zij, verdachte, voornoemde [slachtoffer] (met kracht) met een mes, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp, in de wang, in elk geval in het hoofd en/of het gezicht heeft gestoken en/of geprikt en/of gesneden; 2 zij op of omstreeks 3 januari 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend voornoemde [slachtoffer] een mes, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp getoond en/of voorgehouden en/of eenmaal of meermalen de woorden toegevoegd: "Ik steek je dood als je niet oppast" en/of "Ik steek je dood", althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een enigszins andere bewezenverklaring en een andere strafoplegging komt dan de rechtbank. Vrijspraak Het hof is met de rechtbank en de advocaat-generaal van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen de verdachte onder 1 primair en 1 subsidiair is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Bespreking van in hoger beroep gevoerde bewijsverweren De verdachte heeft in haar verklaringen die zij tegenover de politie en op de terechtzittingen in eerste aanleg en in hoger beroep heeft afgelegd, samengevat, de volgende lezing gepresenteerd. De verdachte had een meningsverschil met [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]). Zij is, vergezeld van haar vriend [naam 1] (hierna: [naam 1]), naar de woning van [slachtoffer] gegaan en heeft aangebeld. Toen [slachtoffer] de deur opende stormde hij naar buiten, pakte haar meteen vast en probeerde hij de verdachte de tuin uit te werken. Daarbij gaf hij de verdachte, die op dat moment 19 weken zwanger was, knietjes richting haar buik. Op enig moment zag zij tijdens het handgemeen een mes op de grond liggen. Zij heeft het mes opgepakt en in de richting van [slachtoffer] gehouden. [slachtoffer] kwam, toen zij achteruit en aan het weglopen was, op de verdachte af, waarna zij voelde dat zij hem raakte met het mes. Hoe [slachtoffer] precies gewond is geraakt aan zijn wang heeft zij niet kunnen verklaren. De raadsman heeft in het verlengde van de verklaring van de verdachte betwist dat de verdachte [slachtoffer] opzettelijk heeft gestoken. Het hof begrijpt dat de raadsman heeft willen bepleiten dat de verdachte van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Het hof acht de door de verdachte gepresenteerde lezing niet geloofwaardig, omdat zij in de verschillende door haar afgelegde verklaringen op essentiële punten niet consistent is gebleken. Zo heeft zij op 7 januari 2016 tegenover de rechter-commissaris en op de terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat het mes dichtgeklapt was toen zij het van de grond oppakte en dat zij het mes vervolgens heeft opengeklapt. In hoger beroep heeft zij echter verklaard dat het mes al (deels) opengeklapt was toen zij het oppakte. Daarnaast heeft de verdachte tegenover de politie (p. 40) en op de terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat [slachtoffer] knietjes gaf in de richting van haar buik, maar dat zij hierdoor niet werd geraakt. Op de terechtzitting in hoger beroep heeft zij echter verklaard dat zij door de knietjes wel in haar buik werd geraakt. Aan de geloofwaardigheid van de verklaring van de verdachte wordt verder afbreuk gedaan doordat deze op een belangrijk punt niet wordt ondersteund door de verklaring van [naam 1]. Uit diens verklaring volgt immers niet dat [slachtoffer] direct op de verdachte afstormde nadat hij de deur had geopend, maar dat [slachtoffer] enige tijd keek naar de buik van de verdachte en daarbij zeer dromerig overkwam, ‘alsof hij net een lijn had genomen’. Het hof gaat bij die stand van zaken voorbij aan de verklaring van de verdachte. Het hof ziet geen reden om te twijfelen aan de verklaring van [slachtoffer]. Daarbij komt dat deze wordt ondersteund door de verklaring van [naam 2] (hierna: [naam 2]) en door de omtrent [slachtoffer] opgemaakte letselverklaring. Op basis hiervan acht het hof bewezen dat de verdachte [slachtoffer] opzettelijk in zijn wang heeft gestoken. Het hof verwerpt het verweer. De raadsman heeft verder aangevoerd dat de verdachte ook van het onder 2 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken, omdat zij dit feit ontkent en niet vast is komen te staan op welk moment deze bedreiging heeft plaatsgevonden. Ook dit verweer wordt verworpen. Dat de verdachte zich in bedreigende bewoordingen richting [slachtoffer] heeft uitgelaten volgt uit de verklaringen van [slachtoffer] en [naam 2]. Dit past bovendien bij de verklaring van de verdachte dat zij boos was toen zij bij [slachtoffer] voor de deur stond en dat zij daar was om verhaal te halen (p. 40). De omstandigheid dat [naam 2] en [slachtoffer] de dreigende woorden in de tijd respectievelijk vóór en na het gewond raken van [slachtoffer] plaatsen acht het hof niet van dermate groot gewicht dat aan hun beider verklaring dát de verdachte bij het incident dreigende taal heeft gebezigd, moet worden getwijfeld. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 meer subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 1meer subsidiairzij op 3 januari 2016 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet voornoemde [slachtoffer] met kracht met een mes in de wang heeft gestoken. 2 zij op 3 januari 2016 te Amsterdam [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend voornoemde [slachtoffer] een mes voorgehouden en de woorden toegevoegd: "Ik steek je dood als je niet oppast" en/of "Ik steek je dood", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking. Hetgeen onder 1 meer subsidiair en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde De verdachte heeft zich op zitting op het standpunt gesteld dat zij ‘uit zelfverdediging’ heeft gehandeld uit doodsangst. De raadsman heeft namens de verdachte het verweer gevoerd dat zij een beroep kan doen op noodweer. Hij heeft in dat verband (niet meer) aangevoerd (dan) dat de eerste agressie kwam van de kant van [slachtoffer]; deze had tevoren provocerende WhatsApp-berichten verstuurd en had de verdachte meermalen de tuin uitgezet. Het hof overweegt dat de raadsman bij dit verweer kennelijk is uitgegaan van de lezing van de verdachte. Nu het hof deze lezing terzijde heeft gesteld, faalt het verweer reeds om die reden. Ook overigens is niet aannemelijk geworden dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer] waartegen de verdachte zich moest verdedigingen. Er is (ook overigens) geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 meer subsidiair en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het onder 1 meer subsidiair bewezen verklaarde levert op: poging tot zware mishandeling. Het onder 2 bewezen verklaarde levert op: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Strafbaarheid van de verdachte De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit psychische overmacht. Zij verkeerde in een ‘extreme toestand van paniek’ en had angst om haar kind te verliezen. Daarbij heeft de raadsman erop gewezen dat van de verdachte bekend is dat zij door emoties kan worden overspoeld. Het hof overweegt dat de raadsman bij dit verweer kennelijk is uitgegaan van de lezing van de verdachte, waarin [slachtoffer] haar knietjes richting haar buik heeft gegeven. Nu het hof deze lezing terzijde heeft gesteld en er ook voorts geen aanwijzing is dat bij de verdachte sprake was van een van buiten komende drang waaraan zij redelijkerwijs geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden, verwerpt het hof het beroep op psychische overmacht. Er is derhalve geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 meer subsidiair en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is. Oplegging van straffen De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 meer subsidiair en onder 2 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, met aftrek van het voorarrest. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 meer subsidiair en onder 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, en dat daaraan als bijzondere voorwaarden worden gekoppeld (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.